Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las
als volgt:
„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik
geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb
te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik
Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit
late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der
achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier
als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt
worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich
heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen
koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij
moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij
iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier
weder in huis te komen.”
Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die,
welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de
teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene
zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere
verpligtingen, welker verzuim, zoo als hij wel wist, geene
verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch
dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan.
Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd,
besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel,
dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady
Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te
willen doen.
Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord
te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop
schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze
verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:
„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om
de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste
geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar
voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen
geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een
enkel woord te schrijven.
„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen
uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”
De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene
deftige inleiding, hem aldus toesprak:
„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te
moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen
het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat
mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet
onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene
dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee
geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”
„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier
bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke
dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”
„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik
ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste
bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een
jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven.
Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij
eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden
praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn
van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij
mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet
herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting
voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens
u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas
onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest
zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke
uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht
volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een
straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij
hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me
vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve
niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting
behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van
den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten
dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en
als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken
naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat
dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner
meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden
naam om haar door de wereld te helpen.”
Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van
Allworthy.
„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem
dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak
brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op
mijne kamer te ontvangen, en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik,
zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”
„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij;
„maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over
den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een
kwaden reuk stond.”
„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.
„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij;
„want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer
Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen
nacht gekost.—”
„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei
Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te
zenden.”
Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.
Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en
hevigheid aan.
„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder
door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door
uw gewawel te gronde te rigten?”
„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.
„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te
vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin
betrokken was?”
„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.
„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep
Jones.
„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge,
„weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen
woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene
vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten
te zwijgen.”
„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde
Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven
heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”
Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.
„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in
eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde
zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”
„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het
woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij
beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn!
Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij
mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer
Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en
zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer.
„Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van
wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit
Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets
van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van
wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn
woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,”
hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef,
is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem
beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij
voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen,
mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig
is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te
vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik
haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed
is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest
hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou
maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn
woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer
mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere
mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei
ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te
zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en
ik zet het, wien ook in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd
heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat
oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen
zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan
de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire
ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk
waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar
een aalmoes te geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld
zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel
kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen
aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes
renovare dolorem!””
De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en
bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in
plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had,
zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten
en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.