HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE HEER WESTERN ZIJNE ZUSTER BEZOEKT IN GEZELSCHAP VAN DEN HEER

BLIFIL.

Mejufvrouw Western was bezig met hare nicht eene les te lezen over

wereldwijsheid en de diplomatie van het huwelijksleven, toen haar

broeder en Blifil, met verzuim van alle plegtigheden, welke bij een

bezoek vereischt worden, haar kwamen storen.

Zoodra Sophia Blifil ontwaarde, verbleekte zij en viel haast in zwijm;

terwijl hare tante, integendeel, hoog rood werd, en in het geheel niet

ontsteld zijnde, dadelijk een aanval op den landjonker deed.

„Broeder!” riep zij; „ik sta verstomd over uw gedrag! Zult gij nooit

leeren de welvoegelijkheid in acht te nemen? Zult gij steeds ieders

woning als de uwe beschouwen,—of als die van een uwer boeren? Verbeeldt

gij u, dat gij het regt hebt om in de vertrekken van dames van aanzien

te verschijnen, zonder complimenten, of belet te vragen?”

„Wat drommel! Wat is er nu te doen?” vroeg de landjonker. „Men zou zich

kunnen verbeelden, dat gij juist bezig waart met—”

„Wat ik u bidden mag,” viel zij hem in de rede, „spaar ons uwe

gemeenheden! Gij hebt mijne arme nicht zoodanig verrast, dat het haar

moeite kost zich staande te houden.—Ga heen, kindlief,—ga maar naar uwe

eigene kamer en tracht dáár weder tot bedaren te komen;—want ik zie,

dat gij daaraan behoefte hebt.”

Op deze woorden verwijderde zich Sophia, die nooit een meer gewenscht

bevel ontvangen had, oogenblikkelijk.

„Wel, zuster,” riep de landjonker, „zijt ge mal? Ik heb den heer Blifil

hierheen gebragt, bepaaldelijk om haar het hof te maken, en nu jaagt

gij haar de kamer uit!”

„En gij, broeder,” hernam zij, „moet zeker al heel mal wezen, om

terwijl u de toestand der zaken bekend is,—den heer Blifil te

brengen;—ik vraag hem wel excuus;—maar hij weet zelf best aan wien hij

zulk eene onaangename ontvangst te danken heeft! Wat mij betreft, ik

zal zeker altijd heel blijde wezen mijnheer Blifil te ontvangen; en

zijn eigen gezond verstand zou hem hebben doen inzien, dat het ongepast

was zoo’n onberedeneerden stap te doen, als dien, waartoe gij hem zeker

gedwongen hebt.”

Blifil boog, stamelde en maakte een mal figuur; terwijl Western, zonder

hem den tijd te gunnen om eene redevoering te bedenken, antwoordde:

„Nu, ja,—ik heb schuld, als u dat goed dunkt,—dat heb ik altijd,

natuurlijk! Maar kom aan! Laat het meisje terug halen, of laat mijnheer

Blifil bij haar gaan!—Hij is met dat doel naar Londen gekomen, en er is

geen tijd te verliezen.”

„Broeder,” riep mejufvrouw Western, „ik ben overtuigd dat mijnheer

Blifil zijne positie te goed kent om er in de verste verte aan te

denken, mijne nicht, na hetgeen er gebeurd is, heden morgen weder te

zien. De vrouwen hebben een teêr gestel en als wij eens van streek

zijn, komen wij niet in één oogenblik weer tot bedaren. Als gij

toegelaten hadt dat de heer Blifil heden morgen eene beleefde boodschap

aan mijne nicht zond, met verzoek om de eer te mogen hebben in den loop

van den namiddag zijne opwachting bij haar te maken, zou het mij

waarschijnlijk gelukt zijn om haar over te halen hem te ontvangen;—maar

thans zou ik er aan wanhopen zoo iets te kunnen bewerken.”

