HOOFDSTUK X.

BESTAANDE GEDEELTELIJK UIT FEITEN EN GEDEELTELIJK UIT OPMERKINGEN

DAAROVER.

De brief van welken wij aan het einde van het vorige hoofdstuk

gesproken hebben, was van den heer Allworthy, en meldde zijn voornemen

om zeer spoedig naar Londen te komen met zijn neef Blifil en zijn

wensch om zijn gewoon kwartier te betrekken, namelijk de eerste

verdieping van jufvrouw Miller’s huis voor zich en de tweede voor zijn

neef.

De opgeruimdheid, welke tot dus ver op het gelaat der arme vrouw

geblonken had, verminderde nu eenigzins. Deze tijding bragt haar

inderdaad in groote verlegenheid. Het scheen haar van den éénen kant

toe zeer onbillijk jegens haar schoonzoon om zijn belangeloos huwelijk

met hare dochter te vergelden, door hem dadelijk de deur uit te jagen;

terwijl zij, van den anderen kant, er niet best toe komen kon om zich

tegenover den heer Allworthy te verontschuldigen, na al de

verpligtingen welke zij aan hem had, en hem te berooven van de woning,

welke, stipt genomen, de zijne was;—want die heer, bij het verspreiden

zijner tallooze weldaden, handelde lijnregt in strijd met de gewoonte

der vrijgevigste menschen. Hij trachtte namelijk, bij iedere

gelegenheid, niet slechts zijne weldaad te verbergen voor het oog der

wereld, maar zelfs voor hem die ze ontving. Hij bezigde telkens de

woorden „leenen,” en „betalen” in plaats van „geven,” en verminderde op

elke wijze, die hij bedenken kon, in woorden de gunsten welke hij in

daden bewees, terwijl hij ze met beide handen uitdeelde. Toen hij dus

aanjufvrouw Miller eene lijfrente van vijftig pond jaarlijks schonk,

zeide hij haar, dat het onder voorwaarde was, dat hij altijd, als hij

naar de stad kwam (wat slechts heel weinig het geval was), de eerste

verdieping bij haar zou kunnen betrekken; maar dat zij die overigens

altijd verhuren kon, daar hij haar steeds eene maand van te voren zou

waarschuwen. Hij was echter thans zoo gehaast met zijne reis, dat hij

geene gelegenheid had gehad om haar te waarschuwen en deze haast

belette hem om er bij te voegen,—wat hij anders zeker gedaan zou

hebben,—dat hij de kamers slechts hebben wilde als ze open stonden;

want hij zou zeker daarvan afgezien hebben om eene veel minder geldige

reden dan die welke jufvrouw Miller thans aanvoeren kon.

Maar er zijn zekere menschen, die zoo als de dichter Prior zeer juist

opmerkt, hun gedrag regelen naar iets

„Dat boven vastgestelde wet verheven is,

Van deugd en ondeugd, naar het schoolsch begrip.”

Voor dergelijke menschen is het lang niet genoeg om vrijgesproken te

worden voor eene regtbank;—zij zijn zelfs niet voldaan, als het

geweten, de strengste van alle regters hen vrijspreekt. Niets dat

eenigzins te kort doet aan hetgeen billijk en eervol is zal hen voldoen

in hunne kieschheid, en als eenige hunner daden hieraan niet

beantwoorden, zuchten en treuren zij, worden zij ongedurig en rusteloos

als een moordenaar, die voor een spook of den beul bevreesd is.

Jufvrouw Miller was een van deze menschen, Zij kon hare onrust na

ontvangst van den brief niet verbergen, en zoodra zij het gezelschap

met den inhoud er van bekend had gemaakt, kwam haar beschermengel Jones

haar te hulp en redde haar dadelijk uit den nood.

