OVER VOORREDENEN.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te

zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en

eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze

geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching

naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik

invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een

proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was,

maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat

met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene

stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van

nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te

bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het

publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene

lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze

prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders

mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote

vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele

verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te

drukken.

Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige

geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van

mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke

wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van

deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even

als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk

ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist

voor dat eene, waar men ze vindt.

Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal

de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo

lang bij de andere gevonden heeft.

Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de

gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met

het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf

gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het

ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te

fluiten.

Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de

recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan

te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve

zal kunnen aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier

aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt

zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er

in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te

zetten en te prikkelen.

Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog

en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere

te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden,

kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten,

terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met

de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor

menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen,

dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen

is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts

juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van

Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes

doorgevlogen worden.

Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels

zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met

ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste

verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

Tom Jones · 第 278 / 340 题