HOOFDSTUK VI.

DE VERGISSING VAN DEN WAARD BRENGT SOPHIA IN VERSCHRIKKELIJKE

VERLEGENHEID.

Mevrouw Fitzpatrick wilde met haar verhaal voortgaan toen zij gestoord

werd door het binnenbrengen van het middagmaal, tot groot verdriet van

Sophia; want de rampen harer vriendin hadden hare belangstelling zoo

zeer opgewekt dat zij geen ander verlangen meer had, dan naar het

vervolg van de geschiedenis van mevrouw Fitzpatrick te luisteren.

De waard verscheen nu met een bord onder den arm en met even veel

eerbied in zijne houding en op zijne gelaatstrekken alsof de dames met

een rijtuig door zes paarden getrokken, gekomen waren.

De getrouwde dame scheen minder door hare rampen aangedaan te zijn dan

hare nicht; want zij at zeer smakelijk, terwijl de laatste naauwelijks

één mondvol gebruiken kon. Sophia toonde ook meer leed en verdriet op

hare gelaatstrekken, dan bij de andere dame zigtbaar waren, die deze

teekens bij hare vriendin opgemerkt hebbende, haar smeekte om zich te

troosten, met de woorden: „Alles zal welligt beter afloopen dan gij of

ik ons voorstellen!”

De waard, zich nu verbeeldende, dat hij eene geschikte gelegenheid

gevonden had om meê te praten, besloot die niet ongebruikt te laten

voorbijgaan.

„Het spijt me, dame,” zeide hij, „dat het eten u niet smaakt; want gij

moet zeker honger hebben na zoolang vasten. Ik hoop niet dat gij u over

iets ongerust maakt; want zoo als mevrouw zeide: alles kan wel beter

afloopen dan men verwacht. Een mijnheer, die pas hier is geweest, bragt

heerlijke tijdingen, en misschien zullen zekere menschen, die anderen

niet wenschen aan te treffen, Londen bereiken eer zij ingehaald

worden;—en als zij dat eenmaal doen, dan twijfel ik niet dat zij er

vrienden genoeg vinden om hen dáár te ontvangen.”

Alle menschen, die eenig gevaar te vreezen hebben, herscheppen al wat

zij zien of hooren in angstwekkende voorwerpen. Sophia maakte dus

dadelijk op, uit deze woorden, dat zij door haar vader ontdekt en

vervolgd werd. Zij geraakte daarom in den grootsten angst en kon eenige

minuten lang geen woord uit brengen;—tot zij zich eindelijk in zoo ver

vermeesterde, dat zij den waard verzocht zijne dienstboden uit de kamer

te verwijderen en hem daarop, als volgt, aansprak:

„Naar ik zie, mijnheer, weet gij wie wij zijn,—en ik smeek u,—neen, ik

ben overtuigd, dat als gij niet geheel slecht zijt, gij ons ook niet

verraden zult.”

„Ik u verraden!” riep de waard. „Neen! (en hij voegde eene geheele

reeks vloeken er bij,) „eerder liet ik me in tien duizend stukken

hakken! Ik haat alles wat op verraad gelijkt! Ik u verraden? Ik heb tot

nu toe van mijn leven niemand verraden en ik zal zeker nu niet beginnen

met zulk eene schoone dame als gij zijt, te verraden! De geheele wereld

zou het me ook zeer zeker kwalijk nemen als ik dat deed, daar het zoo

spoedig in uwe magt zal wezen mij voor mijne getrouwheid te beloonen.

Ik kan mijne vrouw tot getuige roepen, dat ik u herkende zoodra gij

hier voet in huis hadt gezet;—ik zeide dat gij het waart, eer ik u van

het paard hielp en ik zal de kneuzingen, die ik bij die gelegenheid in

uwe dienst kreeg, mede in ’t graf nemen;—maar, wat komt dat er op aan,

daar ik het geluk had u te redden? ’t Is waar, dat er zekere menschen

zijn, die heden morgen er op bedacht zouden geweest zijn, om zich eene

belooning te verzekeren;—maar zulk eene gedachte is mij nooit door het

hoofd gegaan. Ik zou liever van honger sterven dan wat ook aannemen, om

u te verraden!”

„Ik beloof u, mijnheer,” zeide Sophia, „dat als ik me ooit tot iets in

staat zie, gij niets zult verliezen door uwe edelmoedigheid!”

„Ach, dame!” antwoordde de waard; „als gij u ooit tot iets in staat

ziet? De hemel geve maar dat gij dan den wil hebt! Ik ben maar bang dat

gij zoo’n gering mensch als een herbergier zult vergeten;—maar als dat

niet het geval is, hoop ik dat gij ook niet vergeten zult, welke

belooning ik weigerde,—weigerde?—dat is, welke belooning ik geweigerd

zou hebben,—en dat is zeker zoo goed alsof ik ze geweigerd had;—want ik

had ze zeker kunnen krijgen,—en gij hadt in zekere herbergen kunnen

teregt komen, waar——maar, wat mij aangaat, ik wilde toch niet om alles

ter wereld, dat de dames denken zouden dat ik haar ooit had willen

verraden, zelfs eer ik de goede tijding vernam.”

