BESTAANDE GEDEELTELIJK UIT FEITEN EN GEDEELTELIJK UIT OPMERKINGEN
DAAROVER.
De brief van welken wij aan het einde van het vorige hoofdstuk
gesproken hebben, was van den heer Allworthy, en meldde zijn voornemen
om zeer spoedig naar Londen te komen met zijn neef Blifil en zijn
wensch om zijn gewoon kwartier te betrekken, namelijk de eerste
verdieping van jufvrouw Miller’s huis voor zich en de tweede voor zijn
neef.
De opgeruimdheid, welke tot dus ver op het gelaat der arme vrouw
geblonken had, verminderde nu eenigzins. Deze tijding bragt haar
inderdaad in groote verlegenheid. Het scheen haar van den éénen kant
toe zeer onbillijk jegens haar schoonzoon om zijn belangeloos huwelijk
met hare dochter te vergelden, door hem dadelijk de deur uit te jagen;
terwijl zij, van den anderen kant, er niet best toe komen kon om zich
tegenover den heer Allworthy te verontschuldigen, na al de
verpligtingen welke zij aan hem had, en hem te berooven van de woning,
welke, stipt genomen, de zijne was;—want die heer, bij het verspreiden
zijner tallooze weldaden, handelde lijnregt in strijd met de gewoonte
der vrijgevigste menschen. Hij trachtte namelijk, bij iedere
gelegenheid, niet slechts zijne weldaad te verbergen voor het oog der
wereld, maar zelfs voor hem die ze ontving. Hij bezigde telkens de
woorden „leenen,” en „betalen” in plaats van „geven,” en verminderde op
elke wijze, die hij bedenken kon, in woorden de gunsten welke hij in
daden bewees, terwijl hij ze met beide handen uitdeelde. Toen hij dus
aanjufvrouw Miller eene lijfrente van vijftig pond jaarlijks schonk,
zeide hij haar, dat het onder voorwaarde was, dat hij altijd, als hij
naar de stad kwam (wat slechts heel weinig het geval was), de eerste
verdieping bij haar zou kunnen betrekken; maar dat zij die overigens
altijd verhuren kon, daar hij haar steeds eene maand van te voren zou
waarschuwen. Hij was echter thans zoo gehaast met zijne reis, dat hij
geene gelegenheid had gehad om haar te waarschuwen en deze haast
belette hem om er bij te voegen,—wat hij anders zeker gedaan zou
hebben,—dat hij de kamers slechts hebben wilde als ze open stonden;
want hij zou zeker daarvan afgezien hebben om eene veel minder geldige
reden dan die welke jufvrouw Miller thans aanvoeren kon.
Maar er zijn zekere menschen, die zoo als de dichter Prior zeer juist
opmerkt, hun gedrag regelen naar iets
„Dat boven vastgestelde wet verheven is,
Van deugd en ondeugd, naar het schoolsch begrip.”
Voor dergelijke menschen is het lang niet genoeg om vrijgesproken te
worden voor eene regtbank;—zij zijn zelfs niet voldaan, als het
geweten, de strengste van alle regters hen vrijspreekt. Niets dat
eenigzins te kort doet aan hetgeen billijk en eervol is zal hen voldoen
in hunne kieschheid, en als eenige hunner daden hieraan niet
beantwoorden, zuchten en treuren zij, worden zij ongedurig en rusteloos
als een moordenaar, die voor een spook of den beul bevreesd is.
Jufvrouw Miller was een van deze menschen, Zij kon hare onrust na
ontvangst van den brief niet verbergen, en zoodra zij het gezelschap
met den inhoud er van bekend had gemaakt, kwam haar beschermengel Jones
haar te hulp en redde haar dadelijk uit den nood.
