EEN BEZOEK VAN DEN HEER WESTERN,—MET HET EEN EN ANDER OVER VADERLIJK
GEZAG.
Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen
trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn
draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij
„de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook
een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien
aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer
gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog
een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen
niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur,
maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat
alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan
niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.
„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen, dan me weder
door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door
elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen
jagtdag.”
Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk
weêr vuur op een ander onderwerp.
„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De
honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te
jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”
„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen,
en spreek wat duidelijker!”
„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand
te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een
hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het
niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part
ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen.
Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den
bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen
verkoopen!”
„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.
„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond,
ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de
heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady
Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid,
als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare
hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne
eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een
haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd!
Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik!
Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik
omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker
eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn
best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere
nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar
van mijn leven nog niet gezien). „Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die
Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk
eene partij afslaat!””
„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft
aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der
familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”
„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn?
Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast
voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat
veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond
te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met
geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een
van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord,
en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben,
als ik het eens gegeven had!”
„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen
kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle
magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om
het te vervullen.”
„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat
ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’
Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik
de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet
nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij
leeft.”
„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik
mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.
„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat
doen!”
„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder
compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld
werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor
u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van
elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke omgang
en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer
wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet
slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige
oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou
wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke
hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid,
hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze
behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate
geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene
gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien
wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden,
waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten
te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid,
of wat men noemt de gave van repartie, zweemt.—Zij maakt geene
aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid,
welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en
ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even
bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van
haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig
vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien
heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling
eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat
wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare
meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en
Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste
zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker
dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen,
waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich
beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch.
Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk
verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij
voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied
getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke
onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat
daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk
echt moet wezen.”
Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen
kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:
„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja,
verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”
„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,”
herinnerde Allworthy.
„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer
zeggen.”
„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de
verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben
over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich
verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat
oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene
mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad
dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te
zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze
daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig
maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van
geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare
toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de
wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich
zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die
banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een
geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig,
om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te
brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende
regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden
moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het
huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij
dezen last eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van
allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het
wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot
welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet
trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo
iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne
kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen
regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al
konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter
wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige
ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?
„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame,
ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien
van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen,
ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad
dankbaar daarvoor zal blijven.”
„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra
hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot
het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij
zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat
gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken!
Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne
dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een
wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de
meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar
denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat
geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te
vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere
zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaak gehoorzamen,
welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar
begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij
mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat
zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—en de andere helft
bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot
haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort
praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om
te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne
bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al
wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen
nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar
in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik
liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou
krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta
verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het
verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand
hadt!”
Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou,
al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien
glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de
dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de
engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.
Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat
dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die
tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen
wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor
wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste,
meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de
vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus
ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te
verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal
behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western
heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij
niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit,
in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren
verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als
kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk
traden. Bovendien, hoewel de overige dames der familie de aanspraken
van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve
geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs
van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere
booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”
„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.
„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den
moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn
leven—”
„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is
er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!”
En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.
„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik
heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen
om uw geluk te verzekeren.”
„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat
mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat
ik zelf iets anders verlangen zou!”
„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te
schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik
blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van
dien aard, wil ik niets hooren!”
„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd
worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als
die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven
geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin
gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten
in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld,
met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel
alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te
vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne
tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en
die ik om alles ter wereld niet zou willen verliezen; want ik heb ze al
meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke
vent is, die u best bevallen zal!”
De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging
aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en
dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van
den armen Jones te beleven.
Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het
gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte
dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar
ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld
eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van
eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge
welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk
door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en
soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene
vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon
bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al
redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen
besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer
geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een
bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal
eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde
neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik
vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje
koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon,
en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke
de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het,
niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar
gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen,
wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet
tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand
te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek
dus goed uw hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg,
slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt,
dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen
zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond
verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”
De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar
als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd
niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu
dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook
niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.