WAARIN DE HEELMEESTER TEN TWEEDENMALE OPTREEDT.

Eer wij verder gaan, is het noodzakelijk den lezer te melden, opdat hij

zich niet vergisse en geloove dat de waardin meer wist dan werkelijk

het geval was,—of zich verwondere dat zij zoo veel wist,—dat de

luitenant haar gezegd had dat de naam van Sophia aanleiding tot den

twist had gegeven, en wat het overige aangaat van al hetgeen haar

bekend was, zal de verstandige lezer uit het vorige tooneel opgemerkt

hebben hoe zij er aan kwam. Veel nieuwsgierigheid was inderdaad met

hare deugden vermengd, en zij liet nooit gaarne iemand uit haar huis

vertrekken, zonder zoo veel mogelijk omtrent naam, familie en vermogen

van den gast ingelicht te zijn.

Zoodra zij weg was, begon Jones (in plaats van haar gedrag af te

keuren), zich te herinneren dat hij op hetzelfde bed lag, waar zijne

lieve Sophia ook gelegen had. Dit wekte duizenderlei teedere en

aandoenlijke gedachten bij hem op, waarover wij langer uitweiden

zouden, als wij niet overtuigd waren dat slechts zeer weinige minnaren

zoo als hij er een was, onder onze lezers zullen gevonden worden.

Toen de heelmeester kwam om zijne wond te verbinden, vond hij hem in

dezen toestand, en na onderzoek, opgemerkt hebbende dat zijn pols snel

sloeg en dat hij niet geslapen had, verklaarde hij dat de zieke zich in

groot gevaar bevond,—wat hij wilde tegengaan door eene

aderlating,—waaraan zich Jones echter niet onderwerpen wilde, daar hij

verklaarde geen bloed meer te willen verliezen;—en „Dokter,” zeide hij,

„als gij zoo goed wilt wezen mijn hoofd te verbinden, twijfel ik niet

dat het over een dag of wat geheel genezen zal zijn.”

„Ik wilde wel dat ik u de verzekering kon geven dat het binnen een paar

maanden beter zal zijn,” hernam de heelmeester. „Wel! De menschen

genezen waarlijk niet zoo spoedig van zulke kneuzingen. En, mijnheer,

op mijn leeftijd, behoef ik niet van mijne patienten te leeren wat goed

voor hen is en sta er bepaaldelijk op u eene aderlating te doen eer ik

de wond verbind.”

Jones hield stijfhoofdig vol met zijne weigering en de dokter gaf

eindelijk toe, hem tevens vertellende, dat hij voor de nadeelige

gevolgen niet instaan kon, en hoopte dat hij hem het regt zou doen van

te bekennen dat hij hem goeden raad gegeven had;—wat de zieke volgaarne

beloofde.

De dokter ging nu naar de keuken, waar hij zich tot de waardin wendde

en bitter klaagde over het wederspannige gedrag van den zieke, die,

hoewel hij de koorts had, van geene aderlating hooren wilde.

„Als hij de koorts heeft, dan is het een eetkoorts,” zei de waardin,

„want hij heeft heden morgen aan ’t ontbijt twee groote dikke sneden

geroosterd brood, vet gesmeerd, verslonden.”

„Dat is best mogelijk,” hernam de dokter. „Ik heb meer menschen gekend,

die de koorts hadden en toch aten;—en dat is zeer gemakkelijk te

verklaren;—want het zuur, verwekt door de koortsachtige stoffen, kan de

zenuwen van het middenrif prikkelen en daardoor eene graagte opwekken,

welke gemakkelijk verward wordt met natuurlijken eetlust;—maar het

voedsel zal niet geconcreteerd, noch opgenomen worden door de

maagsappen, en zoodoende zal het in de openingen van de bloedvaatjes

ontsteking veroorzaken en de koortsachtige verschijnselen doen

vermeerderen. Wezenlijk, ik houd het er voor dat die mijnheer in een

zeer gevaarlijken toestand verkeert,—en als ik hem niet aderlaat, vrees

ik dat hij sterven zal.”

„Iedereen moet op zijn tijd sterven,” hernam de goede vrouw, „en dat

zijn mijne zaken niet. Ge zoudt toch niet willen, dokter, dat ik hem

vasthield terwijl gij hem aderlaat?—Maar, hoor eens, ik moet u een

woordje in vertrouwen zeggen:—ik zou u aanraden, eer ge te ver gaat, te

vragen wie u betalen zal?”

„Betalen?” riep de dokter, verschrikt. „Wel! Ik heb een fatsoenlijk man

onder mijne behandeling—niet waar?”

„Dat verbeeldde ik me ook,” zei de waardin. „Maar, zoo als mijn eerste

man plagt te zeggen: „De schijn bedriegt” Ik verzeker u dat hij een

ellendige bedelaar is. Evenwel, verzoek ik u niet te laten uitlekken

dat ik u iets van deze zaak verteld heb;—maar ik ben van meening, dat

menschen, die zaken doen, elkaar omtrent dergelijke dingen moeten

inlichten.”

„En,” riep de dokter in groote drift, „ik heb me door zoo’n kerel de

les laten lezen! Zou ik me in mijn praktijk laten beleedigen door een

mensch die me niet betalen kan! Ik ben blijde dat ik deze ontdekking

bij tijds gedaan heb. Ik wil nu wel eens zien of hij van eene

aderlating hooren wil of niet!”

Hij liep hierop onmiddellijk de trap op, rukte de deur van de

slaapkamer met geweld open, wekte den armen Jones uit een gezonden

slaap, waarin hij pas geraakt was—en nog erger uit een heerlijken droom

van Sophia.

„Zal ik u aderlaten of niet?” riep de dokter woedend.

„Ik heb u al mijn besluit medegedeeld,” hernam Jones, „en ik wenschte

maar van harte dat gij in mijn antwoord berust hadt; want ge hebt me

uit den heerlijksten slaap gewekt, dien ik ooit genoten heb.”

„Ja, ja,” riep de dokter; „menigeen is zoo de eeuwigheid ingedommeld.

De slaap is niet altijd goed;—evenmin als voedsel;—maar let er op, dat

ik u voor de laatste keer vraag, of ik u aderlaten zal of niet?”

„Ik zeg u voor de laatste keer, neen!” hernam Jones.

„Dan wasch ik mijne handen in onschuld,” zei de dokter, „en verzoek u

slechts mij de moeite te vergoeden, die ik reeds gehad heb. Twee

reizen, ieder tegen vijf shillings; twee verbanden, ieder ook vijf

shillings, en een daalder voor de aderlating.”

„Ik hoop toch,” zei Jones, „dat gij mij in dezen toestand niet verlaten

zult?”

„Dat zal ik zeker doen!” hernam de andere.

„Dan,” riep Jones, „hebt ge me zoo gemeen mogelijk behandeld, en ik zal

u geen duit betalen.”

„Best!” gilde de dokter. „’t Is bij tijds gewaarschuwd! Hoe drommel

kwam de waardin er toe, mij bij zulk een landlooper te laten komen?”

Met deze woorden stoof hij de kamer uit, en de zieke zich omkeerende,

geraakte spoedig weder in slaap; maar zijn droom keerde ongelukkig niet

weer.

Tom Jones · 第 138 / 340 题