DE VERGISSING VAN DEN WAARD BRENGT SOPHIA IN VERSCHRIKKELIJKE
VERLEGENHEID.
Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord
werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van
Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo
zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het
vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.
De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel
eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met
een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.
De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan
hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks
één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op
hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze
teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te
troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of
ik ons voorstellen!”
De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid
gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten
voorbijgaan.
„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij
moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over
iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter
afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt
heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen
niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald
worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er
vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”
Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat
zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus
dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en
vervolgd werd. Zij geraakte daarom in den grootsten angst en kon eenige
minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver
vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer
te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:
„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik
ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet
verraden zult.”
„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele
reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken
hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot
nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen
met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld
zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo
spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen.
Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij
hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van
het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in
uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan,
daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen
zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene
belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het
hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om
u te verraden!”
„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in
staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”
„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat
ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat
gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat
niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke
belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd
zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik
had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen
teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet om alles
ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen
verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”
„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.
„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best
wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de
drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen
verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde
hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door
hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.
Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos
de kamer binnenstoof en uitriep:
„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen!
Zij zijn gekomen!”
Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw;
Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”
„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd
duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”
Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter
waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van
brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn
eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk
zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en
zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat
ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar
lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den
angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en
slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is,
tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de
plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene
welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp
diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia,
die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te
gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van door haar
vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood
eenigen indruk op haar maakte.
Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken
deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te
vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen
was.”
„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt!
Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen
hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die
Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de
dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg
om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de
dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de
hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt
zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen
geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”
Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon,
die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar
kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij
hare ontevredenheid niet toonen.
De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij
zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem
denken zoude.
Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar
hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron
bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te
polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en
omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden;
zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed
zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te
vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven,
verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.