„De heer Watson,” hervatte de oude man, „maakte mij zonder bezwaar
bekend, dat zijne rampzalige omstandigheden, veroorzaakt door een reeks
van ongelukken bij het spel, hem, als het ware, gedwongen hadden tot
het besluit te komen om zich het leven te benemen.
„Ik begon nu zeer ernstig met hem te redeneren over deze heidensche, of
liever duivelsche leer van het wettige van den zelfmoord, en zeide
alles wat ik me omtrent dat onderwerp wist te herinneren; maar, tot
mijn groot verdriet, scheen het slechts zeer weinig bij hem uit te
werken. Hij toonde volstrekt geen berouw over hetgeen hij gedaan had,
en gaf me aanleiding te gelooven, dat hij spoedig eene tweede poging
van denzelfden verschrikkelijken aard zou doen.
„Zoodra ik mijne redevoering geëindigd had, in plaats van te trachten
mijne argumenten te beantwoorden, keek hij mij strak in de oogen en
zeide: „Gij zijt nog al op eene wonderbaarlijke wijze veranderd,
vriendlief, sedert ik u voor het laatst zag. Ik twijfel er aan of een
van onze bisschoppen eene betere preek tegen den zelfmoord zou kunnen
maken dan gij nu voor mij gehouden hebt; maar, tenzij gij iemand vinden
kunt, die me een goede honderd pond wil leenen, moet ik me ophangen of
verdrinken, of verhongeren;—en naar mijn gevoelen, is de laatste dood
de verschrikkelijkste der drie.”
„Ik hernam zeer ernstig, dat ik inderdaad zeer veranderd was sedert wij
elkaar voor het laatst gezien hadden;—dat ik den tijd had gehad mijne
dwaasheden in te zien, en berouw er over te gevoelen. Ik ried hem dus
ook hetzelfde te doen, en eindigde met de verzekering dat ik hem zelf
honderd pond wilde leenen, als hij daarmede geholpen was en hij beloven
wilde het geld niet te verspelen.
„De heer Watson, die bijna ingeslapen scheen gedurende het eerste
gedeelte van mijne redevoering, werd weder wakker bij het slot. Hij
greep me driftig bij de hand, bedankte mij duizendmaal en verklaarde
dat ik wel zijn ware vriend was;—hij voegde er bij, dat hij hoopte dat
ik hem genoeg kende om overtuigd te wezen, dat hij te veel geleerd had
door de ondervinding om ooit eenig vertrouwen meer te stellen in die
verwenschte dobbelsteenen, die hem zoo dikwerf bedrogen hadden. „Neen,
neen!” riep hij, laat me maar eens weer fiks op de been wezen, en als
de fortuin me ooit weder bankroet maakt, zal ik het haar betaald
zetten.”
„Ik begreep zeer goed wat „op de been zetten” en „bankroet” zijn, in
zijn mond beteekenden. Ik zei dus, met den meesten ernst: „Mijnheer
Watson, ge moet trachten eene zaak, of eenige bezigheid te vinden, die
u eene kostwinning oplevert, en ik beloof u, als ik eenige
waarschijnlijkheid zag van ooit afbetaald te worden, dat ik u eene veel
zwaardere som zou voorschieten, dan waarvan nu kwestie kon wezen, om u
op weg te helpen in eenige eerlijke en fatsoenlijke zaak maar; wat het
spel betreft, behalve de schande en de laagheid van het tot zijn beroep
te maken, zijt ge werkelijk, dat weet ik, er volmaakt ongeschikt voor,
en ge zult er zeker geheel door te grond gerigt worden.”
„Wel,” zeide hij, „dat luidt toch vreemd! Gij, noch iemand anders onder
mijne vrienden, heeft ooit willen bekennen dat ik er iets van wist, en
toch geloof ik, dat ik elk spel even goed speel als een van u allen. Ik
wenschte maar van harte dat ik met u om uw geheel vermogen moest
spelen;—eene betere kans zou ik niet verlangen, en gij zoudt zelf het
spel kunnen kiezen. Maar, kom aan, beste jongen, hebt ge die honderd
pond op zak?”
„Ik hernam dat ik slechts een bankbiljet van vijftig pond bij me had,
en beloofde hem het overige den volgenden morgen, en na hem nog eenigen
goeden raad te hebben gegeven, ging ik weg.
