De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde,
veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd
om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de
vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt
en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig
de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden
jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd
wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op
zijne eigene tafel te zien pronken.
Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden
huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel
van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als
de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het
park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée
naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een
of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen
sommigen bewaken, doen zij dat alleen om haar aan iemand anders over te
leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer
gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van
andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar
haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook
zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en
ongedwongen overal in het rond dartelen.
Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme
Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil
geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar
niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon
hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan
vroeger haar vader, met zijne kwellingen.
De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen
mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde,
„dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had
om hem met haar alleen te laten.”
„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal
ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te
laten.”
„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid
vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”
„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd,
juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne
lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk
willen berokkenen, dat niet minder erg is?”
„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen
onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”
„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik
veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker
verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”
„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de
tante; „maar die bedenking zal mij niet afschrikken. Ik handel uit meer
verhevene grondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en
u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij
hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de
gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”
„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel
geven om een speldekussen boven het wapen.”
„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante;
„dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat
ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is
onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen!
Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet
toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal
nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het
rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke
voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land,
en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”
„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het
ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en
vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel
opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het
bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even
zoo over dachten als ik.”
„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de
natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat
het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het
oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord
van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt,
dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik,
met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik
mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”
Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op
den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig
barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt,
tante;—ik ben het ongelukkigste, rampzaligste wezen ter wereld. En als
mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij
te beschermen?”
„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten
beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert,
omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”
„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe
kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden,
dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd,
zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook
gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”
„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk
bezwaar bedenken tegen Milord?”
„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar
opgenoemd heb.”
„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”
„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de
ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”
„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik
heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke
behandeling?”
„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover
te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in
den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de
sporen van zien kunt.”
„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.
„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat
oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid
gedreven zou hebben!”
„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den
naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld
geweest, sedert ons geslacht bestaan heeft. Ik zou iederen Lord de
oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij
veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles
bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te
wekken.”
„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te
achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is
alles volkomen waar!”
„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware
geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks
bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien,
bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet
slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het
niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is
het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten
was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang
geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb
hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit
iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot
te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er
ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of
men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”
„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent
zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat
ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt
hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman
onder is geweest?”
„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik
door een edelman gevraagd.”
„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal
er een te weigeren?”
„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet
hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil
zeggen,—niet zoo heel, heel best!”
„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek gehad van heeren,
die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het
tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen
doen.”
„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.
„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een
tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan
deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten
rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus
zeker ook niet te wanhopen.”
„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw
Western.
„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten.
Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast
schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te
doen in uw bijzijn.”
„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van
u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans
een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet.
Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat
deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit
gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik
was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u
vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten,
zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook
het geval met de menschelijke gestalte.”
Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich
zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die,
na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in
het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te
verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der
tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij
goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia
zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas
kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.
Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand
in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste
het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren
toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer
Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende
verlieten.