„Wat mij betreft, jufvrouw,” zeide hij, „mijne kamer is tot uwe
beschikking, ook zonder opzeggen, zoodra gij ze noodig hebt, en ik ben
overtuigd dat mijnheer Nightingale, daar hij vooralsnog geen huis in
orde kan brengen om zijne echtgenoote te ontvangen, er niets tegen zal
hebben zijne nieuwe kamers te betrekken, waarheen mevrouw Nightingale
hem zeker vergezellen zal.”
Man en vrouw keurden dit voorstel dadelijk goed.
De lezer zal gaarne gelooven dat de wangen van jufvrouw Miller op nieuw
begonnen te tintelen van dankbaarheid jegens Jones; maar het zal
welligt moeijelijker vallen hem te overtuigen, dat het der liefderijke
moeder nog meer genoegen had gedaan den heer Jones hare dochter
„mevrouw Nightingale” te hooren noemen, welk zoet geluid nu voor het
eerst hare ooren streelde en haar hart meer trof dan het wegnemen van
hare ongerustheid.
De volgende dag werd dan vastgesteld voor het vertrek der jonggehuwden
en van den heer Jones, die ook hetzelfde huis als zijn vriend betrekken
zou. En thans was de rust weder bij het gezelschap hersteld, en zij
sleten den dag verder zeer opgeruimd,—behalve Jones, die, hoewel hij
uiterlijk het geluk der overigen deelde, inwendig gekweld werd door den
angst voor zijne Sophia, welke in geene geringe mate vermeerderd werd
door de tijding van Blifils komst naar Londen,—van welke reis hij
duidelijk het doel begreep,—en wat zijn verdriet verhoogde, was dat
jufvrouw Honour, die beloofd had berigten omtrent Sophia in te winnen,
en hem des morgens vroeg tijding te brengen, tot dus ver niet
verschenen was.
In den toestand waarin hij en zijne beminde zich thans bevonden bleef
hem naauwelijks, nog eenige hoop over, en toch was hij even ongeduldig
om mejufvrouw Honour te zien, als of hij verwachten kon dat zij hem een
brief zou brengen met eene uitnoodiging om Sophia te ontmoeten,—en hij
gevoelde de teleurstelling even sterk als of dit werkelijk het geval
ware geweest.
Wij zullen niet beslissen of dit ongeduld ontsproot uit de natuurlijke
zwakheid van den menschelijken geest, die ons begeerig doet zijn om het
allerergste te weten, en de onzekerheid tot de meest ondragelijke van
alle kwellingenmaakt, of dat hij zich nog met eenige geheime hoop
koesterde. Maar iedereen die bemind heeft, zal wel begrijpen dat het
dit laatste wel kon zijn. Want een der meest verbazende krachten van
dezen hartstogt op onzen geest, is dat hij de hoop, te midden der
wanhoop voedt. Bezwaren, onwaarschijnlijkheden,—ja zelfs
onmogelijkheden, worden vergeten, zoodat op iederen zeer verliefden
mensch mag toegepast worden wat Addison van Cezar gezegd heeft:
„Alpen en Pyreneën vergaan voor hem.”
Maar het is ook even waar, dat dezelfde hartstogt soms bergen in
molshoopen ziet, en wanhoop te midden der hoop doet ontstaan; maar, bij
gezonde gestellen, duren deze koortsige vlagen nooit heel lang. Wij
laten het thans aan den lezer zelven over om te beslissen in welke
dezer buijen Jones zich nu bevond, daar wij geene geloofwaardige
berigten daaromtrent geven kunnen;—maar, zooveel is zeker, dat hij
reeds een paar uren in pijnlijke verwachting doorgebragt had, toen hij,
zich buiten staat gevoelende om zijne onrust te verbergen, de vlugt nam
naar zijne kamer, waar zijne onrust hem bijna tot krankzinnigheid
gebragt had, eer hem de volgende brief van mejufvrouw Honour
overhandigd werd, welk schrijven wij woordelijk en letterlijk weer
geven:
„Mijnheer,
Ik zou wel wis en zeker, volgens afspraak, bij mijnheer al zijn
geweest, als Milady mij dat niet belet had;—want gij weet ook best,
mijnheer, dat iedereen eerst verpligt is voor nommer Één te
zorgen,—en zeker is het niet alle daag dat ’n mensch zoo iets
aangeboden wordt,—reden waarom het zeer verkeerd van mij geweest
zou zijn, als ik het niet aangenomen had, toen Milady de
beleefdheid had mij aan te bieden kamenier bij haar te worden,
zonder dat ik er aan gedacht had zoo iets te vragen.