„Ik hield meer dan woord, want dien zelfden namiddag bezocht ik hem
weder. Toen ik in de kamer trad, vond ik hem in zijn bed opzittende,
met een beruchten speler aan het kaarten. Ge zult wel begrijpen hoe
zeer ik geschokt was door dit gezigt. Gij moet ook de teleurstelling er
bijvoegen, die ik gevoelde toen ik hem mijne banknoot aan zijne
tegenpartij zag overhandigen, die hem slechts dertig pond terug gaf.
„De andere speler verliet kort daarop de kamer, en Watson verklaarde
toen dat hij zich schaamde mij te zien; „Maar,” voegde hij er bij; „ik
zie dat het geluk mij zoo drommels tegen loopt, dat ik besloten heb het
spel voor altijd vaarwel te zeggen. Ik heb over uw vriendelijk aanbod
nagedacht, en ik beloof u, het zal aan mij niet liggen als ik er geen
gevolg aan geef.”
„Hoewel ik niet veel aan zijne beloften hechtte, gaf ik hem, om de
mijne getrouw te zijn, het overige van de honderd pond, waartegen hij
mij eene kwitantie gaf,—wat alles was dat ik ooit van dat geld wachtte
terug te zien.
„Voor het oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de komst van den,
apotheker, die, met veel vreugde ons vertelde, zonder zelfs te vragen
hoe de zieke het maakte, dat hij groot nieuws had, in een brief aan hem
gerigt, en dat spoedig algemeen bekend zou worden.
„Dat namelijk de hertog van Monmouth in het westen van Engeland geland
was met een groot Hollandsch leger, en dat eene tweede sterke vloot op
de kusten van Norfolk was, gereed om daar eene landing te doen, ten
einde, door eene afleiding van dien kant, des hertogs onderneming te
steunen.
„Deze apotheker was een der grootste politici van zijn tijd. Hij
verheugde zich meer over het onbelangrijkste praatje dan over den
besten patient, en het grootste geluk, waarvoor hij vatbaar was,
bestond daarin dat hij, een uur of wat vroeger dan iemand anders in de
stad, het een of ander nieuwtje wist. Zijne berigten waren echter
zelden geloofwaardig; want hij was gereed om bijna alles voor waar te
houden, en velen maakten gebruik van dit zijn zwak om hem te foppen.
„Dit was ook het geval met hetgeen hij nu mededeelde; want men vernam
kort daarop, dat de hertog wezenlijk geland was; maar dat zijn leger
slechts uit eenige volgelingen bestond;—en, wat de landing in Norfolk
betrof, daar was niets van waar.
„De apotheker bleef slechts lang genoeg in de kamer om ons dit nieuws
mede te deelen, en daarop, zonder één woord te reppen over eenig ander
onderwerp, verliet hij zijn patient, om zijn nieuws door de stad te
verspreiden.
„Algemeen belangrijke zaken van dezen aard, stellen gewoonlijk alle
bijzondere zaken in de schaduw. Ons gesprek werd dan ook nu geheel en
al staatkundig. Wat mij betreft, ik was al sedert lang ernstig bezorgd
geweest voor het gevaar dat het Protestantisme zoo zigtbaar dreigde
onder een Roomschgezinden vorst, en hield het er voor dat die vrees
alleen den opstand wettigde; want geene wezenlijke veiligheid bestaat
er tegen de vervolgzucht van het Katholicisme, als het eens de magt in
handen heeft, eer men het van die magt berooft;—zooals de droevige
ondervinding ons spoedig leerde. Gij weet wel hoe Koning Jakobus zich
gedroeg toen hij den opstand te boven gekomen was; hoe weinig hij zich
stoorde aan zijn koninklijk woord, aan den eed, welken hij bij zijne
troonsbeklimming afgelegd had, of aan de vrijheden en regten van zijn
volk.
„Maar alle menschen hadden het verstand niet dit in het begin in te
zien, en daarom werd de hertog van Monmouth slechts flaauw ondersteund;
maar allen gevoelden het eindelijk toen het kwaad hen zelven trof, en
daarom vereenigden zich eindelijk allen, om dien koning te verdrijven,
tegen wiens uitsluiting zoo velen van ons zoo vurig gestreden hadden,
onder de regering van zijn broeder,—en voor wien zij nu zoo ijverig en
getrouw vochten.”
