VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN MEVROUW FITZPATRICK.

„Wij bleven slechts veertien dagen na ons huwelijk te Bath, want wij

waren niet met tante verzoend,—en daarop konden wij geene hoop

koesteren;—terwijl ik aan geen duit van mijn vermogen kon komen vóór

mijne meerderjarigheid,—die nog meer dan twee jaren verwijderd was.

Mijn man besloot dus naar Ierland te trekken, waartegen ik me zeer

ernstig verzette, en mij op eene belofte beriep, mij vóór ons huwelijk

gedaan, dat hij me nooit tot die reis, zonder mijne toestemming,

dwingen zoude, en inderdaad ik wilde daar nooit in toestemmen en

niemand, die zijn gezond verstand heeft, zal me denkelijk dat ten kwade

duiden;—dit echter zeide ik nooit tegen mijn echtgenoot, en smeekte hem

slechts ééne maand geduld te hebben; maar hij had zelf den reisdag

bepaald en bleef er stijfhoofdig bij.

„Den avond vóór ons vertrek, terwijl wij beide zeer hevig dit punt

betwistten, sprong hij plotseling van zijn stoel op en verliet me op

eens, zeggende dat hij naar de Gezelschapszalen ging. Hij was

naauwelijks de deur uit, toen ik een papier op den grond zag liggen,

dat hij waarschijnlijk bij ongeluk, tegelijk met zijn zakdoek, voor den

dag gebragt had. Ik nam het op en daar ik zag dat het een brief was,

schroomde ik niet het te openen en te lezen, en inderdaad ik herlas het

zoo dikwerf, dat ik het u bijna woordelijk herhalen kan. Het luidde

aldus:

„„Den heere Brian Fitzpatrick.

„Mijnheer,

„Uw schrijven is me geworden en ik ben zeer verwonderd zulk eene

behandeling van u te ondervinden, daar ik nooit een duit van uw

geld gezien heb, tenzij voor één lakenschen jas en uwe rekening nu

over de honderd vijftig pond beloopt.

„Bedenk eens, mijnheer, hoe dikwerf gij mij gefopt hebt met uw

aanstaand huwelijk met deze of gene dame; maar ik kan noch van hoop

noch van beloften leven, en er bestaat geen lakenkooper ter wereld,

die zoo iets in betaling zou willen aannemen. Gij zegt me dat ge

zeker zijt van de tante of de nicht, en dat gij reeds lang de tante

hadt kunnen trouwen, die volgens u eene groote weduwengift

heeft,—als gij niet aan de nicht,—wegens haar baar geld—de voorkeur

hadt gegeven.

„Ik bid u, mijnheer, laat u ditmaal door een onnoozel mensch raden

en neem de eerste die gij krijgen kunt. Houd het me te goed dat ik

u dezen raad opdring; want gij weet dat ik u opregt het beste

toewensch.

„Met de volgende post zal ik op u trekken aan de order der heeren

Jan Drugget en Cie.—veertien dagen zigt,—en niet twijfelende dat

gij mijne traite zult honoreren, blijf ik

„Mijnheer,

„Uw dienstwillige dienaar,

Sam. Cosgrave.”

„Zoo luidde woordelijk de brief. Ge kunt begrijpen, liefste, hoe dit

schrijven mij aandeed. „Gij verkiest de nicht om reden van haar baar

geld!” Als elk dezer woorden een dolk ware geweest, zou ik ze hem met

genoegen in het hart gestooten hebben; maar ik zal u mijn dolzinnig

gedrag bij deze gelegenheid niet beschrijven. Mijne tranen waren bijna

uitgeput bij zijne terugkeer; maar mijne roodgeweende oogen getuigden

er genoeg van. Hij wierp zich knorrig op zijn stoel, en een tijdlang

zwegen wij beiden. Eindelijk zeide hij op hoogmoedigen toon:

„„Ik hoop, mevrouw, dat uwe dienstboden al uwe zaken ingepakt hebben

want; het rijtuig zal morgen vroeg om zes uur voor de deur zijn.”

„Mijn geduld was geheel uitgeput door deze terging en ik gaf hem tot

antwoord:

„„Neen, mijnheer; er is nog één brief, die nog niet ingepakt is,” en

het schrijven op de tafel werpende, begon ik hem in de meest bittere

bewoordingen die ik vinden kon, zijn gedrag te verwijten.

