BEVATTENDE MINNEBRIEVEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne

tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:

1ste BRIEF.

„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne

besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook

zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit

weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar

is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch

weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles

gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt

gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me

oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene

verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te

nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk

bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten

zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te

werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot

mij!”

2de BRIEF.

„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in

huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”

3de BRIEF.

„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven

bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze

regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen

dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”

Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in

de kamer trad.

„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets

van Lady Bellaston vernomen?”

Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame

was.

„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.

„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den

geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar

gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge

werkelijk dat ik niet weet wie de Feeënkoningin was?”

„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.

„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert

dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd

zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken.

Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge

minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u

niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij

verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op

rekenen!”

Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene

Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij

echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het

karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man,

die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart,

en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien,

„bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele stad,—terwijl

inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen

wil.

Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was,

en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was

geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en

verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of

gehoord had.

Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard

had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid

van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij,

daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande

strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet

herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke

gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding

te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen

onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons

opgekomen is.

Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale

vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt

werd, die riep:

„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen

verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan

verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”

„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken

van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal!

Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote

verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles

uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit

oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om

zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig

maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig

meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik

eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half

gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”

„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.

„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in

twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende

beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle

opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is

zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er

geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare

schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”

„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op

u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”

„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de

ondankbaarheid!”

„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke

verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met

iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo

voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan

de dankbaarheid opwekken moesten.”

Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde

zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze

de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar

uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar

verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke

hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat

niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene

meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In

deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar

op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem,

haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang

met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De

slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen

uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking

tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij toch besloot om

haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe

kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale

mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:

„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar

voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”

„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.

„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij

zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger

onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij

dadelijk, om die reden, wegjoeg.”

Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.

„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder

verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij

mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil

gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig

zijn.”

„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef,

waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”

„En wat is dat middel?” vroeg Jones.

„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u

sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar,

wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat

ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare

brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en

u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij

in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen

zou.”

Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen;

maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een

dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die

hem door Nightingale gedicteerd werd.

„Mevrouw,

Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van huis hield,

oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk

ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te

regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel

heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou

worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één

middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is!

Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even

dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne

vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker

dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het

regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.

„Ik verblijf,

Milady,

met den meesten eerbied,

uw zeer dankbare,

en onderdanige dienaar,

Thomas Jones.”

Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:

„Mijnheer,

Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en

stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit

waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat

wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en

vrouw genoemd, uitmaakten.

„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat

gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn

geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid

te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de

bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de

vergelding voor ——; maar ik acht het beneden mij om u iets te

verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied,

enz.”

„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb

ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij

mij.”

Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:

„Mevrouw,

Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel

door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady

Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij

schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij

minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij

u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt

voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer

koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te

zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou

kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor

uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan

moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke

verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe

handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren

aard, steeds blijven zal, enz.”

Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten

brief.

De dame antwoordde hierop als volgt:

„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher

harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”

Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van

eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft,

bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich

toch niet geheel gerust gesteld in zijn hart. Er was te veel valschheid

in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar

onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou

zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een

pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich

oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer

zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de

liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.

Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne

list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei

dan ook:

„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen

verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het

verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig

gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee

gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”

De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw

Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het

huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij

voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en

daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden

en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel

veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.

Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving;

daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen

wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.

Tom Jones · 第 270 / 340 题