In ons verhaal hadden wij (juist eer wij ons genoodzaakt zagen om terug
te keeren), het vertrek van Sophia en hare kamenier uit het logement
vermeld;—wij zullen dus nu dat bekoorlijk wezen op den voet volgen, en
haren onwaardigen minnaar verlaten, terwijl hij bezig is zijn ongeluk,
of liever zijn wangedrag, te beklagen.
Sophia, haren gids bevolen hebbende de landwegen in te slaan, trok nu
over de Severne en was naauwelijks een kwartier van de herberg
verwijderd, toen zij, omkijkende, verscheidene ruiters zag, welke in
vollen ren hen achterop kwamen. Dit wekte haren angst in hooge mate, en
zij riep haren gids toe om zoo snel mogelijk voort te maken.
Hij gehoorzaamde onmiddellijk en zij reden in gestrekten galop verder.
Maar, hoe harder zij reden, des te harder reden ook diegenen die hen
vervolgden, en daar de paarden van de achterste ruiters iets vlugger
waren dan die van de voorste, werden zij ook eindelijk ingehaald. En
dit was een geluk voor de arme Sophia, die door vrees, met vermoeijenis
gepaard, bijna uitgeput was, en nu in een oogenblik gerust gesteld werd
door eene vrouwenstem, die haar zoo zacht mogelijk, en met de meeste
beleefdheid, aansprak. Zoodra Sophia weder vrij adem halen kon,
beantwoordde zij deze begroeting met de meeste hoffelijkheid en
voldoening.
De reizigers, die Sophia gevolgd en haar zulk een schrik aangejaagd
hadden, bestonden, even als haar eigen gezelschap, uit twee vrouwen en
een gids. De beide troepjes reden nu wel een uur ver naast elkaar
voort, zonder dat iemand het waagde den mond weder open te doen, toen
onze heldin haren angst tamelijk meester geworden,—hoewel zij eenigzins
verwonderd was dat de andere steeds bij haar bleef, ofschoon zij den
grooten weg niet volgde en reeds meer dan één zijweg ingeslagen was,—de
vreemde dame op de meest verpligtende wijze aansprak en zeide: „dat het
haar veel genoegen deed te zien dat zij beiden denzelfden weg volgden.”
De andere, die, even als een spook, alleen wachtte om aangesproken te
worden, hernam dadelijk, „dat het genoegen aan haar was; dat zij geheel
vreemd was in die landstreek, en zich zoo overgelukkig gevoelde om
iemand van haar eigen geslacht aan te treffen, dat zij zich welligt aan
eene onbeleefdheid had schuldig gemaakt, door altijd gelijken tred met
haar te houden,—waarvoor zij vergiffenis vragen moest.”
Er werden nu nog meer beleefdheden gewisseld tusschen die dames; want
jufvrouw Honour had plaats gemaakt voor de rijk gekleede vreemdelinge
en reed achteraan. Maar hoewel Sophia zeer nieuwsgierig was om te weten
waarom de andere dame steeds dezelfde zijwegen insloeg als zij, ja,
hoewel dit haar eenige ongerustheid veroorzaakte, werd zij door
angstvalligheid, of bescheidenheid, of iets anders, belet om haar dat
te vragen.
De vreemde dame leed nu onder een bezwaar, dat het bijna beneden de
waardigheid der geschiedenis schijnt, te vermelden. Haar hoed was haar
niet minder dan vijfmaal van het hoofd gewaaid in het laatste kwartier,
en zij kon lint noch strik vinden, om hem onder hare kin vast te
binden. Zoodra Sophia dit vernam, voorzag zij haar dadelijk met een
doekje tot dat einde; maar terwijl zij bezig was met het uit haren zak
te halen, verzuimde zij, welligt, om genoegzaam acht te geven op haar
paard; want het dier struikelde eerst en viel toen op de knieën, de
schoone rijdster uit den zadel werpende.