„Hetgeen gij zegt,” viel hem Jones hier in de rede, „is zeer waar; en
het is me dikwerf voorgekomen als een der merkwaardigste feiten in de
geschiedenis, dat zoo spoedig na deze afdoende ondervinding, welke ons
geheel volk zoo eenparig vereenigde om koning Jakobus te verdrijven,
ten einde onze godsdienst en vrijheden te redden, er toch nog eene
partij onder ons bestaat, die dolzinnig genoeg is om die familie weer
op den troon te willen plaatsen.”
„Dat kunt ge niet ernstig meenen!” hernam de grijsaard. „Zoo’n partij
kan toch niet bestaan! Hoe slecht ik ook over de menschen denk, kan ik
niet gelooven dat zij zoo onzinnig zijn! Er mogen welligt eenige
heethoofden onder de Roomschen zijn, door de priesters opgehitst om
zich in deze wanhopige zaak te wikkelen; maar dat Protestanten, die
leden zijn van de Engelsche kerk, zulke afvalligen, zulke
zelfmoordenaren zouden willen zijn;—neen, neen, jong mensch, hoe
onbekend ik ook ben met al wat in de laatste dertig jaren in de wereld
voorgevallen is, laat ik me toch niet foppen om zulk een dwaas verhaal
te gelooven;—ja, ja, ik zie, dat gij met mijne onwetendheid den spot
drijft!”
„Zou het mogelijk zijn,” hernam Jones, „dat gij zoo zeer afgezonderd
geleefd hebt, dat het u onbekend is, dat er sedert dien tijd twee
opstanden zijn geweest ten gunste van den zoon van koning Jakobus, en
dat er één van nog woedt in het hart van het rijk?”
Bij deze woorden sprong de oude heer op en bezwoer Jones, op de meest
plegtige wijze, in ’s Hemels naam, te zeggen of hetgeen hij verteld had
werkelijk waar was. Toen de andere dit plegtig verzekerd had, liep hij
eenige malen heen en weer door de kamer, terwijl hij het stilzwijgen
bewaarde; daarop schreide en lachte hij beurtelings en eindelijk viel
hij op de knieën en dankte God met luider stemme, in een plegtig gebed,
dat hij hem verlost had van allen omgang met de menschen, die tot zulke
monsterachtige buitensporigheden in staat waren. Jones herinnerde er
hem nu aan, dat hij zijn verhaal afgebroken had, en de oude man
hervatte:
„Daar de menschheid in de dagen waarvan ik spreek, nog niet die trap
van dolzinnigheid bereikt had, waarop ze nu, naar ik hoor, gekomen is,
en waaraan ik zeker alleen ontsnapt ben door in de afzondering te
leven, ver van de besmetting, kwamen de menschen tamelijk druk op om
Monmouth te ondersteunen, en daar mijne grondbeginselen mij zeer
geneigd maakten om ook die partij te kiezen, besloot ik mij met hem te
vereenigen, en dewijl de heer Watson uit andere beweegredenen hetzelfde
voornemen opvatte,—want de drift van een speler brengt iemand in zulk
een geval even ver als de liefde tot het vaderland,—voorzagen wij ons
spoedig van al wat noodig was en voegden ons bij den hertog te
Bridgewater.
„De ongelukkige uitslag van de onderneming is u, denkelijk, even goed
bekend als mij. Ik vlugtte met den heer Watson van het slagveld van
Sedgemore, waar ik zelf ligt gewond werd. Wij reden bijna veertig
mijlen op den weg naar Exeter, en toen, onze paarden latende loopen,
kropen we verder, zoo goed het ging, door de velden en langs zijwegen,
tot wij eene eenzame hut bereikten op eene heivlakte, waar eene
armoedige oude vrouw de meest mogelijke zorg voor ons droeg, en mijne
wond met een zalfje verbond, waardoor ze spoedig genas.”
„Mag ik u vragen waar die wond was, mijnheer?” vroeg Partridge.
De vreemde vertelde hem dat hij in den arm gekwetst was en hervatte
toen:
„Hier, mijnheer, verliet me Watson den volgenden morgen, ten einde,
gelijk hij voorgaf, wat levensmiddelen voor ons te halen te
Cullumpton;—maar, hoe zal ik het vertellen?—En hoe zult gij het kunnen
gelooven? Deze Watson, deze vriend, deze lage, verraderlijke schurk,
verried me aan eenige ruiters in dienst van koning Jakobus, en leverde
me bij zijne terugkomst in hunne handen.