„Hetzij schuldbesef, schaamte of voorzigtigheid hem in toom hield,—dat

kan ik niet beslissen; maar hoewel hij de driftigste der menschen is,

toonde hij bij deze gelegenheid zijne woede niet. Hij trachtte

integendeel, met de meeste zachtheid, mij te verzoenen. Hij zwoer dat

de volzin in den brief, die mij zoo zeer trof, niet van hem was, en dat

hij nooit zoo iets geschreven had. Hij bekende inderdaad dat hij van

zijn huwelijk gesproken had, en van de voorkeur welke hij mij schonk,

maar loochende, met vele eeden dat hij ooit eene dergelijke reden voor

zijne liefde gegeven had. En hij verontschuldigde zich dat hij zelfs

van zoo iets melding had gemaakt, door den nood aan te voeren waarin

hij zich bevond omtrent geldzaken, wat daaraan toe te schrijven was,

zoo als hij zeide, dat hij reeds al te lang zijne goederen in Ierland

verwaarloosd had. En dit, voegde hij er bij, wat hij voor mij had

willen verbergen, was de eenige reden waarom hij zoo ernstig op ons

vertrek derwaarts gestaan had. Hij bezigde verder vele liefkozingen en

eindigde met eene teedere omhelzing en vele hartstogtelijke betuigingen

zijner liefde.

„Er was ééne omstandigheid, welke, ofschoon hij er zich niet op beriep,

sterk pleitte ten zijnen gunste, en dat was het woord „weduwengift” in

den brief van den lakenkooper; want mijne tante was nooit gehuwd

geweest, en den heer Fitzpatrick was dit zeer goed bekend. Daar ik me

dus voorstelde, dat de kleermaker dit zelf bedacht, of ter loops

gehoord had, overtuigde ik me dat hij op geen beter gezag de hatelijke

uitdrukking omtrent mij gebezigd had. Welk soort van redeneren was dit,

liefste? Speelde ik niet eerder den advokaat dan den regter?—Maar

waarom zou ik u zoo iets vertellen, of mij daarop beroemen om de

vergiffenis, die ik hem schonk, te regtvaardigen?—Met één woord, als

hij zich aan twintig maal meer schuldig had gemaakt, zou de helft der

teederheid en liefheid, welke hij nu aanwendde, voldoende zijn geweest

om mijne vergiffenis te verwerven. Ik maakte nu geene verdere bezwaren

tegen onze reis en wij vertrokken den volgenden morgen en bereikten in

iets meer dan eene week de woonplaats van den heer Fitzpatrick.

„Ge zult niet nieuwsgierig zijn omtrent de bijzonderheden onzer

reis,—en het zou wezenlijk even onaangenaam voor mij zijn om ze te

moeten herroepen als voor u om ze aan te hooren.

„Die woonplaats dan is een oud heerenhuis. Als ik in een van die

vrolijke buijen was, waarin ge me zoo dikwerf gezien hebt, zou ik u

door de beschrijving daarvan wel tot lagchen bewegen. Het zag er uit

alsof het vroeger door een fatsoenlijk man ware bewoond geweest. Ruimte

was er genoeg en ten overvloede—wegens het gebrek aan huisraad, waarvan

er zeer weinig voorhanden was. Eene oude vrouw, die even oud scheen als

het gebouw, en die zeer op die gelijkt, welke Chamont in zijne „Wees”

beschrijft, ontving ons aan de poort, en met een naauwelijks

menschelijk gehuil, dat voor mij onverstaanbaar was, heette zij haren

heer en meester welkom. Om kort te gaan, het geheele tooneel was zoo

droevig en somber, dat het mij geheel ter neder sloeg, wat mijn man

naauwelijks opmerkte of hij vermeerderde mijne droefgeestigheid door

eenige kwaadaardige opmerkingen.

„„Er bestaan ook goede huizen elders dan in Engeland, mevrouw, zoo als

ge ziet,” zeide hij; „maar misschien geeft gij de voorkeur aan een paar

vuile kamers te Bath?”

„Gelukkig, mijne lieve, de vrouw, die in welken stand ook, een

opgeruimden, goedaardigen levensgezel heeft om haar te steunen en te

troosten! Maar waarom zou ik aan zulke gelukkigen denken,—waardoor mijn

ellende slechts verzwaard wordt! Met één woord, mijn man was een

knorrig wezen, een karakter welligt dat gij nooit ontmoet hebt; want

inderdaad, geene vrouw ziet er ooit een voorbeeld van tenzij in een

vader, een broeder of een echtgenoot, en hoewel gij een vader hebt, is

dat zijn gebrek niet. Deze knorrige man was mij vroeger juist het

tegenovergestelde geschenen,—en dat was nog het geval bij anderen.

