EENE KORTE GESCHIEDENIS VAN EUROPA; EN EEN MERKWAARDIG GESPREK TUSSCHEN
DEN HEER JONES EN DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.
„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten
zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij
gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat,
dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden
nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons
betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander
verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen,
welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik
ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om
afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk
verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten,
waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te
verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden
toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige
wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon
spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal
door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd
ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”
„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld, dat er juist
in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in
al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben
gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste
verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”
„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis
gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen,
zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië
bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien,
wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde
huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en
ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer
deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich
een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een
sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even
verachtelijk en bespottelijk.
„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als
gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis,
ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand
vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één
woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om
datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in
zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij
kostte.”
„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u
minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.
„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan
de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den
vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar,
vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als
hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene
eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren
spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de
hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne
beleefdheden en met „de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land
waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne
ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn
leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in
Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil
is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige
andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en
ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.
„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld;
want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering
heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en
zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo
volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid
had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit
druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene
pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk
geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder
bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik
opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor
mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel
daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te
koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en
dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts
wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene
menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen
met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne
vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar
hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen
de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp
zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook
vermoord hebben.”
Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had,
met zijne geschiedenis te vertellen, en drukte dan eenige verbazing
uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen,
gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling
moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt
kunnen doorbrengen of dooden.”
„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en
gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang
moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling,
waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd
zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke,
onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet
alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die
in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als
zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen,
vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door
goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang
met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of
eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke
eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens,
de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen
heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest,
die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk
zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is
er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp
wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van
zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de
opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch
dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen
sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte
uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen
zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein
ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den
grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van
zijne wijsheid en goedheid. De mensch alleen, de koning dezer aarde,
het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch
alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door
oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid
van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar
te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een
verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van
welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkig uitgesloten
blijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen,
vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”
„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam
Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop
tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele
menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin
tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor
zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der
menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder;
terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als
kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij
de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze
dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek
aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van
slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van
welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele
menschheid toepast.”
„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding
ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden
mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen
dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”
„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die
beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de
liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel
gesloten. Om het karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te
beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk
zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is,
wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de
wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste
vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”
„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts
zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen
ik ook nog die meening koesterde!”
„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij
niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest
waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer
kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene
beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er
veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet
geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor
dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur
noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van
kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof
niet dat gij in dat geval verkeert.”
„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de
laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten
ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers
u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou
slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene
doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed
genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een
blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”
De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan
wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen
antwoord gaf.
De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones
verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en
hem welligt van zijne rust beroofd had.
De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld
dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig
waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en
den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,”
zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en
voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone
uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”
Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen.
Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het
oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne
nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet
belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne
rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst
verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer
geschiedenis.