SOPHIA WORDT UIT DE GEVANGENSCHAP VERLOST.

De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden),

rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd.

Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden,

om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het

waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne

zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel

hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.

Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een

stoel en hield de volgende aanspraak:

„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis

te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik geloof dat de straatwegen sedert

de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel!

broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat

gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”

„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de

kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik

dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten

hoe mij onder hen te bergen.”

„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog

niet gemaakt bij Lady Bellaston?”

„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is

boven op hare kamer.”

„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens

dat ik aangekomen ben?”

„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand

om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik

haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne

aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat

verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”

„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht

wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in

toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was

een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten,

dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene

dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door

dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al

eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de

tweede maal een dergelijken stap te doen?”

„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat

ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo

aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt

voor al wat ik gedaan heb!”

„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven

om te gelooven dat ik u roemen zou, omdat gij uwe dochter achter slot

houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land,

zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even

vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is

het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik

nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als

mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken

bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid

gesteld worde!”

Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór

het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de

andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer

Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme

landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.

„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel,

en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot

Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er

intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan

heb!”

„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western;

„maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en

die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw

kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als

gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer

uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in

acht nemen.”

„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van

mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij,

door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u

gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”

„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou

praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”

„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet

tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en

geeft u gezonden raad, en ik geloof, dat de geheele wereld het met hem

eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ik onmiddellijk antwoord

verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochter

onmiddellijk tot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al

onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in

tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit

de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”

„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me

u smeeken toe te geven!”

„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op

tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”

„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de

sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden

door u aangenomen en bekrachtigd worden.”

„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de

landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen

kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij

heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik

haar in al dien tijd te zien kreeg.”

„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij

altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd

van al wat nu voorgevallen is.”

„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan

mij!”

„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf

moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik

dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere

dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe

onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet

geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek

stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets

bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”

„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu van mij hebben? Ge

zoudt den Satan zelven helsch maken!”

„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat

het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer

Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een

redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo

koppig—”

„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken,

mijnheer niet boos te maken—”

„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij!

Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te

bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur

nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen

staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”

En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand,

na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.

Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter

haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te

verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten

had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende,

en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben,

zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te

blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven

leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”

De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch

besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder

aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt

weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim

en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De

jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western

bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare

kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen

christenziel in dit huis ontvangen.”

„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het

meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier

zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel

honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld

waart.”

„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”

„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u

gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar,

als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die

beter bij zijn verstand was.”

„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher

harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok

koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat

uwe tante u beveelt.”

„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij

heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die

verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn

raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge

waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge

aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren

Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me

in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen

hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over

zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen

ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen,

welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige

haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar

niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”

„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang

voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen!

Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis

was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten

zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid leidt! Gij hebt

er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”

„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met

zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”

„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.

En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan

het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit

gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er

waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en

zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even

driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot

Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.

Tom Jones · 第 283 / 340 题