HOOFDSTUK III.

EEN BEZOEK VAN DEN HEER WESTERN,—MET HET EEN EN ANDER OVER VADERLIJK

GEZAG.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen

trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn

draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij

„de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook

een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien

aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer

gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog

een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen

niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur,

maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat

alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan

niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.

„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen, dan me weder

door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door

elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen

jagtdag.”

Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk

weêr vuur op een ander onderwerp.

„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De

honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te

jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”

„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen,

en spreek wat duidelijker!”

„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand

te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een

hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het

niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part

ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen.

Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den

bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen

verkoopen!”

„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.

„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond,

ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de

heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady

Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid,

als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare

hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne

eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een

haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd!

Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik!

Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik

omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker

eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn

best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere

nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar

van mijn leven nog niet gezien). „Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die

Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk

eene partij afslaat!””

„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft

aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der

familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”

„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn?

Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast

voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat

veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond

te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met

geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een

van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord,

en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben,

als ik het eens gegeven had!”

„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen

kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle

magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om

het te vervullen.”

„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat

ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’

Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik

de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet

nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij

leeft.”

„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik

mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.

„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat

doen!”

„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder

compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld

werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor

u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van

elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke omgang

en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer

wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet

slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige

oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou

wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke

hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid,

hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze

behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate

geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene

gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien

wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden,

waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten

te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid,

of wat men noemt de gave van repartie, zweemt.—Zij maakt geene

aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid,

welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en

ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even

bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van

haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig

vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien

heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling

eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat

wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare

meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en

Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste

zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker

dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen,

waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich

beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch.

Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk

verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij

voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied

getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke

onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat

daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk

echt moet wezen.”

Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen

kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:

„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja,

verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”

„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,”

herinnerde Allworthy.

„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer

zeggen.”

„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de

verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben

over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich

verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat

oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene

mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad

dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te

zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze

daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig

maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van

geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare

toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de

wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich

zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die

banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een

geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig,

om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te

brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende

regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden

moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het

huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij

dezen last eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van

allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het

wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot

welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet

trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo

iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne

kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen

regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al

konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter

wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige

ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?

„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame,

ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien

van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen,

ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad

dankbaar daarvoor zal blijven.”

„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra

hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot

het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij

zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat

gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken!

Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne

dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een

wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de

meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar

denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat

geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te

vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere

zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaak gehoorzamen,

welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar

begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij

mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat

zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—en de andere helft

bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot

haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort

praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om

te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne

bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al

wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen

nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar

in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik

liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou

krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta

verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het

verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand

hadt!”

Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou,

al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien

glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de

dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de

engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.

Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat

dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die

tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen

wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor

wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste,

meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de

vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus

ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te

verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal

behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western

heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij

niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit,

in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren

verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als

kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk

traden. Bovendien, hoewel de overige dames der familie de aanspraken

van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve

geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs

van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere

booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”

„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.

„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den

moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn

leven—”

„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is

er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!”

En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.

„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik

heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen

om uw geluk te verzekeren.”

„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat

mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat

ik zelf iets anders verlangen zou!”

„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te

schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik

blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van

dien aard, wil ik niets hooren!”

„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd

worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als

die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven

geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin

gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten

in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld,

met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel

alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te

vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne

tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en

die ik om alles ter wereld niet zou willen verliezen; want ik heb ze al

meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke

vent is, die u best bevallen zal!”

De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging

aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en

dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van

den armen Jones te beleven.

Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het

gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte

dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar

ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld

eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van

eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge

welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk

door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en

soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene

vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon

bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al

redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen

besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer

geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een

bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal

eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde

neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik

vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje

koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon,

en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke

de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het,

niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar

gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen,

wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet

tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand

te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek

dus goed uw hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg,

slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt,

dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen

zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond

verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”

De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar

als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd

niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu

dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook

niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

Tom Jones · 第 300 / 340 题