„Wat mij betreft, jufvrouw,” zeide hij, „mijne kamer is tot uwe

beschikking, ook zonder opzeggen, zoodra gij ze noodig hebt, en ik ben

overtuigd dat mijnheer Nightingale, daar hij vooralsnog geen huis in

orde kan brengen om zijne echtgenoote te ontvangen, er niets tegen zal

hebben zijne nieuwe kamers te betrekken, waarheen mevrouw Nightingale

hem zeker vergezellen zal.”

Man en vrouw keurden dit voorstel dadelijk goed.

De lezer zal gaarne gelooven dat de wangen van jufvrouw Miller op nieuw

begonnen te tintelen van dankbaarheid jegens Jones; maar het zal

welligt moeijelijker vallen hem te overtuigen, dat het der liefderijke

moeder nog meer genoegen had gedaan den heer Jones hare dochter

„mevrouw Nightingale” te hooren noemen, welk zoet geluid nu voor het

eerst hare ooren streelde en haar hart meer trof dan het wegnemen van

hare ongerustheid.

De volgende dag werd dan vastgesteld voor het vertrek der jonggehuwden

en van den heer Jones, die ook hetzelfde huis als zijn vriend betrekken

zou. En thans was de rust weder bij het gezelschap hersteld, en zij

sleten den dag verder zeer opgeruimd,—behalve Jones, die, hoewel hij

uiterlijk het geluk der overigen deelde, inwendig gekweld werd door den

angst voor zijne Sophia, welke in geene geringe mate vermeerderd werd

door de tijding van Blifils komst naar Londen,—van welke reis hij

duidelijk het doel begreep,—en wat zijn verdriet verhoogde, was dat

jufvrouw Honour, die beloofd had berigten omtrent Sophia in te winnen,

en hem des morgens vroeg tijding te brengen, tot dus ver niet

verschenen was.

In den toestand waarin hij en zijne beminde zich thans bevonden bleef

hem naauwelijks, nog eenige hoop over, en toch was hij even ongeduldig

om mejufvrouw Honour te zien, als of hij verwachten kon dat zij hem een

brief zou brengen met eene uitnoodiging om Sophia te ontmoeten,—en hij

gevoelde de teleurstelling even sterk als of dit werkelijk het geval

ware geweest.

Wij zullen niet beslissen of dit ongeduld ontsproot uit de natuurlijke

zwakheid van den menschelijken geest, die ons begeerig doet zijn om het

allerergste te weten, en de onzekerheid tot de meest ondragelijke van

alle kwellingenmaakt, of dat hij zich nog met eenige geheime hoop

koesterde. Maar iedereen die bemind heeft, zal wel begrijpen dat het

dit laatste wel kon zijn. Want een der meest verbazende krachten van

dezen hartstogt op onzen geest, is dat hij de hoop, te midden der

wanhoop voedt. Bezwaren, onwaarschijnlijkheden,—ja zelfs

onmogelijkheden, worden vergeten, zoodat op iederen zeer verliefden

mensch mag toegepast worden wat Addison van Cezar gezegd heeft:

„Alpen en Pyreneën vergaan voor hem.”

Maar het is ook even waar, dat dezelfde hartstogt soms bergen in

molshoopen ziet, en wanhoop te midden der hoop doet ontstaan; maar, bij

gezonde gestellen, duren deze koortsige vlagen nooit heel lang. Wij

laten het thans aan den lezer zelven over om te beslissen in welke

dezer buijen Jones zich nu bevond, daar wij geene geloofwaardige

berigten daaromtrent geven kunnen;—maar, zooveel is zeker, dat hij

reeds een paar uren in pijnlijke verwachting doorgebragt had, toen hij,

zich buiten staat gevoelende om zijne onrust te verbergen, de vlugt nam

naar zijne kamer, waar zijne onrust hem bijna tot krankzinnigheid

gebragt had, eer hem de volgende brief van mejufvrouw Honour

overhandigd werd, welk schrijven wij woordelijk en letterlijk weer

geven:

„Mijnheer,

Ik zou wel wis en zeker, volgens afspraak, bij mijnheer al zijn

geweest, als Milady mij dat niet belet had;—want gij weet ook best,

mijnheer, dat iedereen eerst verpligt is voor nommer Één te

zorgen,—en zeker is het niet alle daag dat ’n mensch zoo iets

aangeboden wordt,—reden waarom het zeer verkeerd van mij geweest

zou zijn, als ik het niet aangenomen had, toen Milady de

beleefdheid had mij aan te bieden kamenier bij haar te worden,

zonder dat ik er aan gedacht had zoo iets te vragen.