Ofschoon Sophia voorover viel, bezeerde zij zich, gelukkig, hoegenaamd
niet en dezelfde omstandigheden, welke welligt haren val bewerkt
hadden, bewaarden haar nu voor verlegenheid; want de laan waardoor zij
reden, was naauw en digt met boomen begroeid, zoo dat de maan hier zeer
weinig licht verspreidde, en bovendien op dat oogenblik zoodanig achter
eene wolk verborgen was, dat het zeer duister was. Hierdoor werd de
overgroote zedigheid der jonge dame, evenmin als hare ledematen
gekwetst, en zij klom weder in den zadel zonder iets anders van haren
val dan den schrik ondervonden te hebben.
Het daglicht vertoonde zich eindelijk in vollen glans, en nu, toen de
beide dames, die naast elkaar over eene heide reden, op hetzelfde
oogenblik elkaar in de oogen zagen, bleven zij elkaar ook op hetzelfde
oogenblik aanstaren;—beider paarden maakten halt, en beide te zamen,
met even veel vreugde, riepen uit; de eene: „Sophia!” de andere:
„Henriette!”
De dames waren, waarschijnlijk, meer verbaasd over deze onverwachte
ontmoeting dan de scherpzinnige lezer, die zich wel lang verbeeld zal
hebben dat de vreemde dame niemand anders kon zijn dan mevrouw
Fitzpatrick, de nicht van mejufvrouw Western, die, zoo als wij
vertelden, slechts weinige minuten na haar de herberg verlaten had.
Zoo groot was de verrassing en de vreugde der beide nichten bij deze
ontmoeting,—want zij waren vroeger zeer gemeenzaam en zelfs bevriend
met elkaar geweest, toen zij zamen bij hare tante Western gewoond
hadden,—dat het onmogelijk zou zijn de helft der wederzijdsche
gelukwenschen te herhalen, welke geuit werden eer zij elkaar de zeer
natuurlijke vraag deden: waarheen zij gingen?
Eindelijk werd deze vraag eerst gedaan door mevrouw Fitzpatrick, maar
hoe gemakkelijk en natuurlijk ze ook schijnen moge, vond Sophia het
zeer moeijelijk een vlug en stellig antwoord te geven. Zij smeekte dus
hare nicht geduld te hebben tot zij ergens een logement vonden, „dat,”
voegde zij er bij, „wel zoo lang niet meer duren zal, en geloof me,
Henriette, dat ik zelve evenveel geduld gebruiken moet; want, naar ik
meen, is de eene van ons even verwonderd als de andere.”
Ik verbeeld me, dat het verdere gesprek tusschen de dames onderweg
naauwelijks waard was dat men het hier herhalen zou, wat, zeker, nog
minder het geval was met dat tusschen de twee kameniers, die elkâar nu
allerlei beleefdheden begonnen te bewijzen. Wat de gidsen aangaat, die
misten het genot van eenig gesprek, daar de een de voorhoede en de
andere de achterhoede uitmaakte.
Op deze wijze reisden zij eenige uren ver, tot zij aan een breeden,
veel beganen weg kwamen, dien zij regts volgden tot zij eene zeer
knappe herberg bereikten, waar zij allen afstegen; maar Sophia was zoo
vermoeid, en het had haar zooveel moeite gekost gedurende de laatste
paar uren om te paard te blijven, dat zij nu buiten staat was, om
zonder hulp af te stijgen. Zoodra de waard, die haar paard hield, dit
ontwaarde, bood hij dadelijk aan om haar uit den zadel te ligten, en
zij nam maar al te gaarne zijn aanbod aan. Maar het noodlot scheen dien
dag besloten te hebben Sophia te doen blozen, en de tweede kwaadaardige
poging daartoe gelukte beter dan de eerste; want de waard had
naauwelijks de jonge dame in de armen, of zijne voeten, die onlangs
zeer veel van de jicht geleden hadden, bezweken, en hij rolde omver;
maar terzelfder tijd gelukte het hem, met niet minder behendigheid dan
hoffelijkheid, om zich zelven onder zijn bekoorlijken last te werpen,
zoodat hij alleen door den val gekneusd werd; want het grootste nadeel
dat Sophia ondervond, was de hevige schok aan hare zedigheid toegebragt
door een onbeschaamd gegrijns, dat zij op het gelaat van bijna alle
omstanders opmerkte zoodra zij van den grond opstond. Dit deed haar
gissen wat er wezenlijk gebeurd was, en wat wij hier niet herhalen
zullen ten behoeve van die lezers, die in staat zijn om te lagchen over
iets, dat eene jonge dame deed blozen. Wij zelve hebben ongelukken van
dezen aard nooit als iets komieks beschouwd, en wij schroomen niet te
zeggen, dat diegene, die de zedigheid van eene jonge schoone zou willen
opofferen aan het onwaardige genoegen van een lach, er slechts een zeer
onvolkomen denkbeeld van hebben moet.
