JUFVROUW MILLER EN DE HEER NIGHTINGALE BEZOEKEN DEN HEER JONES IN DE
GEVANGENIS.
Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten,
liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt
te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij
had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen
hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als
de heer Nightingale.
De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van
Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij
haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer
Nightingale vóór haar aangekomen was.
De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo
buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt
gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen
is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van
dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en
onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan
medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken.
De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees
ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar
grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige
kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en
ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb,
inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de
vriendschap ontdekt heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche
ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij
heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er
over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.
Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt
zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem
in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen
opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen
te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe
vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want
Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel
zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester
te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet
hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.
Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden,
bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel
de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing.
Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:
„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk
dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en
waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben?
Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit
zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit
zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in
vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de
regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te
verdienen uwe plaats zou willen innemen.”
„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar
goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt
hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat
ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”
Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij
het steeds betreuren zou, als eene der grootste rampen welke hem ooit
overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een
ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller,
ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”
„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed,
zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook
werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend
is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij
veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de
jonge dame te krijgen.”
„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot
droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de
zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft.
Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”
„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw
vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal
verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn
schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke
verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve
bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht
mede te deelen.”
„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat
niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad
daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen
kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke
dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit
te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten
eeuwigen dage dankbaar blijven.”
„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet
zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker
worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot
waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan
zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter
wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”
„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone
huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer
dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene
leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel
te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik
ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher
harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben.
Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het
kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”
Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker
opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige
van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede
vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te
spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en
geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo
zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke
belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat
hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste
schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge
dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te
brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden.
Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede
vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne
zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.
Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel
langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van
spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij
hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer
Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer
Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van
den strijd waren geweest.
Jufvrouw Miller begaf zich nu onmiddellijk naar Sophia, bij wie wij
haar dadelijk zullen volgen.