De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden),
rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd.
Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden,
om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het
waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne
zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel
hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.
Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een
stoel en hield de volgende aanspraak:
„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis
te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik geloof dat de straatwegen sedert
de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel!
broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat
gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”
„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de
kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik
dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten
hoe mij onder hen te bergen.”
„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog
niet gemaakt bij Lady Bellaston?”
„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is
boven op hare kamer.”
„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens
dat ik aangekomen ben?”
„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand
om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik
haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne
aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat
verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”
„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht
wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in
toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was
een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten,
dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene
dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door
dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al
eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de
tweede maal een dergelijken stap te doen?”
„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat
ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo
aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt
voor al wat ik gedaan heb!”
„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven
om te gelooven dat ik u roemen zou, omdat gij uwe dochter achter slot
houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land,
zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even
vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is
het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik
nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als
mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken
bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid
gesteld worde!”
Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór
het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de
andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer
Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme
landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.
„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel,
en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot
Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er
intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan
heb!”
„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western;
„maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en
die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw
kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als
gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer
uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in
acht nemen.”
„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van
mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij,
door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u
gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”
„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou
praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”
„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet
tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en
geeft u gezonden raad, en ik geloof, dat de geheele wereld het met hem
eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ik onmiddellijk antwoord
verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochter
onmiddellijk tot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al
onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in
tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit
de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”
„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me
u smeeken toe te geven!”
„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op
tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”
„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de
sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden
door u aangenomen en bekrachtigd worden.”
„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de
landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen
kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij
heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik
haar in al dien tijd te zien kreeg.”
„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij
altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd
van al wat nu voorgevallen is.”
„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan
mij!”
„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf
moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik
dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere
dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe
onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet
geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek
stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets
bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”
„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu van mij hebben? Ge
zoudt den Satan zelven helsch maken!”
„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat
het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer
Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een
redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo
koppig—”
„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken,
mijnheer niet boos te maken—”
„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij!
Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te
bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur
nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen
staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”
En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand,
na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.
Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter
haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te
verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten
had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende,
en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben,
zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te
blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven
leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”
De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch
besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder
aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt
weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim
en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De
jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western
bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare
kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen
christenziel in dit huis ontvangen.”
„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het
meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier
zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel
honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld
waart.”
„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”
„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u
gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar,
als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die
beter bij zijn verstand was.”
„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher
harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok
koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat
uwe tante u beveelt.”
„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij
heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die
verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn
raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge
waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge
aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren
Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me
in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen
hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over
zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen
ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen,
welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige
haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar
niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”
„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang
voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen!
Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis
was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten
zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid leidt! Gij hebt
er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”
„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met
zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”
„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.
En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan
het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit
gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er
waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en
zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even
driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot
Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.