De angst en deze schok, gepaard met de vermoeijenis van geest en
ligchaam, waren bijna al te veel zelfs voor Sophia’s uitnemend gestel,
en zij behield naauwelijks kracht genoeg over om, leunende op den arm
harer kamenier, in huis te komen. Daar was zij pas op een stoel
neêrgezegen, toen zij om een glas water riep, dat jufvrouw Honour, naar
mijn gevoelen, zeer oordeelkundig in een glas wijn herschiep.
Zoodra mevrouw Fitzpatrick van jufvrouw Honour vernam dat Sophia in
twee nachten niet op bed was geweest, en zag hoe bleek en uitgeput van
vermoeijenis zij was, smeekte zij haar wat rust te nemen. Zij wist nog
niets van hare geschiedenis of hare vrees; maar al had zij beide
gekend, zou zij haar toch denzelfden raad hebben gegeven; want het was
blijkbaar dat zij rust hebben moest, en hare lange reis langs allerlei
zijpaden, had elk gevaar van ontdekt te worden zoo onwaarschijnlijk
gemaakt, dat zij zelve zich op dat punt geheel gerustgesteld gevoelde.
Sophia liet zich gemakkelijk overhalen om den raad harer vriendin te
volgen, die krachtig door Honour ondersteund werd. Mevrouw Fitzpatrick
bood ook aan om bij hare nicht te blijven, wat Sophia met het meeste
genoegen aannam.
Zoodra hare meesteresse te bed lag, maakte zich de dienaresse gereed om
haar voorbeeld te volgen. Zij begon met zich zeer te verontschuldigen
tegenover de andere kamenier, dat zij haar in zulk eene
verschrikkelijke plaats als eene herberg alleen moest laten; maar de
andere viel haar spoedig in de rede, daar zij even verlangende was als
Honour om een slaapje te doen, en vroeg om de eer te mogen hebben haar
bed met haar te deelen. Sophia’s kamenier stemde onmiddellijk hierin
toe; maar hield vol dat de eer aan haar was. Dus, na vele
pligtplegingen en complimenten, gingen de kameniers naar bed, even als
hare meesteressen gedaan hadden.
Het was de gewoonte van den waard (wat ook het geval is bij de geheele
broederschap), om naauwkeurig onderzoek te doen bij alle koetsiers,
knechts, postiljons en anderen, naar de namen zijner gasten,—naar hunne
bezittingen, en de ligging er van. Het is dus niet vreemd, dat de vele
zonderlinge omstandigheden, welke hij bij onze reizigers opmerkte, en
vooral dat zij op zulk een wonderbaarlijken en ongewonen tijd als tien
uur ’s morgens zich naar bed begaven, zijne nieuwsgierigheid opwekte.
Zoodra dus de gidsen in de keuken kwamen, begon hij met te vragen wie
de dames waren en van waar zij kwamen; maar hoewel de gidsen hem
getrouw alles mededeelden wat zij wisten, gevoelde hij zich daardoor
slechts weinig voldaan. Integendeel, zij deden zijne nieuwsgierigheid
eerder ontvlammen dan dat zij ze bluschten.
