WAARIN EEN DER AARDIGSTE BARBIERS OPTREEDT, DIE OOIT IN EENIGE
GESCHIEDENIS VERMELD WERDEN,—MET INBEGRIP ZELFS VAN DEN BARBIER VAN
BAGDAD EN VAN DIEN IN DON QUICHOT.
De klok had vijf geslagen, toen Jones uit een slaap van zeven uren lang
ontwaakte, zoo verkwikt en zoo volmaakt gezond en wel, dat hij besloot
om op te staan en zich te kleeden; met welk doel hij zijn valies
opende, en schoon linnen en andere kleederen er uithaalde; maar eerst
schoot hij den rok aan, en ging naar beneden om in de keuken iets te
bestellen, om aan de eischen zijner maag, die zich deden gevoelen, te
voldoen.
Zoodra hij de waardin zag, sprak hij haar met de meeste beleefdheid
aan, en vroeg, „wat zij hem te eten kon geven?”
„Te eten?” riep zij. „’t Is een wonderlijk uur van den dag om nog van
eten te spreken! Wij hebben niets klaar in huis en het vuur is haast
uit.”
„Ja, maar,” zeide hij, „iets te eten moet ik toch hebben, en het is me
vrij onverschillig wat; want, om u de waarheid te zeggen, ik had nooit
van mijn leven zoo’n honger.”
„Dan geloof ik wel,” zeide zij, „dat er nog een brok koud gekookt
vleesch is, met wortels, dat u lijken zal.”
„Heerlijk!” riep Jones; „maar ik zou u zeer dankbaar wezen als ge ’t
wildet laten opwarmen.”
Dit beloofde de waardin en voegde met een glimlach er bij: „dat het
haar genoegen deed te zien dat hij zoo volmaakt hersteld was;” want de
goedaardigheid van onzen held was bijna onweerstaanbaar. Bovendien, was
zij in haar hart geene hardvochtige vrouw; maar zij hield zoo veel van
het geld, dat zij alles haatte wat slechts den schijn van armoede had.
Jones ging nu naar zijne kamer terug om zich te kleeden, terwijl zijn
middagmaal gereed gemaakt werd, en op zijn last werd de barbier
gehaald.
Deze barbier, die in de wandeling „de kleine Benjamin” heette, was een
zeer luimig en aardig kereltje, wat hem dikwerf allerlei kleine rampen
berokkend had, zoo als klappen om de ooren, trappen onder zeker
ligchaamsgedeelte, enz.
Want niet iedereen verstaat eene aardigheid, en diegenen die dat doen,
houden er zelden van als zij zelven het voorwerp er van worden. Deze
ondeugd was echter onverbeterlijk bij hem, en hoewel hij het dikwerf
had moeten bezuren, zoodra hij eene grap bedacht, moest hij ze er
uitbrengen, zonder aanzien van persoon, tijd of plaats.
Hij bezat ook nog vele andere zonderlingheden van karakter, die ik niet
vermeld, daar de lezer ze zelf ligt ontdekken zal, als hij nader bekend
wordt met dezen wonderlijken persoon.
Jones, die haast had om klaar te komen, om eene reden, welke men zich
gemakkelijk voorstellen kan, vond dat de barbier zeer langzaam te werk
ging met zijn zeepsop, en smeekte hem met wat meer spoed te werk te
gaan, waarop de andere hernam:
„„Festina lente,” is een spreekwoord, dat ik leerde lang eer ik een
scheermes aanraakte.”
„Zoo, vriendje? Zijt ge een geleerde?” vroeg Jones.
„Maar zoo wat,” zei de barbier. „Non omnia possumus omnes.”
„Alweer Latijn!” riep Jones. „Ik verbeeld me ook zeker dat ge verzen
maakt?”
„Vraag excuus, mijnheer,” hernam de barbier. „Non tanto me dignor
honore.” En daarop tot zijn werk overgaande, vervolgde hij: „Sedert ik
met zeepsop omgegaan heb, mijnheer, heb ik slechts twee redenen kunnen
ontdekken, waarom men zich scheren zou: de eene is om een baard te
krijgen; de andere om den baard kwijt te worden. Ik veronderstel,
mijnheer, dat het niet zoo lang geleden is, dat gij u om de eerste
reden liet scheren. Op mijn woord, dat hebt gij met goed gevolg gedaan;
want men kan wel van uw baard zeggen dat die tondenti gravior is.”
„Ik verbeeld me dat gij een wonderlijke snaak zijt,” zeide Jones.
„Gij vergist u zeer daaromtrent, mijnheer,” hernam de barbier. „Ik houd
maar al te veel van de studie der wijsbegeerte; hinc illae lachrymae!
Dat is mijn ongeluk geweest, mijnheer! Te veel geleerdheid heeft mij te
gronde gerigt.”
„Waarlijk,” zei Jones, „het komt me voor dat ge geleerder zijt, dan men
gewoonlijk ziet bij iemand van uw beroep; maar ik zie niet in hoe dat u
heeft kunnen benadeelen.”
„Helaas, mijnheer,” hernam de barbier; „mijn vader heeft me daarom
onterfd. Hij was dansmeester, en omdat ik vroeger lezen dan dansen kon,
kreeg hij een afkeer van me, en liet elken duit, dien hij had, aan
zijne overige kinderen na.—Verkiest gij, dat ik u de slapen,—maar hola!
Ik vraag excuus; ik verbeeld me daar een hiatus in manuscriptis te
zien! Ik hoorde dat gij te velde gingt trekken; maar dat was zeker eene
vergissing!”