Goede hemel! Hoe is het mogelijk voor iemand om steeds met een leugen

op zijn gezigt buitenshuis en in gezelschap te verschijnen en de

onaangename waarheid alleen te huis te laten zien? Dáár, lieve, doen

zij zich te goed voor den hinderlijken dwang, welke zij zich in de

wereld moeten opleggen; want ik heb opgemerkt, dat hoe aardiger en

vrolijker en opgeruimder mijn man in gezelschap was geweest, hij des te

knorriger en gemelijker was zoodra wij ons weder alleen bevonden. Hoe

zal ik zijne barbaarschheid beschrijven? Voor mijne liefderijkheid

bleef hij koud en ongevoelig. Mijne kleine, speelsche gewoonten, welke

gij, mijne Sophia, en anderen zoo innemend hebt gevonden, beschouwde

hij met minachting. Als ik in de meest ernstige stemming was, zong en

floot hij; en als ik me geheel ter neder geslagen en ellendig gevoelde,

werd hij boos en schold mij uit; want ofschoon hij nooit tevreden was

met mijn goeden luim, en dien niet toeschrijven wilde aan eenige liefde

tot hem, beleedigde het hem altijd als ik droefgeestig was en hij

schreef dit toe, zoo als hij zeide, aan het berouw dat ik koesterde van

een Ier getrouwd te hebben.

„Ge kunt u gemakkelijk voorstellen, jufvrouw Deftig (ik vraag

verschooning;—ik versprak me!) dat als eene vrouw, naar de meening der

wereld, een dwaas huwelijk aangaat, (dat is als zij zich niet

schaamteloos verkoopt om den wille van wat geld), zij noodzakelijk

eenige liefde en achting voor haar man gevoelt. Gij zult ook even

gemakkelijk begrijpen, dat hare liefde verminderen kan,—en dat die door

verachting, zoo als ik u verzekeren kan, geheel uitgeroeid wordt. Ik

begon nu deze soort van verachting ten opzigte van mijn echtgenoot te

koesteren, die, zoo als ik thans ontdekte,—ik moet het woord

gebruiken,—een aartsdomkop was! Het zal u welligt verwonderen dat ik

niet veel vroeger tot deze ontdekking kwam; maar de vrouwen zullen

duizenderlei verontschuldigingen bedenken voor de dwaasheden van

diegenen die zij beminnen; en vergun me u bovendien te zeggen, dat het

een zeer scherpziend oog eischt om een dwaas te ontdekken onder de

vermomming van opgeruimdheid en fatsoenlijkheid.

„Ge zult u ook best verbeelden, dat zoodra ik eens begon mijn man te

verachten, wat ik beken dat spoedig het geval was, ik ook weldra een

afkeer kreeg van zijn gezelschap, en inderdaad, ik had het geluk dat

hij mij zeer weinig daarmede lastig viel; want ons huis werd nu zeer

sierlijk ingerigt, onze kelders waren goed voorzien en honden en

paarden werden in overvloed aangeschaft. Daar mijn man zijne buren met

de meeste gastvrijheid onthaalde, kwamen zijne buren ook met het meeste

genoegen bij hem; jagen en drinken kostte hem zoo veel tijd, dat

slechts weinig van zijn omgang, dat is van zijn slecht humeur mij ten

deel viel.

„Ik zou me gelukkig geacht hebben als ik ook een ander lastig

gezelschap had kunnen ontvlugten; maar, helaas, er was iets waardoor ik

steeds gepijnigd werd, en dat te meer daar ik geen kans zag om me er

van te bevrijden. Dit waren mijne eigene kwellende gedachten, die me

onophoudelijk pijnigden en als het ware dag en nacht vervolgden. In

dezen toestand beleefde ik een tijd, welks verschrikkelijkheden men

evenmin beschrijven als zich voorstellen kan. Verbeeld u, als gij dat

kunt, mijne lieve, wat ik te lijden had. Ik werd moeder door den man

dien ik verachtte, haatte en verfoeide. Ik doorstond al de pijn en

ellende eener verlossing (die tienmaal kwellender is in zulke

omstandigheden, dan de ergste martelingen, die men verdraagt om den

wille van een man dien men liefheeft), in een woestijn, of liever, te

midden van een woest tooneel van spel en drank zonder vriendin, zonder

gezelschap, en zonder eenige van die aangename omstandigheden, welke

dikwerf het lijden van ons geslacht op zulk een oogenblik verzachten en

het soms welligt meer dan vergoeden.”

Tom Jones · 第 187 / 340 题