Deze waard had den naam, onder zijne buren, van een zeer slimme vent te
zijn. Men dacht dat hij verder en dieper zag dan iedereen in de
gemeente,—de dominé zelf niet uitgezonderd. Welligt had zijn oogopslag
niet weinig bijgedragen om hem dezen roem te verwerven; want er was
iets verbazend wijs en veelbeteekenends in, vooral als hij eene pijp in
den mond had, wat bijna altijd het geval was. Zijn gedrag strekte ook
zeer om dit begrip van zijne wijsheid te bevorderen. Zijne houding was
plegtig, zoo niet norsch, en als hij sprak, wat slechts zelden
geschiedde, uitte hij zijne woorden met eene zachte stem, en ofschoon
zijne volzinnen steeds kort waren, werden ze telkens afgebroken door
„hm,” en „ha,” en „ja, ja!” en andere dergelijke uitingen, zoodat,
hoewel hij zijne woorden door zekere verklarende gebaren ophelderde,
zoo als een knikje, of een hoofdschudden, of met den vinger te wijzen,
hij gewoonlijk zijne toehoorders veel meer te verstaan gaf dan hij hun
vertelde; ja, hij gaf hun zelfs gewoonlijk een wenk, dat hij veel meer
wist, dan hij goedvond mede te deelen. Deze laatste omstandigheid
alleen kan inderdaad zeer goed verklaren hoe hij aan den naam van
groote wijsheid kwam; daar de menschen wonderbaarlijk geneigd zijn,
datgene wat zij niet verstaan te roemen.
Deze deftige persoonaadje, zijne vrouw nu ter zijde nemende, vroeg
haar, „wat zij dacht van de pas aangekomene dames?”
„Wat ik van haar denk?”
„Ik weet wel wat ik denk,” zeide hij. „De gidsen vertellen rare dingen.
De ééne geeft voor van Gloucester te komen; de andere van Upton;—en
voor zoo ver ik zie, weet geen van beide waar zij heen gaan.
Maar,—welke menschen reizen ooit dwars door het land heen,—van Upton
hierheen,—om naar Londen te komen? En eene van de kamenieren vroeg,
toen zij hier afsteeg, of dit niet de weg was naar Londen. Nu heb ik al
deze omstandigheden overlegd,—en voor wie denkt ge dat ik haar houd?”
„Wel,” hernam zij, „ge weet wel dat ik het nooit waag iets te gissen
dat gij ontdekt hebt.”
„Dat is braaf, kind,” zeide hij, haar onder den kin strelende; „ik moet
ook bekennen, dat gij u altijd aan mijn beter oordeel onderworpen hebt
in dergelijke zaken. Nu dan,—let op wat ik zeg;—ge kunt er op aan, dat
deze twee dames behooren bij die rebellen, die, zoo als men verhaalt,
altijd met den jongen Pretendent rondtrekken, en nu zoo’n omweg gemaakt
hebben, om aan het leger van den hertog te ontsnappen.”
„Dat hebt ge zeker getroffen, man!” riep de vrouw; „want ééne van de
dames is gekleed als eene prinses, en ziet er ook uit als eene.—Maar
toch, wanneer ik één ding bedenk,—”
„Gij bedenken!” riep de man met minachting. „Kom! laat eens hooren wat
gij bedacht hebt?”
„Nu,” hernam de vrouw, „het is dat zij veel te nederig is om eene
groote dame te zijn; want terwijl onze Bet het bed warmde, sprak zij
haar steeds als „kind,” aan, en als „mijne lieve,”—en wat niet al meer,
en toen Bet aanbood om haar de schoenen en kousen uit te trekken, wilde
zij dat niet toelaten en zeide, dat zij haar al die moeite niet geven
wilde.”
