EEN ZEER KORT HOOFDSTUK, WAARIN MEN ECHTER VINDT: EENE ZON, EENE MAAN,
EENE STER EN EEN ENGEL.
De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds
een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap
opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt
kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve
ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton
verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door
die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en
welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren
bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige
onrust” spreken.
Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier
geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk,
eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had
men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw
Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet
hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen
de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de
morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel
verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.
Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik.
Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van
de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd
had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel
op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.
Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen
te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te
vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan
verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.
Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde Sophia voor om
weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de
koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees,
welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des
nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak
haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de
gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden.
Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd
had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male
daaraan toe te vertrouwen.
Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere
angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man
te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had,
bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging
veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet
niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen
te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts
te reizen.
Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts
noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij
van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt
moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat,
vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk
bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat
eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn
voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime
opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.
Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de
herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die
wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo
liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van
Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw,
besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene
vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent,
alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid waarmede zijne
veronderstelde beminde haar behandeld had.
De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen
om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide
vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon
mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat
zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de
lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.