WAARIN JONES EEN BRIEF ONTVANGT VAN SOPHIA EN MET JUFVROUW MILLER EN
PARTRIDGE NAAR DE KOMEDIE GAAT.
De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten,
welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren
meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den
angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.
Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende
antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook
pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare
bevrijding schreef.
„Mijnheer,
Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft,
zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn
lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij
wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.
„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou
doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap met iemand
te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb
ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij
niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder
alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest
van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het
woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet
als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel,
kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal
voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij
er iets van weet.
„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit
tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles
wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp
beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost
als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik
nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast
besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te
doen zonder zijne toestemming.
„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het
noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u
hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u
met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u
ten sterkste aan het te baat te nemen.
„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan
u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het
geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit
oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens
mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,
„Mijnheer,
uwe verpligte en dienstvaardige
Sophia Western.”
„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik
niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en
hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze
kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds
vroeger in uwe handen bragt.” [17]
Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder
tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het
schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde
en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch
opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij
hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt
wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd,
en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in
was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig
verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in
enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar
veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral
daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig
licht beschouwt.
Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne
beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond,
bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden.
Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem
gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden;
want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en
niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel
ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van
Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij
gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt
gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke
volstrekt niets vleeschelijks heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is,
blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk
ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar
waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan
eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een
dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van
genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de
natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een
voorbeeld van te hebben gezien.
Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het
kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van
de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij
eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om
mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te
vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het
gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin
bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot
genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die
eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel
niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.
De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen
dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge
verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit
bezocht had.
Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele
muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen.
En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw
Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als
de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd
voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook
niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken
waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme
familie een geheel jaar te voorzien.”
Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon, was Partridge
geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het
optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n
mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel
eens op eene schilderij gezien heb?”
„Dat is de geest,” hernam Jones.
Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs
maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven
een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik
hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor
den dag!”
Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne
buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge
aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd
had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar
sloegen.
Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op
het tooneel?
„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben
volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en
als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen
kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor
was, zou ik niet de eenige zijn!”
„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij
zijt?”
„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die
kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn
leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij
zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid!
Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan
volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke
gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap
verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou
zijn om het heele koningrijk te krijgen!”
Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch,
mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?” En zoolang de geest
sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren,
wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.
Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij
overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk
achtte.”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den
duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet
verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in
steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou
wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde
kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar
zelf zoo verschrikt zag.”
„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang
was?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe,
toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe
die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem
langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn
leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden
had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij
weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch
blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de
oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat
helpt een degen tegen de magt van den Satan?”
Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij
bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des
konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een
gezigt vergissen? Ja! Nulla fides fronti! dat is zeker een waar woord!
Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij
een moordenaar is?”
Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene
verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan
„dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”
Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest
weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is
hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch
kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een
droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet
hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld
niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik
leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”
„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.
„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is,
en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo
lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf,
al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar!
Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die
ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder
ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door
hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder
verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”
Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het
treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin,
begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij
het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat
hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller
wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning
aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en
zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten
niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger
komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan
hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een
onschuldig gezigt!”
Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die
veel verbazing toonde over het groote aantal schedels, welke op het
tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest
beroemde begraafplaatsen in de stad was.”
„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb
van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een
onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen
deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de
hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij
meer houdt van zingen dan van werken!”
Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:
„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik
kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te
raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest
verscheen.—Nu: nemo omnibus horis sapit!”
Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het
stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best
bevallen was?”
Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de
vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”
„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders
over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol
van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor
het publiek optrad.”
„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden
glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat
als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen
als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne
moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik
leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had,
zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor
den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene
Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien
spelen,—en de Koning is mijn man! Hij spreekt alle woorden duidelijk
uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dat hij een
tooneelspeler is!”
Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene
dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.
Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid
zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt
van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij
woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar,
zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op
het bepaalde uur bij haar te komen.
Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet
slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die
in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan
naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.
Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed
gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer
benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met
een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons
genadig! Daar is hij!”