HOOFDSTUK IV.

HETWELK, NAAR WIJ HOPEN, MET DE MEESTE OPLETTENDHEID GELEZEN ZAL WORDEN

DOOR JONGE LIEDEN VAN BEIDER GESLACHT.

Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer

Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond,

bij hem kwam en na een korten groet zeide:

„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op

mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien

dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan

uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in

dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:

„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw Miller, die pas

naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt,

is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”

„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij

zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar

de maskerade ging.”

„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones;

„maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op

uitgezonden om andere kamers te zoeken.”

„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar

blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de

menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit

huis te verlaten.”

„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur

opgezegd?”

„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim

genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik

moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare

vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”

„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.

„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet

voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb

eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”

„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien,

sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen

tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk

medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt

met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd,

waarvan zij nooit genezen zal!”

„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale.

„Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”

„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten

maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan

over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”

„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.

„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd

hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik

verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur

telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt,

want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”

„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens

vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit

vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”

„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd

te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo

zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel

verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”

„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg

Nightingale.

„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht

denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een

geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te

rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt;

want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo

iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar,

inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen

dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan

niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar

werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het

ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe

strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk,

dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige

betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht

gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te

zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”

„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet

verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé worden! Dus veronderstel ik,

dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor

bedanken zoudt?”

„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.

„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.

„Toen alle menschen sliepen

En slechts de maan nog waakte.”

„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar

en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel,

dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er

ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken,

alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”

„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben

overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”

„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,”

hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”

„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar

tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen

slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u

de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van

eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim

mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met

eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om

zich door mij het hof te laten maken.”

Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:

„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als

ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er

niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”

„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want

nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt

er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te

nemen?”

„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen niet

willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd,

dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou,

om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen

woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben

ik voornemens het huis te verlaten.”

Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien,

het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar

te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop

verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis

met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de

benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf

de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.

Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen

hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en

wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook

stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen

eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid

ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te

wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen

aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim

„de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel

hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.

Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is,

overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger

oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne

schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte

op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare

harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf

altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de

schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als

onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden

met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze

vijandinnen te beschouwen, moest een man zich eerder schamen dan zich

beroemen op eene overwinning ten haren koste.

Tom Jones · 第 242 / 340 题