„De soldaten, zes in getal, grepen me nu en bragten me naar de
gevangenis te Taunton; maar noch mijn toestand onderweg, noch de vrees
van hetgeen me te wachten stond, viel me half zoo zwaar te dragen als
het gezelschap van mijn verraderlijken vriend, die zich overgegeven
hebbende, ook als gevangene beschouwd werd, hoewel men hem beter
behandelde dan ik, daar hij op mijne kosten zijn lot verbeterd had.
„In het begin trachtte hij zijn verraad te verontschuldigen; maar daar
ik hem mijne verachting en verontwaardiging liet blijken, veranderde
hij weldra van toon, schold mij uit als een boosaardigen en
schandelijken rebel, en laadde al zijne schuld op mijne schouders, die,
zoo als hij verklaarde, hem gesmeekt had,—en zelfs bedreigingen had
gebruikt,—om hem de wapenen te doen opvatten tegen zijn koninklijken
heer en meester.
„Deze valsche getuigenis (want hij was werkelijk de ijverigste van ons
beide geweest) trof me tot in het hart, en wekte eene verontwaardiging
bij me op, die naauwelijks te begrijpen is voor iemand die ze zelf niet
gevoeld heeft.
„Eindelijk echter kreeg het noodlot medelijden met mij; want toen wij
eventjes voorbij Wellington gekomen waren, in eene naauwe laan, werden
mijne bewakers verschrikt door een valsch alarm, dat er een vijftigtal
van den vijand aan kwam aanzetten; waarop zij hun heil in de vlugt
zochten en mij en mijn verrader overlieten om hetzelfde te doen. Die
schelm maakte zich ook zoo spoedig mogelijk uit de voeten, tot mijne
vreugde; want hoewel het mij aan wapenen ontbrak, zou ik toch getracht
hebben, om hem te straffen voor zijne laagheid.
„Ik was nu weder in vrijheid en den straatweg verlatende, liep ik het
land in, en trok verder, naauwelijks wetende waarheen, alleen zorg
dragende de groote wegen te vermijden, en alle steden, ja, zelfs de
armste hutten, want ik verbeeldde me dat elk menschelijk wezen een
verrader was.
„Eindelijk, na verscheidene dagen door het land rondgedoold te hebben,
gedurende welken tijd de velden me dezelfde legerstede en hetzelfde
voedsel opleverden, welke de natuur aan onze wilde medeschepselen
aanbiedt, bereikte ik eindelijk deze stille plek, waar de eenzaamheid
en de woestheid van de streek mij deed besluiten mij te vestigen. De
eerste persoon bij wien ik schuilde, was de moeder van deze oude vrouw,
bij wie ik verborgen bleef tot de tijding van de groote omwenteling
mijne vrees voor elk gevaar deed wijken, en mij de gelegenheid
verschafte om nogmaals mijne geboorteplaats te bezoeken en mijne zaken
eenigzins na te gaan, die ik weldra evenzeer naar mijn broeders als
naar mijn eigen zin schikte; want ik liet alles aan hem over waartegen
hij mij de som van duizend pond uitbetaalde en eene lijfrente
verzekerde.
„Zijne houding in dit laatste, even als in alle andere gevallen
tusschen ons, was zelfzuchtig en onedelmoedig. Ik kon hem niet als mijn
vriend beschouwen, en dat wenschte hij ook niet; dus nam ik spoedig
afscheid van hem en van mijne overige kennissen, en van dien dag af tot
heden toe, is mijn leven weinig meer dan ééne leegte geweest.”
„En zou het mogelijk zijn, mijnheer,” vroeg Jones, „dat ge van dien
tijd af hier gewoond hebt?”
„O neen,” hernam de andere; „ik heb veel gereisd en er zijn weinig
landen van Europa, die ik niet bezocht heb.”
„Ik verstout me nu niet dat van u te vergen,” zei Jones; „en dat zou
inderdaad wreed wezen, na al den adem dien ge nu aan mij verspild hebt;
maar vergun me toch later de gelegenheid om eenige van de treffendste
opmerkingen te vernemen, welke iemand van uw verstand en wereldkennis
op zulke lange reizen gemaakt moet hebben.”
„Het zal mij een genoegen wezen, mijnheer,” hernam de andere, „om aan
uwe nieuwsgierigheid op dit punt, voor zoo ver ik kan, te voldoen.”
Jones wilde zich op nieuw verontschuldigen, maar de vreemdeling
voorkwam hem en terwijl hij en Partridge met gretige en ongeduldige
ooren zaten te luisteren, ging de vreemdeling voort, zoo als men in het
volgende hoofdstuk zien zal.