HETGEEN ER VOORVIEL TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE,—EN DE
AANKOMST VAN IEMAND, DIE TOT DUSVER NIET IN DEZE GESCHIEDENIS
OPGETREDEN IS.
Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de
goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is
Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd,
bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er
sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en
onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt
schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.
Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer
Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat
vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke
men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen
bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij
voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar
geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten
verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den
langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en
bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te
foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin
beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.
Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men noemt, „een wereldsch
man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene
andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk
in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar
een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken
opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om
handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en
waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de
behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich,
inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er
bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter
wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval
geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.
Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen
ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones
aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige
vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht
hebben.
Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer,
zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast,
dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te
vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had,
vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.
Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij
den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een
wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste
gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra
hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken,
gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit
met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”
„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?”
vroeg Jones.
„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan herhaal ik, dat het
vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden
zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en
losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u,
dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat
hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit
niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik
wilde geen mensch ongelukkig maken!”
„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”
„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.
„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel
in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte
vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik
u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al
wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor
uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te
zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo
toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken
hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch
ter wereld zal maken.”
Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons
aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust
heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij
gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze
tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke
ons den eersten schrik aangejaagd heeft.
Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te
scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen
had.
„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik
herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te
ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn,
zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te
zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne
eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te
zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk,
verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”
„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo
schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft
inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op
de klavecimbel.”
„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame
nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne
gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar
vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten
aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van
zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening
gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij
geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene
vrouw niet ontsieren.”
„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate
bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij
zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw
zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus
eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt
op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene
vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar
nog veel meer bovendien.”
„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij
beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik
geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk
mede brengt.”
„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk
oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is
een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele
denkwijze!”
„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam
de vader.
„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef
me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan
razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het
geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig
fortuintje—”
„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins
vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de
persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel
taxeert gij het vermogen der dame?”
„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon
vergeleken.”
„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”
„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik
niet.”
„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg
maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”
„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd
pond.”
„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos
te worden.
„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik
geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel
is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”
„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij
vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik
mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”
„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al
had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”
„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.
„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”
„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.
„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy
Miller,—de dochter van jufvrouw Miller, bij wie hij kamers had;—eene
jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”
„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel.
Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te
zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te
maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de
goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”
Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad
iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.
Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe
betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan
elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als
handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond
sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld
een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van
een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch
rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone
goedaardigheid.
Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat
meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw
ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij
had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden
dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt,
„bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste
teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk
een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren
oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van
hare ouders te scheiden.
De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had,
woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne
nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder
nu naar de stad gekomen was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen,
maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens
zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag
niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van
haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig
huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer
mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van
humeur.
Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef
met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en
toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf
doemde, begon de oom, als volgt:
„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw
zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij
antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was
zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen
huwelijk.
„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels
voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig
om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene
algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit
ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een
huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging
die tusschen het paar bestaat.
„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders
bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen,
daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer
heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige,
maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar
is voor overtuiging.
„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet
met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te
worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om
„neen” te zeggen. Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft,
door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar,
eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit
vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit
onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming
zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is
ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan
geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in
zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door
bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor
hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als
gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor
razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.
„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar
zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe
toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten
vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn
eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in
zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in
meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem
werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij
de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij
trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken,
terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer
betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet
heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu
zoo arm mogelijk willen maken?”
Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen
Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets
verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk.
Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde
hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door
kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene
geldzucht gezegevierd heeft.
De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder
te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd
verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.
„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene
dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die,
naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld
geleerd heeft.”
De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had
langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf
verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn
eigen kind.
Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten,
bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo
driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van
jufvrouw Miller.