Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik
meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard
genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de
daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo
geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen,
zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een
hunner medemenschen berokkenen.
De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel.
Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe woning, droefgeestig bij
het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende,
waarin hij de arme Nancy verlaten had.
Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te
groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide
hij:
„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben
van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”
„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding
breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u
diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen.
Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om
over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te
spreken”
De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop
acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het
tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk
bekend is geworden.
Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij
tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan
was, zeide hij, met een diepen zucht:
„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik
kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje
mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig
gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje
later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men
dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat
is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne
vrouw en voor de wereld.”
„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen
wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde,
dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo
rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en
van hare geheele familie.”
„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar,
dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook tot vrouw krijgen moge, deze
slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”
„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt
om haar te verlaten?”
„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.
„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand
waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest
beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen,
en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als
gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt
gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van
haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze
korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme
schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit
voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen
dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt,
hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het
aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u
thans niet terug te trekken.”
„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij
veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de
belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”
„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep
Jones.
„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik
weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden
zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere
bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder
oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”
„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en
heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit
bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt
gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche
voorwendselen, een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en
haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt
gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de
listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de
eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos,
weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u
sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat
vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de
eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”
„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat
gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en
dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene
maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”
„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n
onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe
echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de
deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u
zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef
me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte
is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast
overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is,
die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs
toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart
doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van
eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk
dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak
naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme,
ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven
in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne
kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid
beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde
gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand
der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt tot het
graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het
arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets
slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de
oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze
huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun
tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke
verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed
terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de
kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk
aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine
huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide
tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij
lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd
verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling
opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der
menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking,
dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze
arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en
wetens gestort hebt.”
„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe
welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte
medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als
ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren
strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven,
welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik
niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar
morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel
willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen
zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds
eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald
verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”
„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar,
verondersteld dat hij zich liet overhalen, zoudt gij zelf gereed zijn
om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”
„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale;
„want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde
vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm
meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw
medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als
ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel
daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne
wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of
aan dat mijner Nancy!”
„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet
boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de
zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader
verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig
algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn
geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het
eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het
niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend
worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel
heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden
heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren
gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan
een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets
overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin
medegebragt heb.”
Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend
gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis,
waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik
eer hij zeide:
„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn
vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te
verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat
gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker
vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk was,—en, op
mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en
ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd
waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”
Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen.
Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones
om den ouden heer op te zoeken.