HOOFDSTUK III.

EEN ZEER KORT HOOFDSTUK, WAARIN MEN ECHTER VINDT: EENE ZON, EENE MAAN,

EENE STER EN EEN ENGEL.

De zon, welke in dezen tijd van het jaar vroeg naar bed gaat, was reeds

een tijdlang verdwenen, toen Sophia, zeer verkwikt, uit den slaap

opstond, welke, hoe kort ook, alleen door vermoeijenis had veroorzaakt

kunnen worden; want, hoewel zij hare kamenier (en welligt zich zelve

ook) wijs had gemaakt dat zij zeer gerust was geworden zoodra zij Upton

verlaten had, is het zeker dat haar geest eenigzins aangedaan was door

die ziekte, welke vergezeld gaat van al de kenteekens van de koorts, en

welke welligt juist die ongesteldheid is door de geneesheeren

bedoeld,—als zij er iets mede bedoelen;—wanneer zij van „koortsige

onrust” spreken.

Mevrouw Fitzpatrick stond ook terzelfder tijd op, en hare kamenier

geroepen hebbende, kleedde zij zich dadelijk aan. Zij was, werkelijk,

eene zeer mooije vrouw, en in ander gezelschap dan dat van Sophia, had

men haar welligt voor beeldschoon kunnen houden; maar toen jufvrouw

Honour van zelve verscheen (want hare meesteresse wilde volstrekt niet

hebben dat men haar wekte), en onze heldin uitgedost had, ondergingen

de bekoorlijkheden van mevrouw Fitzpatrick, die de rol van de

morgenster gespeeld had, ook het lot van die ster, en werden geheel

verduisterd zoodra de nieuwe heerlijkheden zich vertoonden.

Misschien zag Sophia er ook nooit schooner uit dan op dit oogenblik.

Wij moeten het dus niet als overdrijving afkeuren in de dienstmeid van

de herberg, toen zij naar beneden gaande, nadat zij het vuur aangelegd

had, verklaarde, en met een eed bevestigde, dat, als er ooit een engel

op aarde geweest was, die engel nu boven in huis was.

Sophia had hare nicht bekend gemaakt met haar voornemen om naar Londen

te gaan, en mevrouw Fitzpatrick had er in toegestemd haar te

vergezellen; want de aankomst van haar man te Upton had haar plan

verijdeld om naar Bath, of naar hare tante Western te gaan.

Zoodra zij dus gedaan hadden met thee drinken, stelde Sophia voor om

weder te vertrekken, daar de maan buitengewoon helder scheen, en wat de

koude betrof, die trotseerde zij, en gevoelde ook niets van die vrees,

welke vele jonge dames bezield zou hebben bij de gedachte van des

nachts te reizen; want, zoo als wij reeds opgemerkt hebben, het ontbrak

haar van nature volstrekt niet aan moed, die nog verhoogd werd door de

gewaarwordingen van dat oogenblik, welke bijna aan wanhoop grensden.

Bovendien, daar zij reeds tweemaal heel veilig bij maanlicht gereisd

had, zag zij er des te minder bezwaar in om zich ten derden male

daaraan toe te vertrouwen.

Mevrouw Fitzpatrick was angstiger van aard; want, hoewel de grootere

angst den mindere had overwonnen, en de tegenwoordigheid van haar man

te Upton haar op zulk een ontijdig uur uit die stad verdreven had,

bevond zij zich nu op eene plaats, waar zij zich tegen zijne vervolging

veilig achtte, en daardoor werkte weder deze mindere angst voor ik weet

niet wat, zoo sterk, dat zij hare nicht ernstig smeekte tot den morgen

te blijven, en zich niet aan het gevaar bloot te stellen van des nachts

te reizen.

Sophia, die zelfs overdreven toegevend was, zoodra zij zag dat scherts

noch ernst hare nicht met moed bezielen kon, bezweek eindelijk. Had zij

van haar vaders aankomst te Upton geweten, dan zou het welligt

moeijelijker gevallen zijn haar over te halen;—want, wat Jones aangaat,

vrees ik dat de angst van door hem ingehaald te worden niet heel sterk

bij haar werkte;—ja, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat zij dat

eerder wenschte dan vreesde,—ofschoon ik dit, zonder oneerlijk te zijn

voor den lezer, had kunnen verbergen, als eene van die geheime

opwellingen van de ziel, die geheel vreemd blijven aan het verstand.

Zoodra onze jonge dames besloten hadden den geheelen nacht in de

herberg door te brengen, werden zij opgewacht door de waardin, die

wenschte te weten wat de dames gebruiken wilden. Er was iets zoo

liefelijks in de stem, in de houding en in de vriendelijkheid van

Sophia, dat de waardin geheel bekoord was, en die goede vrouw,

besluitende dat zij Jenny Cameron bediende, werd van dat oogenblik eene

vurige Jakobiete en aanhangster van de zaak van den jongen Pretendent,

alleen om den wille van de liefheid en vriendelijkheid waarmede zijne

veronderstelde beminde haar behandeld had.

De twee nichten begonnen nu elkaar hare nieuwsgierigheid mede te deelen

om te vernemen aan welke buitengewone omstandigheden deze voor beide

vreemde en verrassende ontmoeting toe te schrijven was. Eindelijk begon

mevrouw Fitzpatrick (na van Sophia de belofte verkregen te hebben dat

zij op hare beurt alles vertellen zou), datgene mede te deelen, wat de

lezer, als hij het verlangt, in het volgende hoofdstuk lezen kan.

Tom Jones · 第 183 / 340 题