HET EDELMOEDIGE EN DANKBARE GEDRAG VAN JUFVROUW MILLER.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen

Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde

en zich bij hen voegde.

Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:

„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is!

Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te

grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden

bewezen hebt!”

„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven,

dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar

men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid

tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”

„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der

goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den

mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij

aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter

wereld te zijn.”

„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep

jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste

menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had,

zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”

De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem

den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil,

zonder naar Allworthy te zien:

„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter

wereld niet willen beleedigen, mijnheer; maar wezenlijk, ik kan het

niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”

„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon,

„dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren

verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”

„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik

zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende.

O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij

zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den

hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden,

die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij

zulke vijanden heeft!”

„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide

Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien

aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”

„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste

verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest

kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang

gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar

gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk

deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren

uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm

genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een

beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare

gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw

naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze

zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen

over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u

bemint!”

„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes,

waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan

jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat

zij niet de eenige van uwe kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven

heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de

jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard

heeft;—maar dat vergeef ik hem!”

„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller.

„Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen

kunnen!”

„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe

houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle

verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen

door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo

mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te

vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien

gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den

ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me,

dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over

zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”

„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het

laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat

men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig,

die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme

jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en

ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen

zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden

door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen

ooit bezat!”

„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik

het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.

„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u

verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat

zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik

weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en

ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan

ik nu gedaan heb.”

„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen

als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen,

groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst,

jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen,

zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van

eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende

zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”

Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder

de heer Blifil:

„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van

jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij

alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt,

dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”

„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat

heeft hij nu bedreven?”

„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen

jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen,

en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat

geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet

zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en,

om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”

Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot

jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:

„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”

„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding

is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles

waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de

schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de

stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de

meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van

alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo

zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en

iedereen ook die den voet over den drempel zette.”

Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de

huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te

hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den

heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine

dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding

welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te

noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens

uren lang zelf met haar speelde.

Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke

onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van

Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen,

voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze

ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit

langdradig zijn.

Tom Jones · 第 299 / 340 题