Het is bijna onmogelijk zelfs voor de beste der ouders om eene stipte
onpartijdigheid in acht te nemen tegenover al hunne kinderen,—zelfs in
gevallen waar geene meerdere verdiensten bij het een of ander kind
hunne neiging doet overhellen;—maar waar eene dergelijke meerderheid
bestaat, kan men moeijelijk de ouders berispen als ze daaraan de
voorkeur schenken.
Daar ik alle personaadjes in deze geschiedenis als mijne kinderen
beschouw, moet ik bekennen dat ik deze soort van partijdigheid koester
ten opzigte van Sophia, en ik hoop dat de lezer bekennen zal, dat de
groote voortreffelijkheid van haar karakter mijne voorliefde
verontschuldigt.
Deze buitengewone liefde dan, welke ik voor mijne heldin koester, duldt
nooit dat ik haar, zonder grooten tegenzin, voor één oogenblik verlaat.
Ik zou dus thans met de meeste geestdrift aan het onderzoeken gaan van
hetgeen dit beminnelijk schepsel overkomen is sedert zij de woning van
haar vader verlaten heeft, ware het niet dat ik genoodzaakt ware eerst
een kort bezoek bij den heer Blifil af te leggen.
De heer Western, in zijne eerste verwarring bij de onverwachte
ontvangst van de tijding omtrent zijne dochter, en in zijne haast om
haar te gaan opzoeken, had er niet eens aan gedacht om Blifil eenig
berigt te zenden van de pas gedane ontdekking. Hij was echter niet heel
ver gekomen, toen hij zich bezon, halt maakte bij de eerste herberg,
welke hij bereikte, en Blifil van daar deed weten, dat hij Sophia
gevonden had, en dat het zijn vast besluit was haar onmiddellijk met
hem te doen trouwen, en dat hij dus maar dadelijk naar Londen moest
komen.
Daar de liefde, welke Blifil tot Sophia koesterde, van dien vurigen
aard was, dat niets dan het verlies van haar vermogen, of eenig ander
dergelijk ongeluk, ze kon doen verkoelen, was zijn zin in het huwelijk
volstrekt niet verminderd door hare ontvlugting, hoewel hij genoodzaakt
was zich zelven te beschouwen als de oorzaak daarvan. Hij nam dus het
aanbod van haar vader zeer gereedelijk aan. En inderdaad, hij stelde
zich voor door dit huwelijk niet alleen aan zijne geldzucht, maar ook
nog aan een anderen zeer geweldigen hartstogt te voldoen, namelijk, aan
zijn haat;—want hij begreep dat het huwelijk evenzeer gelegenheid
verschaft om aan haat als aan liefde bot te vieren,—en dit gevoelen
wordt waarschijnlijk door de meerdere ondervinding zeer gesterkt. Om de
waarheid te zeggen, als wij naar het gewone gedrag van gehuwden
onderling oordeelen mogen, zullen wij er toe komen om te besluiten, dat
de meesten alleen zoeken aan eerstgenoemden hartstogt te voldoen door
de vereeniging van alles,—behalve hunne harten.
Blifil ontmoette echter één bezwaar,—en dit werd geopperd door den heer
Allworthy. Toen die goede man, na het vertrek van Sophia (want men kon
noch hare vlugt noch de aanleiding daartoe voor hem verbergen), den
grooten afkeer leerde kennen, welken zij voor zijn neef koesterde,
begon hij ernstig bevreesd te zijn, dat hij zich had laten verleiden om
de zaken te ver te drijven. Hij deelde volstrekt niet het gevoelen van
die vaders, die het even onnoodig achten om de neigingen hunner
kinderen te raadplegen bij een huwelijk, als zich te rigten naar de
wenschen hunner dienstboden als zij op reis gaan,—en die alleen door de
wet, of de welvoegelijkheid belet worden om maatregelen van geweld te
gebruiken. Integendeel;—daar hij het huwelijk beschouwde als eene zeer
heilige instelling, achtte hij het noodig om alle mogelijke voorzorgen
te nemen om het heilig en ongeschonden te doen blijven, en besloot, met
de meeste wijsheid, dat men dit niet beter bewerken kon, dan door het
te grondvesten op reeds bestaande neiging.