„Wis en zeker is zij eene der beste dames ter wereld, en menschen,
die het tegendeel willen volhouden, moeten in hun hart al zeer
slecht zijn. En ’t is waar, dat als ik zelve ooit iets van dien
aard gezegd heb, dat het uit onwetendheid geweest is, en daar ben
ik hartelijk bedroefd om. Ik weet ook dat mijnheer een mijnheer van
eer en fatsoen is, en dat als ik ooit iets van dien aard gezegd
heb, hij het niet oververtellen zal om eene arme dienstmeid te
benadeelen, die altijd den meesten eerbied voor mijnheer gekoesterd
heeft. ’t Is echter waar dat men steeds een slot op den mond moest
dragen; want geen mensch weet wat er eens gebeuren kan;—en wis en
zeker als iemand me gisteren verteld had dat ik heden zulk eene
goede dienst gevonden zou hebben, zou ik hem niet geloofd
hebben;—want, ’t is waar, zoo iets had ik niet gedroomd, en ik had
ook geen mensch willen onderkruipen; maar toen Milady zoo
vriendelijk was, uit haar eigen, om mij die plaats aan te bieden,
ongevraagd, zou geen mensch, dan jufvrouw Etoff zelve het me kunnen
kwalijk nemen, dat ik ja zeide.
„Ik verzoek mijnheer niets te zeggen van hetgeen ik verteld heb;
want ik wensch mijnheer den meesten voorspoed toe, en ik twijfel
ook niet dat gij eindelijk jufvrouw Sophia krijgen zult; maar, voor
mijn part, zooals mijnheer weet, kan ik u in deze zaak verder van
geene dienst wezen, daar ik nu onder de orders van iemand anders
sta, en niet van mij zelf afhang. Ik verzoek u, mijnheer, niets
over te vertellen van hetgeen nu voorbij is, en mij te gelooven,
mijnheer,
Uwe onderdanige en
tot in den dood
dienstwillige dienaresse,
Honour Blackmore.”
Jones maakte vele gissingen omtrent dezen stap van Lady Bellaston, die
werkelijk echter niets anders bedoelde dan in haar eigen huis de
persoon te hebben die een geheim kende, dat zij niet verder wilde
verspreid hebben dan nu reeds het geval was, en dat zij vooral voor
Sophia verlangde te verbergen; want hoewel die jonge dame bijna de
eenige was, die het nooit verder zou verteld hebben, kon Milady dat
niet gelooven;—want, daar zij nu de arme Sophia met de meeste
verbittering haatte, verbeeldde zij zich dat die haat wederkeerig moest
zijn in het hart onzer heldin,—waarin echter tot dusver een dergelijke
hartstogt nooit had kunnen doordringen.
Terwijl Jones zich dus aftobde met den angst voor duizenderlei
vreesselijke listen en diepzinnige kuiperijen, welke hij zich
verbeeldde dat achter deze bevordering van Honour verborgen lagen,
beproefde vrouw Fortuna, die altijd zulk eene bittere vijandin scheen
te zijn geweest van zijn huwelijk met Sophia, een nieuw middel om het
onmogelijk te maken, door Jones aan eene verleiding bloot te stellen,
waaraan het onmogelijk scheen dat hij weerstand kon bieden in zijn
thans zoo noodlottigen toestand.