„Bah!” zei de waard: „Dat is niemendal! Gelooft gij, omdat gij eenige
groote dames hebt gezien, die lomp en ruw zijn in den omgang met hare
minderen, dat zij geene van allen zich fatsoenlijk weten te gedragen
tegenover hare ondergeschikten? Ik geloof wel dat ik weet wat een
fatsoenlijk mensch is als ik er een zie. Ja, ja, dat weet ik wel! Heeft
zij niet om een glas water gevraagd zoodra zij in huis kwam? Eene
andere soort van vrouw zou ’n borrel besteld hebben,—zoo als ge wel
weet. Als deze geene dame is van zeer hoogen rang, verkoop mij dan
voortaan maar als gek,—en ik geloof dat hij die me koopt, leelijk er in
zal loopen! En zou nu eene dame van stand zonder knecht reizen, tenzij
bij eene zeer buitengewone gelegenheid?”
„Nu ja, manlief,” antwoordde zij; „ge hebt meer verstand van die zaken
dan ik, of de meeste menschen; dat is waar!”
„Ik geloof ook,” hernam hij, „dat ik zoo heel gek niet ben.”
„En ge moest eens gezien hebben,” zei de vrouw, „hoe ellendig het arme
schepseltje er uitzag toen zij binnen kwam en op dien stoel ging
zitten:—ik kon het niet laten haar bijna evenzeer te beklagen alsof het
een arm mensch geweest ware. Maar, wat moeten we nu doen, manlief? Als
zij tot de rebellen behoort, denk ik wel, dat gij haar aan de hofpartij
uitleveren zult. Nu; het is een lief, zachtzinnig mensch, wat zij ook
anders zij, en ’t zal me moeite kosten om niet te schreijen als ik hoor
dat men haar gaat ophangen, of onthoofden.”
„Bah!” hernam de man.—„Maar het is zoo gemakkelijk niet om te beslissen
wat er gedaan moet worden. Ik hoop dat wij,—vóór haar vertrek,—de
tijding krijgen van een grooten slag; want als de Pretendent overwint,
zal zij welligt haar invloed voor ons bij het hof gebruiken,—en onze
fortuin maken zonder dat wij haar behoeven te verraden.”
„Nu, dat is ook zeker waar,” zeide de vrouw; „ik hoop van ganscher
harte, dat zij het zal kunnen doen. ’t Is zeker een lief, best mensch,
en ’t zou me aan ’t hart gaan als haar een ongeluk overkwam.”
„Kom, kom!” riep de waard; „de vrouwen zijn altijd zoo teerhartig. Ge
zoudt toch geene rebellen willen herbergen,—niet waar?”
„Neen,—dat niet,” zei de vrouw, „en als we haar uitleveren moeten, wat
er dan ook van kome, geen mensch zou ons dat kwalijk kunnen nemen. Dat
zou iedereen doen in ons geval.”
Terwijl onze diplomatieke waard, die, zoo als wij gezien hebben, niet
ten onregte den naam had van groote wijsheid onder zijne buren, de zaak
aldus bij zich zelven overlegde,—want hij gaf niet veel om de meening
zijner vrouw,—kwam de tijding dat de rebellen aan den hertog ontsnapt
en hem een dagmarsch vóór waren, op weg naar Londen; en kort daarop
trad een bekende Jakobietsch gezinde landjonker binnen, die met de
meeste opgewondenheid den waard de hand drukte en uitriep: „We hebben
gewonnen spel, kereltje! Er zijn tien duizend Franschen in Suffolk
geland! Oud-Engeland boven! tien duizend Franschen, kereltje! Ik ga er
dadelijk een glas op drinken!”
Dit nieuws bevestigde den wijzen waard in zijn gevoelen en hij besloot
zich verdienstelijk te maken bij de jonge dame zoodra zij opstond; want
nu, zeide hij, had hij ontdekt dat het niemand anders kon wezen dan die
trouwe aanhangster van den Pretendent, Jenny Cameron zelve!