HOOFDSTUK XV.

EENE KORTE GESCHIEDENIS VAN EUROPA; EN EEN MERKWAARDIG GESPREK TUSSCHEN

DEN HEER JONES EN DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.

„In Italië zijn de logementhouders niet spraakzaam. In Frankrijk praten

zij meer; maar zijn toch beleefd. In Duitschland en Holland zijn zij

gewoonlijk zeer onbeschoft. Wat hunne eerlijkheid aangaat, die staat,

dunkt me, in al deze landen op bijna dezelfde hoogte. De loonbedienden

nemen elke gelegenheid waar om u af te zetten, en wat de postiljons

betreft, geloof ik, dat die de heele wereld door weinig van elkander

verschillen. Deze, mijnheer, zijn de opmerkingen aangaande de menschen,

welke ik op reis maakte; want dit waren de eenige menschen, waarmede ik

ooit sprak. Mijn voornemen, toen ik buiten ’s lands ging, was om

afleiding te zoeken door het bezigtigen van de wonderbaarlijk

verschillende landstreken, dieren, vogels, visschen en insekten,

waarmede het God behaagd heeft de verschillende werelddeelen te

verrijken. Eene afwisseling, die, terwijl ze den nadenkenden

toeschouwer het grootste genot verschaft, op eene bewonderenswaardige

wijze de magt, de wijsheid en de goedheid van den Schepper ten toon

spreidt. Om de waarheid te zeggen, er is slechts één werk in het heelal

door Hem geschapen, dat Hem eenige oneer aandoet, en sedert lang houd

ik me daarmede in ’t geheel niet meer op.”

„Met uw verlof,” riep Jones, „ik heb me altijd verbeeld, dat er juist

in dat ééne werk door u vermeld, even veel afwisseling bestaat als in

al het overige; want, behalve het verschil in neigingen, hebben

gewoonten en klimaat, naar ik vernomen heb, ook de grootste

verscheidenheid onder de menschen te weeg gebragt.”

„Zeg liever, zeer weinig,” hernam de andere; „diegenen, die op reis

gaan, ten einde de zeden der verschillende menschen te leeren kennen,

zouden zich veel moeite besparen door alleen het karneval te Venetië

bij te wonen; want daar zouden ze tegelijker tijd alles kunnen zien,

wat aan de verschillende hoven van Europa te ontdekken is. Dezelfde

huichelarij, hetzelfde bedrog;—met één woord, dezelfde dwaasheden en

ondeugden in verschillende kleêren uitgedost. In Spanje zijn ze zeer

deftig opgeschikt; in Italië, zeer prachtig;—in Frankrijk kleedt zich

een schelm als een kwast;—in het noorden van Europa, als een

sloddervos. Maar de menschelijke natuur is overal dezelfde;—overal even

verachtelijk en bespottelijk.

„Wat mij betreft, ik ging midden door al deze volkeren door, zoo als

gij wel eens door eene menigte heen gedrongen zult zijn op de kermis,

ze op zijde stootende, om plaats te maken, den neus met de eene hand

vastknijpende, en mijne zakken met de andere verdedigende, zonder één

woord met iemand te spreken, en alleen makende vooruit te komen, om

datgene te bezigtigen wat ik zien wilde; dat, hoe vermakelijk ook in

zich zelf, mij naauwelijks den last vergoedde, die het gezelschap mij

kostte.”

„Maar waren er onder al de volkeren die gij bezocht hebt, geene, die u

minder tot last waren dan de anderen?” vroeg Jones.