„Wis en zeker is zij eene der beste dames ter wereld, en menschen,

die het tegendeel willen volhouden, moeten in hun hart al zeer

slecht zijn. En ’t is waar, dat als ik zelve ooit iets van dien

aard gezegd heb, dat het uit onwetendheid geweest is, en daar ben

ik hartelijk bedroefd om. Ik weet ook dat mijnheer een mijnheer van

eer en fatsoen is, en dat als ik ooit iets van dien aard gezegd

heb, hij het niet oververtellen zal om eene arme dienstmeid te

benadeelen, die altijd den meesten eerbied voor mijnheer gekoesterd

heeft. ’t Is echter waar dat men steeds een slot op den mond moest

dragen; want geen mensch weet wat er eens gebeuren kan;—en wis en

zeker als iemand me gisteren verteld had dat ik heden zulk eene

goede dienst gevonden zou hebben, zou ik hem niet geloofd

hebben;—want, ’t is waar, zoo iets had ik niet gedroomd, en ik had

ook geen mensch willen onderkruipen; maar toen Milady zoo

vriendelijk was, uit haar eigen, om mij die plaats aan te bieden,

ongevraagd, zou geen mensch, dan jufvrouw Etoff zelve het me kunnen

kwalijk nemen, dat ik ja zeide.

„Ik verzoek mijnheer niets te zeggen van hetgeen ik verteld heb;

want ik wensch mijnheer den meesten voorspoed toe, en ik twijfel

ook niet dat gij eindelijk jufvrouw Sophia krijgen zult; maar, voor

mijn part, zooals mijnheer weet, kan ik u in deze zaak verder van

geene dienst wezen, daar ik nu onder de orders van iemand anders

sta, en niet van mij zelf afhang. Ik verzoek u, mijnheer, niets

over te vertellen van hetgeen nu voorbij is, en mij te gelooven,

mijnheer,

Uwe onderdanige en

tot in den dood

dienstwillige dienaresse,

Honour Blackmore.”

Jones maakte vele gissingen omtrent dezen stap van Lady Bellaston, die

werkelijk echter niets anders bedoelde dan in haar eigen huis de

persoon te hebben die een geheim kende, dat zij niet verder wilde

verspreid hebben dan nu reeds het geval was, en dat zij vooral voor

Sophia verlangde te verbergen; want hoewel die jonge dame bijna de

eenige was, die het nooit verder zou verteld hebben, kon Milady dat

niet gelooven;—want, daar zij nu de arme Sophia met de meeste

verbittering haatte, verbeeldde zij zich dat die haat wederkeerig moest

zijn in het hart onzer heldin,—waarin echter tot dusver een dergelijke

hartstogt nooit had kunnen doordringen.

Terwijl Jones zich dus aftobde met den angst voor duizenderlei

vreesselijke listen en diepzinnige kuiperijen, welke hij zich

verbeeldde dat achter deze bevordering van Honour verborgen lagen,

beproefde vrouw Fortuna, die altijd zulk eene bittere vijandin scheen

te zijn geweest van zijn huwelijk met Sophia, een nieuw middel om het

onmogelijk te maken, door Jones aan eene verleiding bloot te stellen,

waaraan het onmogelijk scheen dat hij weerstand kon bieden in zijn

thans zoo noodlottigen toestand.

Tom Jones · 第 271 / 340 题