„Het spijt me zeer, mejufvrouw,” zei Blifil, „dat de buitengewone

goedheid van den heer Western, waarvoor ik hem nooit dankbaar genoeg

kan zijn,—aanleiding zou gegeven hebben,—”

„Wel, mijnheer!” viel zij hem in de rede; „gij behoeft u werkelijk niet

te verontschuldigen;—iedereen kent mijn broeder!”

„’t Kan mij niet schelen of men me kent of niet,” hernam de landjonker.

„Zeg maar wanneer hij komen moet om haar te zien? Want bedenk wel, zeg

ik je, dat hij en Allworthy alleen daarom de reis gedaan hebben.”

„Broeder,” luidde het antwoord, „elke boodschap die het den heer Blifil

behagen moge aan mijne nicht te zenden, zal haar overgebragt worden, en

naar ik veronderstel, zal zij geene instructiën noodig hebben om op

eene gepaste wijze daarop te antwoorden. Ik ben ook overtuigd, dat zij

niet weigeren zal den heer Blifil ter geschikter ure bij zich toe te

laten.”

„O zoo! Om de weêrga niet? Neen!” riep de heer Western. „O neen! Ik zeg

niets!—Om den drommel niet!—Weten we niet—O neen! Maar sommige menschen

verbeelden zich wijzer te zijn dan de geheele wereld;—als ik echter

mijn zin had gehad, dan zou zij den eersten keer niet weggeloopen

zijn,—en nu wacht ik elk oogenblik te hooren dat zij weder weg is! Want

hoe gek ik ook ben,—in de oogen van zekere menschen,—weet ik best, dat

zij een haat koestert voor—”

„Genoeg daarvan, broeder!” viel hem jufvrouw Western in de rede. „Ik

heb geen lust om mijne nicht te hooren uitschelden. Dat is eene

beleediging voor de geheele familie! Zij strekt hare familie echter tot

eer,—en ik verzeker u, dat zij steeds onze familie tot eer strekken

zal.—Ik sta met mijn eigen goeden naam borg voor haar gedrag!—Het zal

me aangenaam wezen, broeder, u heden namiddag bij me te zien; want ik

heb u eene gewigtige mededeeling te doen; voor het oogenblik moeten

gij, en de heer Blifil, het mij niet ten kwade duiden; maar ik heb

haast om mij te gaan kleeden.”

„Nu ja,” zei de landjonker; „bepaal dan maar een uur waarop hij haar

zien kan.”

„Wezenlijk,—ik kan zoo iets niet op mij nemen—maar, zooals ik u gezegd

heb, zal ik u heden namiddag ontvangen,” zeide zij.

„Wat drommel moet ik doen?” riep de landjonker, zich tot Blifil

wendende. „Ik kan haar evenmin bijhouden als een dashond een ouden

haas!—Welligt zal zij heden namiddag beter gemutst wezen.”

„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Blifil, „ben ik voor het ongeluk

geboren;—maar ik zal u steeds even dankbaar blijven.”

Hierop nam hij plegtstatig afscheid van mejufvrouw Western, die van

haar kant, even plegtstatig bleef, en beiden vertrokken, terwijl

Western, met een vloek, binnensmonds mompelde, dat Blifil wis en zeker

dien namiddag zijne dochter zien zou.

Was de heer Western weinig ingenomen met deze ontmoeting, de heer

Blifil was nog minder daarover tevreden. Wat den eersten betrof, deze

schreef de houding zijner zuster alleen aan haar luim toe, en aan hare

ontevredenheid over het verzuim van alle pligtplegingen bij zijn

bezoek; maar Blifil had dieper inzigt in de zaken. Uit enkele woorden,

welke de dame zich had laten ontvallen, vermoedde hij iets van veel

meer gewigt, en om de waarheid te zeggen, had hij zich niet

vergist;—wat blijken zal bij de behandeling der verschillende

onderwerpen in het volgende hoofdstuk bevat.

Tom Jones · 第 287 / 340 题