„O ja,” hernam de oude heer; „de Turken kon ik veel beter verdragen dan

de Christenen; want dat zijn menschen, die veel zwijgen, en den

vreemdeling nooit met vragen lastig vallen. Tusschenbeide, dat is waar,

vervloeken zij hem kort en krachtig, of spuwen hem in het gezigt als

hij over straat loopt; maar daarmede is het afgeloopen; en men kan eene

eeuw in hun land wonen, zonder hen een half dozijn woorden te hooren

spreken. Maar, van alle menschen die ik ooit gezien heb, beware mij de

hemel voor de Franschen! met hun verwenscht gebabbel, en hunne

beleefdheden en met „de honneurs,” zoo als zij het noemen, van hun land

waar te nemen tegenover den vreemdeling,—maar inderdaad met hunne

ijdele vertooning, vallen zij u zoo lastig, dat ik oneindig liever mijn

leven onder de Hottentotten zou slijten, dan ooit weder den voet in

Parijs te zetten! De Hottentotten zijn een smerig volk; maar hun vuil

is grootendeels aan den buitenkant; terwijl in Frankrijk en bij sommige

andere volkeren, die ik niet noemen wil, het alles van binnen is, en

ze, voor mijn verstand, erger stinken dan de Hottentot voor mijn neus.

„En nu, mijnheer, heb ik de geschiedenis van mijn leven afgehandeld;

want, wat de lange reeks van jaren betreft, die ik hier in afzondering

heb doorgebragt, die levert geene afwisseling op om u te vermaken en

zou bijna als één dag kunnen beschouwd worden. Die afzondering is zoo

volmaakt geweest, dat ik naauwelijks eene meer volstrekte eenzaamheid

had kunnen smaken in de woestijnen der Thebaïs dan in het hart van dit

druk bevolkte land. Daar ik geene landerijen bezit, word ik door geene

pachters of rentmeesters geplaagd; mijn jaargeld wordt me tamelijk

geregeld uitbetaald, wat ook wel zoo behoort, daar het veel minder

bedraagt dan wat ik had mogen verwachten, ter vergoeding van hetgeen ik

opgegeven heb. Bezoeken ontvang ik niet; en de oude vrouw, die voor

mijne huishouding zorgt, weet dat het behoud harer dienst geheel

daarvan afhankelijk is, dat zij me de moeite uitwint van datgene te

koopen wat ik niet missen kan; dat zij alle zaken van mij afhoudt, en

dat zij altijd zwijgt als ik er bij ben. Daar ik alleen des nachts

wandel, ben ik tamelijk zeker in deze woeste, onbezochte plaats geene

menschen te ontmoeten. Eenige weinigen heb ik toevallig ontmoet, en hen

met een grooten angst naar huis gejaagd, daar ze mij wegens mijne

vreemde kleeding voor een spook of een boozen geest aanzagen. Maar

hetgeen er heden avond gebeurd is, bewijst dat ik zelfs hier niet tegen

de schurkenstreken der menschen beveiligd ben; want, zonder uwe hulp

zou men mij niet slechts bestolen, maar zeer waarschijnlijk ook

vermoord hebben.”

Jones bedankte den vreemdeling voor de moeite, welke hij genomen had,

met zijne geschiedenis te vertellen, en drukte dan eenige verbazing

uit, „dat het mogelijk was zulk een eenzaam leven te verdragen,

gedurende hetwelk,” zeide hij, „gij wel over gebrek aan afwisseling

moogt klagen;—inderdaad, ik begrijp niet hoe gij zoo veel tijd hebt

kunnen doorbrengen of dooden.”

