HOOFDSTUK II.

EEN DWAAS AVONTUUR VAN DEN LANDJONKER,—EN DE TREURIGE TOESTAND DER ARME

SOPHIA.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western,

in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen

van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste

welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden

staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij

vond, betrok.

Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het huis van Lady

Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke

voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde,

en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.

Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch

belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te

worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming

zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde,

binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven,

volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare

weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele

driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem

te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur

achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.

Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst

bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging

de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De

zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende

voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe

de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele

boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”

In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een

groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er

niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis

geboekt te worden.

Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer,

dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare

toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen

ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd

zelf aanwezig was.

Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de

dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het

ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne

opwachting bij hem wenschte te maken.

„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn?

Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is.

Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben

moet.”

De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed

mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor

een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke

boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.

„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te

vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens,

ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat

hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”

Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den

landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen

spreken, aldus begon:

„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting

bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij

waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem

voorgevallen is.”

„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet

gehoord.”

„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de

uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te

bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want,

daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert,

zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging

zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke

openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van

dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op

zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel

woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende

zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting

bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te

mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”

„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt, mijnheer,”

hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter,

vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady

Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne

dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar,

met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”

„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de

hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld

me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens

afgewezen zou worden.”

„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk

mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat

niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik

haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil

er niets van weten.”

„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u

de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult

bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”

„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel

te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in

huis, en ga niet uit om wien ook.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te

fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch

zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het

rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou

gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben;

maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer

niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult

zijn, hem aangedaan te hebben.”

„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen!

Ik heb hem niets aangedaan!”

Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne

wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de

ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon

zeer vlug door de kamer te springen, te gelijk zoo hard hij kon

brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen

om getuigen te wezen van zijne vlugheid.

De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver

uit de buurt, en verscheen onmiddellijk op het geschreeuw van den

landjonker, terwijl hij riep:

„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”

„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een

struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft

met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik

hem eenige aanleiding daartoe gaf!”

„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen

had?”

„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide

welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd

had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik

doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos

mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt

gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke

bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij

zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan

verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons

uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den

buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar

sta ik je voor in!”

De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:

„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie

van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting

moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil

gemaakt heb!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker

belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de

andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te

verlangend scheen om daarin te slagen.

Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker eene rist van

vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen

kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder

weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet,

en vertraagde in geen geval zijn vertrek.

De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het

einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den

voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf,

hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den

landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne

dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig

kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want

behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk

afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.

Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren

dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar

Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en

ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende,

vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:

„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat

is er? Wat is u overkomen?”

„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel

kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij,

als ik hem niet in regten vervolg!”

„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u

beleedigd?”

„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die

soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal

hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel

niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij

een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”

„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den

twist?”

„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de

landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw

ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de

drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat

ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging.

Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de

zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen

een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij

aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld

maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken;

ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste

juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd

u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel

veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”

„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”

„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik

liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge

me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven

lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven

om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u

houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw

armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan

zijne kleine Sophia!”

Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een

vloed van tranen stortte, antwoordde:

„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den

hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter

wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man

te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo

hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou

willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik

meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot

te onderwerpen, alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de

kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen

doen.”

Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te

schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te

hooren en hervatte toen in de volgende woorden:

„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel

stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou

hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om

uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot

onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”

„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me

gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan

als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”

„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt

om mij diep ongelukkig te maken?”

„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u

gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou

willen doen om u gelukkig te maken!”

„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van

hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts

denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd

voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”

„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt

worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam

hij.

„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de

plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen,

zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele

leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen,

en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even

als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”

„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat me op die wijze

niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met

mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen

dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar

woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”

„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg

zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit,

van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”

„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe.

Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge

hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet

zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”

Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de

lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke

stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel

zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt

had, in zwijm zou zijn gevallen.

Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig

wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener

ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man

neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een

eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in

de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij,

de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een

beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie,

hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een

publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare

handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst

voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.”

Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de

houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader,

wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne

dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.

In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na eene zeer gemeene

uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en

keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het

belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel

als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift

te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te

persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig

ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons

veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

Tom Jones · 第 279 / 340 题