„Welke tijding?” vroeg Sophia, met eenige drift.

„Weten het de dames dan nog niet?” riep de waard. „Nu, dat kan best

wezen; want ik vernam ze zelf slechts eenige minuten geleden, en de

drommel hale mij op dit oogenblik, als ik u ooit heb willen

verraden;—neen, als ik dat ooit heb willen doen, moge ik—” Hier voegde

hij vele verschrikkelijke vloeken bij, die Sophia eindelijk afbrak door

hem te smeeken haar te zeggen van welk nieuws hij sprak.

Hij wilde haar antwoord geven, toen jufvrouw Honour, bleek en ademloos

de kamer binnenstoof en uitriep:

„Wij zijn alle verloren! Wij zijn te gronde gerigt! Zij zijn gekomen!

Zij zijn gekomen!”

Deze woorden deden het bloed in Sophia’s aderen stollen maar mevrouw;

Fitzpatrick vroeg, „wie toch gekomen waren?”

„Wie!” riep Honour uit; „Wel de Franschen! Ik weet niet hoeveel honderd

duizenden, en wij zullen allen vermoord en verkracht worden!”

Even als een vrek, die in eenige schoone stad een hutje bezit, ter

waarde van eenige guldens, als hij, op een afstand door het gerucht van

brand verschrikt wordt, verbleekt en beeft hij de gedachte aan zijn

eigen verlies; maar dadelijk herstelt en glimlacht over zijn geluk

zoodra hij verneemt dat slechts prachtige paleizen vernield zijn en

zijn hutje verschoond is gebleven;—of (want er is iets in dit beeld dat

ons mishaagt),—even als de teedere moeder in de vrees dat haar

lievelingszoontje verdronken is, verstomt en bijna verstijft van den

angst,—maar, zoodra zij verneemt dat de jonge heer veilig is, en

slechts een groot oorlogschip met twaalf honderd dapperen gezonken is,

tot het leven en het verstand terugkeert, en de moederliefde de

plotselinge verligting van haren angst geniet, terwijl de algemeene

welwillendheid, welke op een ander oogenblik de verschrikkelijke ramp

diep gevoeld zou hebben, in haar hart sluimert:—zoo ook vond nu Sophia,

die meer dan iemand in staat was de rampen van haar vaderland te

gevoelen,—zulke oogenblikkelijke verligting van de vrees van door haar

vader ingehaald te zijn, dat de aankomst der Franschen ter naauwernood

eenigen indruk op haar maakte.

Zij berispte dus vriendelijk hare kamenier wegens den angst, welken

deze haar aangejaagd had, en zeide, „dat zij blijde was niets ergers te

vernemen;—want dat zij bang was geweest dat iemand anders aangekomen

was.”

„Ja, ja,” zei de waard, met een glimlach; „de dame is beter onderrigt!

Zij weet dat de Franschen onze beste vrienden zijn, en dat zij alleen

hier overgekomen zijn om ons te helpen. Dat zijn de menschen die

Oud-Engeland er weer boven op zullen brengen! Ik begrijp best dat de

dame zich verbeeldde dat de hertog gekomen was, en dat was wel genoeg

om haar een angst op het lijf te jagen! Ik was juist op het punt om de

dame het groote nieuws te vertellen:—Zijne Majesteit de Pretendent,—de

hemel zegene hem!—heeft den hertog gefopt en is hem voorbij en trekt

zoo snel hij maar kan op Londen, en er zijn tien duizend Franschen

geland, die zich onderweg bij hem voegen zullen.”

Sophia was niet zeer ingenomen met deze tijding, noch met de persoon,

die ze haar gaf; maar daar zij zich steeds nog verbeeldde dat hij haar

kende,—en onmogelijk de ware toedragt der zaak gissen kon,—durfde zij

hare ontevredenheid niet toonen.

De waard ruimde nu de tafel op en verliet de kamer, terwijl hij bij

zijn vertrek zijne hoop herhaaldelijk uitte, dat zij later aan hem

denken zoude.

Sophia was volstrekt niet op haar gemak bij de gedachte dat men haar

hier in huis kende; want zij paste al wat de waard voor Jenny Cameron

bedoeld had, op zich zelve toe; zij beval dus hare kamenier om hem te

polsen omtrent de middelen waardoor hij haar had leeren kennen, en

omtrent den persoon, die hem had willen omkoopen om haar te verraden;

zij gelastte tevens dat de paarden des morgens om vier uren gereed

zouden staan, op welken tijd mevrouw Fitzpatrick beloofde haar te

vergezellen, en daarop, haar best doende om bedaard te blijven,

verzocht zij die dame haar verhaal voort te zetten.

Tom Jones · 第 188 / 340 题