„Ik geloof gaarne,” hernam de andere, „dat iemand, wiens neigingen en

gedachten op de wereld gevestigd zijn, de tijd verschrikkelijk lang

moet schijnen welken ik hier beleefd heb; maar er is ééne handeling,

waarvoor het geheele leven van den mensch te kort schiet. Hoeveel tijd

zou voldoende zijn voor de beschouwing en aanbidding van dat heerlijke,

onsterfelijke, dat eeuwige Wezen, tot wiens verbazende schepping niet

alleen deze aarde, maar zelfs al de tallooze hemellichten behooren, die

in het zwerk flikkeren, van welke er vele zijn, die, welligt als

zonnen, geheele stelsels verlichten en toch slechts vlekjes schijnen,

vergeleken bij de door ons bewoonde aarde! Kan een mensch, die door

goddelijke overpeinzingen, als het ware toegelaten wordt tot den omgang

met deze onvergelijkelijke, onbegrijpelijke Majesteit, dagen, jaren of

eeuwen te lang vinden voor de voortzetting van zulk eene verrukkelijke

eer? Moeten de beuzelachtige tijdverdrijven, de walgelijke genoegens,

de dwaze dingen dezer wereld, voor ons de uren maar al te snel doen

heenvliegen, en zal de gang des tijds traag schijnen voor een geest,

die zich oefent in studiën, die zoo hoog, zoo belangrijk, zoo heerlijk

zijn? Even als er geen tijd is, die voor zoo iets toereikend is, zoo is

er ook geene plaats, die daartoe ongeschikt kan wezen. Op welk voorwerp

wij ook zien, worden wij bezield met het denkbeeld van zijne magt, van

zijne wijsheid, en van zijne goedheid. Het is niet noodzakelijk dat de

opgaande zon hare vurige stralen verspreide aan de oosterkimme, noch

dat de onstuimige winden hunne holen verlaten en het hooge bosch doen

sidderen: noch dat de barstende wolken hare stortvloeden over de vlakte

uitgieten;—het is niet noodzakelijk, zeg ik, dat een van deze allen

zijne Majesteit verkondigen; er is geen insekt, geene plant, hoe klein

ook in de geheele schepping, die niet de kenmerken draagt van den

grooten Schepper,—den stempel niet alleen van zijne magt, maar ook van

zijne wijsheid en goedheid. De mensch alleen, de koning dezer aarde,

het laatste en grootste werk van het Opperwezen onder de zon, de mensch

alleen heeft laaghartig zijne eigene natuur onteerd en door

oneerlijkheid, wreedheid, ondankbaarheid en verraad, aan de goedheid

van den Schepper doen twijfelen, door het ons moeijelijk verklaarbaar

te maken, hoe zulk een weldadig Wezen zulk een dwaas, zulk een

verachtelijk dier heeft kunnen scheppen. En dit is het schepsel van

welks omgang ge u denkelijk verbeeldt dat ik ongelukkig uitgesloten

blijf, en zonder welks gezegenden omgang het leven, naar uw gevoelen,

vervelend en nietsbeteekenend moet zijn!”

„Wat het eerste gedeelte betreft van hetgeen gij gezegd hebt,” hernam

Jones, „dat stem ik gaarne en van harte toe; maar ik geloof en hoop

tevens, dat de afschuw, welken gij aan den dag legt voor de geheele

menschheid, wat te ver uitgestrekt is. Inderdaad, gij vervalt daarin

tot eene dwaling, welke ik, volgens mijne weinige ondervinding, voor

zeer algemeen houd, namelijk om uw denkbeeld omtrent het karakter der

menschheid te vormen naar de slechtsten en verachtelijksten er onder;

terwijl een uitmuntende schrijver opgemerkt heeft, dat niets als

kenmerkend van een geheel geslacht moet beschouwd worden, dat niet bij

de beste en volmaaktste individuën er van opgemerkt wordt. Deze

dwaling, geloof ik, wordt veelal begaan door diegenen, die, uit gebrek

aan gepaste voorzorg in de keuze hunner vrienden en kennissen, van

slechte en onwaardige menschen verongelijkingen hebben ondervonden, van

welke men twee of drie voorbeelden, zeer ten onregte, op de geheele

menschheid toepast.”

„Ik verbeeld me,” hernam de andere, „dat het mij niet aan ondervinding

ontbroken heeft. Mijne eerste beminde en mijn eerste vriend verraadden

mij op de schandelijkste wijze, en in een geval, dat de ergste gevolgen

dreigde te hebben,—zelfs om mij tot een schandelijken dood te brengen.”