Het gelukte Blifil zeer spoedig om zijn oom het denkbeeld uit het hoofd
te praten, dat men hem gefopt had, door met vele geloften en
betuigingen te verklaren, dat hij zelf bedrogen was geworden,—en dit
rijmde zeer goed met al wat Western verklaarde; maar om Allworthy thans
over te halen om toe te stemmen, dat hij zou volhouden met zijn
aanzoek, was eene schijnbaar zoo moeijelijke taak, dat ze een minder
ondernemend genie afgeschrikt zou hebben;—deze jonge heer echter kende
zijne eigene talenten zoo goed, dat niets wat door list te verkrijgen
was, voor hem moeijelijk te bereiken scheen.
Hij begon dus met de hevigheid van zijne eigene liefde voor te stellen,
en de hoop welke hij koesterde om door volharding den tegenzin der dame
te overwinnen. Hij smeekte, dat in eene zaak, waarvan zijn toekomstig
levensgeluk afhing, men hem ten minste de vrijheid zou laten, om alle
eerlijke middelen aan te wenden. „De hemel verhoede,” zeide hij, „dat
hij er ooit aan denken zou, om iets anders dan de meeste zachtheid aan
te wenden! Bovendien, oom,” voegde hij er bij, „als dit mislukt, dan
staat het u vrij,—en dat zou dan vroeg genoeg zijn,—om, van uw kant,
uwe toestemming te weigeren.” Hij sprak ook van het vurige verlangen,
waarmede de heer Western bezield was, om het huwelijk te zien sluiten,
en eindelijk maakte hij krachtig gebruik van den naam van Jones, aan
wien hij alles toeschreef wat er gebeurd was, terwijl hij beweerde dat
de christelijke liefde allen moest aansporen, om de jonge dame tegen
hem te beveiligen.
Al deze beweegredenen werden zeer goed ondersteund door Thwackum, die
iets meer klem gaf aan het ouderlijke gezag, dan Blifil gedaan had. Hij
schreef de maatregelen welke Blifil nemen wilde, geheel toe aan de
christelijke liefde; „hoewel,” zeide hij, „de brave jongeling de
christelijke liefde het laatst genoemd heeft, ben ik vast overtuigd,
dat die zijne eerste en voornaamste beweegreden is.”
Als Square tegenwoordig ware geweest, zou hij misschien een dergelijk
deuntje gezongen hebben, hoewel op een anderen toon, en zou hij heel
veel „zedelijke gepastheid” ontdekt hebben in Blifils handelwijze;—maar
hij was nu te Bath, tot herstel van gezondheid.
Allworthy gaf eindelijk, ofschoon niet zonder tegenzin, aan de wenschen
van zijn neef toe. Hij zeide, dat hij hem naar Londen vergezellen
zoude, waar het Blifil vrij zou staan alle eerlijke middelen te baat te
nemen om de dame te winnen; „maar,” zeide hij, „ik verklaar, dat ik
nooit er in zal toestemmen, dat men hare neigingen eenig geweld aandoe,
en gij zult haar ook nooit nemen, zonder hare eigene, volmondige
toestemming.”
Op deze wijze bragt de liefde van Allworthy tot zijn neef hem in
verzoeking, om zijn meerder verstand te onderwerpen aan het mindere;—en
op deze wijze wordt de wijsheid van het beste hoofd wel eens door de
teederheid van het beste hart verijdeld.
Blifil, deze onverhoopte toestemming van zijn oom verkregen hebbende,
rustte niet tot hij zijn plan ten uitvoer bragt. En daar er geene
dringende zaken waren om den heer Allworthy buiten te houden en mannen
slechts weinige toebereidselen tot eene reis noodig hebben, vertrokken
zij al den volgenden dag, en kwamen te Londen aan dienzelfden avond,
waarop Jones, zooals wij gezien hebben, zich met Partridge in den
schouwburg vermaakte.
Den morgen na zijne aankomst, maakte de heer Blifil zijne opwachting
bij den heer Western, door wien hij zeer hartelijk en genadig ontvangen
werd, en van wien hij dadelijk de verzekering kreeg (hoe onmogelijk die
ook te geven was), dat hij spoedig gelukkig gemaakt zou worden door het
bezit van Sophia; de landjonker liet ook niet toe dat de jonge heer
naar zijn oom terugkeerde, eer hij hem, haast zijns ondanks,
medegesleept had bij mejufvrouw Western.