HOOFDSTUK V.

WAARIN JONES EEN BRIEF ONTVANGT VAN SOPHIA EN MET JUFVROUW MILLER EN

PARTRIDGE NAAR DE KOMEDIE GAAT.

De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten,

welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren

meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den

angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.

Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende

antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook

pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare

bevrijding schreef.

„Mijnheer,

Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft,

zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn

lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij

wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.

„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou

doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap met iemand

te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb

ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij

niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder

alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest

van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het

woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet

als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel,

kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal

voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij

er iets van weet.

„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit

tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles

wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp

beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost

als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik

nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast

besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te

doen zonder zijne toestemming.

„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het

noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u

hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u

met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u

ten sterkste aan het te baat te nemen.

„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan

u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het

geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit

oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens

mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,

„Mijnheer,

uwe verpligte en dienstvaardige

Sophia Western.”

„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik

niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en

hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze

kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds

vroeger in uwe handen bragt.” [17]

Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder

tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het

schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde

en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch

opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij

hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt

wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd,

en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in

was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig

verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in

enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar

veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral

daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig

licht beschouwt.

Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne

beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond,

bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden.

Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem

gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden;

want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en

niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel

ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van

Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij

gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt

gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke

volstrekt niets vleeschelijks heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is,

blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk

ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar

waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan

eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een

dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van

genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de

natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een

voorbeeld van te hebben gezien.

Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het

kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van

de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij

eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om

mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te

vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het

gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin

bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot

genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die

eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel

niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.

De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen

dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge

verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit

bezocht had.

Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele

muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen.

En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw

Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als

de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd

voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook

niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken

waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme

familie een geheel jaar te voorzien.”

Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon, was Partridge

geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het

optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n

mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel

eens op eene schilderij gezien heb?”

„Dat is de geest,” hernam Jones.

Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs

maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven

een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik

hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor

den dag!”

Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne

buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge

aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd

had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar

sloegen.

Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op

het tooneel?

„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben

volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en

als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen

kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor

was, zou ik niet de eenige zijn!”

„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij

zijt?”

„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die

kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn

leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij

zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid!

Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan

volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke

gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap

verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou

zijn om het heele koningrijk te krijgen!”

Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch,

mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?” En zoolang de geest

sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren,

wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.

Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij

overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk

achtte.”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den

duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet

verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in

steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou

wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde

kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar

zelf zoo verschrikt zag.”

„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang

was?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe,

toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe

die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem

langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn

leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden

had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij

weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch

blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de

oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat

helpt een degen tegen de magt van den Satan?”

Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij

bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des

konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een

gezigt vergissen? Ja! Nulla fides fronti! dat is zeker een waar woord!

Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij

een moordenaar is?”

Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene

verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan

„dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”

Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest

weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is

hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch

kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een

droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet

hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld

niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik

leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”

„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.

„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is,

en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo

lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf,

al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar!

Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die

ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder

ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door

hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder

verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”

Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het

treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin,

begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij

het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat

hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller

wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning

aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en

zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten

niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger

komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan

hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een

onschuldig gezigt!”

Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die

veel verbazing toonde over het groote aantal schedels, welke op het

tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest

beroemde begraafplaatsen in de stad was.”

„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb

van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een

onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen

deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de

hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij

meer houdt van zingen dan van werken!”

Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:

„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik

kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te

raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest

verscheen.—Nu: nemo omnibus horis sapit!”

Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het

stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best

bevallen was?”

Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de

vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”

„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders

over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol

van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor

het publiek optrad.”

„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden

glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat

als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen

als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne

moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik

leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had,

zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor

den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene

Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien

spelen,—en de Koning is mijn man! Hij spreekt alle woorden duidelijk

uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dat hij een

tooneelspeler is!”

Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene

dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.

Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid

zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt

van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij

woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar,

zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op

het bepaalde uur bij haar te komen.

Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet

slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die

in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan

naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.

Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed

gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer

benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met

een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons

genadig! Daar is hij!”

Tom Jones · 第 284 / 340 题