„Houd het me echter ten goede,” zei Jones, „als ik u herinner wie die

beminde en die vriend waren! Wat zou men beters verwachten van de

liefde eener ligtekooi, of van eene vriendschap, aan de speeltafel

gesloten. Om het karakter der vrouwen naar het eerste voorbeeld te

beoordeelen, of dat der mannen naar het laatste, zou even onbillijk

zijn, als te beweren dat de lucht een stinkend en ongezond element is,

wanneer we dat ondervinden—in een riool! Ik heb nog slechts kort in de

wereld geleefd, en toch heb ik menschen gekend, die de hoogste

vriendschap, en vrouwen die de reinste liefde waardig zijn.”

„Helaas, jongeling!” hernam de vreemde, „ge bekent zoodoende slechts

zeer kort in de wereld geleefd te hebben;—ik was nog ouder dan gij toen

ik ook nog die meening koesterde!”

„Dat zou nog met u het geval kunnen zijn,” antwoordde Jones, „als gij

niet ongelukkig,—ik waag het zelfs te zeggen, onvoorzigtig geweest

waart in het wegschenken uwer toegenegenheid. Al ware er nog veel meer

kwaad in de wereld dan er is, het zou toch zulke algemeene

beschuldigingen tegen de menschelijke natuur niet wettigen, daar er

veel van door toeval ontstaat, en menigeen die kwaad begaat, niet

geheel slecht, of in zijn hart bedorven is. Inderdaad, het komt me voor

dat niemand het regt heeft te beweren dat de menschelijke natuur

noodzakelijk en algemeen bedorven is, dan hij die er één voorbeeld van

kent en wel in zijne eigene, aangeborene bedorvenheid,—en ik geloof

niet dat gij in dat geval verkeert.”

„Dergelijke menschen,” hernam de vreemdeling, „zullen altijd de

laatsten zijn om zoo iets te beweren. Schelmen zullen evenmin trachten

ons van de bedorvenheid der menschheid te overtuigen, als struikroovers

u waarschuwen zullen voor het gevaar van aangerand te worden. Dat zou

slechts dienen om u op uwe hoede te doen zijn, en om hunne eigene

doeleinden te verijdelen. En om deze reden, hoewel de schurken gereed

genoeg zijn om enkele menschen uit te schelden, werpen zij nooit een

blaam op de menschelijke natuur in het algemeen.”

De oude heer zei dit met zoo veel drift, dat Jones, die er aan

wanhoopte om hem te bekeeren en hem niet gaarne beleedigen wilde, geen

antwoord gaf.

De eerste stralen van den dageraad begonnen nu te schemeren, en Jones

verontschuldigde zich bij den vreemde dat hij zoo lang gebleven was en

hem welligt van zijne rust beroofd had.

De vreemde hernam, „dat hij nooit minder behoefte aan rust had gevoeld

dan op dat oogenblik; want dat dag en nacht hem geheel onverschillig

waren, en dat hij gewoonlijk gedurende den eersten zijne rust nam en

den laatsten gebruikte voor zijne wandelingen en overpeinzingen. Maar,”

zeide hij, „het is een heerlijke morgen en als gij zelf nog, rust en

voedsel ontberen kunt, zal het me genoegen doen u eenige zeer schoone

uitzigten te laten zien, die u waarschijnlijk nog onbekend zijn.”

Jones nam dit aanbod zeer gaarne aan en zij verlieten de hut te zamen.

Wat Partridge betreft, die was al in een diepen slaap gevallen, op het

oogenblik dat de vreemde zijn verhaal ten einde bragt; want zijne

nieuwsgierigheid was voldaan, en het daarop volgende gesprek was niet

belangrijk genoeg om den slaap te bezweren. Jones liet hem dus zijne

rust ongestoord genieten, en daar de lezer welligt nu dezelfde gunst

verlangt, zullen wij hier een einde maken aan het achtste boek onzer

geschiedenis.

Tom Jones · 第 156 / 340 题