„Waarom denkt ge dat?” vroeg Jones.
„Wel, mijnheer,” antwoordde de barbier, „ge zijt zeker te wijs om met
een gat in uw hoofd daarheen te gaan. Dat zou zijn water naar de zee
brengen.”
„Op mijn woord,” riep Jones, „ge zijt een wonderlijke snaak! Uwe
aardigheden bevallen me zeer; het zal me verheugen als ge na tafel bij
me komen wilt om een glas wijn te drinken. Ik verlang nader kennis met
u te maken.”
„O, mijn waarde heer,” hernam de barbier; „ik kan u eene tienmaal
grootere dienst bewijzen, als ge dat verkiest.”
„Hoe zoo vriend?” vroeg Jones.
„Wel, mijnheer, ik wil wel eene heele flesch met u drinken, als gij
verkiest; want ik houd dol veel van een goedaardig mensch, en als gij
ontdekt hebt, dat ik een komiek mensch ben, zoo heb ik geen verstand
van de gelaatkunde, als gij niet blijkt een der goedaardigste heeren
ter wereld te zijn.”
Jones ging nu, netjes gekleed, naar beneden, en welligt bezat de
schoone Adonis geene bekoorlijker gestalte;—evenwel had hij niets
bekoorlijks voor de waardin, die even weinig van Venus in haar
uiterlijk als in haar smaak had. Gelukkig ware het geweest voor Nancy,
de werkmeid, als zij er even zoo over gedacht had als hare meesteresse;
want het arme meisje werd binnen de vijf minuten zoo hevig verliefd op
Jones, dat die hartstogt haar later menigen zucht kostte. Deze Nancy
was zeer mooi en ook zeer moeijelijk; want zij had al een tapper
geweigerd, en ook een paar jonge pachters uit de buurt; maar de
schitterende oogen van onzen held deden al haar ijs oogenblikkelijk
ontdooijen.
Toen Jones in de keuken kwam, was de tafel nog niet gedekt;—wat ook,
inderdaad, overbodig zou geweest zijn, daar zijn middagmaal in statu
quo was gebleven, even als het vuur om het op te warmen. Deze
teleurstelling zou menig wijsgeerig gemoed in toorn hebben doen
ontvlammen; maar had op Jones die uitwerking niet. Hij deed de waardin
slechts een zacht verwijt, en zeide, „dat daar het zoo moeijelijk was
iets warms te krijgen, hij het ook koud zou gebruiken.”
Hetzij nu de goede vrouw door medelijden of schaamte, of door eenige
andere beweegreden aangedaan was,—dat weet ik niet; maar eerst beknorde
zij hevig hare dienstboden dat zij de bevelen niet opgevolgd hadden,
welke zij hun niet gegeven had, en daarop, na den knecht gelast te
hebben de tafel te dekken in „de zon,” ging zij in goeden ernst aan het
werk, dat ook spoedig verrigt werd.
„De zon,” waarheen Jones nu gebragt werd, had waarlijk den naam, even
als lucus à non lucendo; want het was een vertrek waar naauwelijks ooit
de zon schijnen kon. Het was inderdaad, de slechtste kamer in het
huis,—en dat was geen geluk voor Jones. Evenwel, hij had nu te veel
honger om over wat ook te knorren; maar eens zijn eetlust verzadigd
hebbende, beval hij den knecht eene flesch wijn op eene betere kamer te
brengen, en drukte eenige verontwaardiging uit, dat men hem in zulk een
hok gebragt had.
De knecht gehoorzaamde aan zijne bevelen, en na eenigen tijd gezeten te
hebben, kwam de barbier bij hem, die hem niet zoo lang zou hebben laten
wachten, als hij niet in de keuken had moeten luisteren naar de
waardin, die een kring waardoor zij omgeven was, onthaalde op de
geschiedenis van den armen Jones, welke zij gedeeltelijk van zijne
eigene lippen vernomen en gedeeltelijk zelve bedacht had. Want zij
zeide, dat hij een arme dorpsjongen was, die in het huis van den heer
Allworthy verpleegd en tot leerjongen groot gebragt werd, en nu, wegens
zijne wanbedrijven, de deur uitgezet was,—gedeeltelijk omdat hij het
hof gemaakt had aan zijne jonge meesteresse, en waarschijnlijk ook
omdat hij iets gestolen had;—want anders, hoe zou hij aan het weinige
geld komen dat hij had?—„En dit is nu iemand, dien gij een mijnheer
noemt!”
„Uit het huis van den heer Allworthy?” vroeg de barbier. „En hoe heet
hij?”
„Wel, hij vertelde me, dat hij Jones heette,” zeide zij: „misschien is
dat slechts een aangenomen naam. Want hij vertelde me ook dat die
mijnheer hem als zijn eigen zoon groot gebragt had, hoewel hij nu boos
op hem was.”
„Als hij Jones heet, heeft hij u de waarheid verteld,” zei de barbier;
„want ik heb betrekkingen in die streken;—en sommige menschen zeggen,
dat hij zelfs Allworthy’s zoon is.”
„Waarom draagt hij dan niet zijns vaders naam?”
„Dat weet ik niet,” hernam de barbier; „er zijn vele menschen die hun
vaders naam niet voeren.”
„Wel,” antwoordde de waardin, „als ik dacht dat hij de zoon was van een
mijnheer, al ware hij ook een onecht kind, ik zou hem heel anders
behandelen; want vele van die bastaarden worden groote lui op den duur,
en zoo als mijn eerste man plagt te zeggen: men moet nooit een klant,
die fatsoenlijk man is, beleedigen.”