EEN VREEMD BESLUIT VAN SOPHIA EN EENE NOG VREEMDER LIST VAN JUFVROUW
HONOUR.
Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was,
bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid
te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te
kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws
hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse,
vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te
voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer
gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.
Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar
binnentreden.
„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t
Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van
hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al
mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat
onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook
gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur
zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen
als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en
u doen schrikken ook—”
„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van
woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu
verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”
„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde
praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden
namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”
Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”
„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik
mijnheer dat hoorde zeggen.”
„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat
ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen
verschrikkelijken nood doen?”
„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam
Honour.
„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg
maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”
„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu
van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen
beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt
om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er
geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer
Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”
„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.
„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—Maar ’t is waar, wat
de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval
met ons vrouwen.”
„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan te onderwerpen om dien
ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”
„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen
schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te
zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk
toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een
paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven
worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij
spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan
de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven,
want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te
doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord.
Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert
en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er
bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad
dan zekere menschen aanraken,—”
Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om
veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare
kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden,
terwijl zij zeide:
„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns
vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo
lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”
„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour;
„maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te
overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid
kunnen gaan?”
„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene
aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd
heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid
behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante
ernstig smeekte mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand
is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik
twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”
„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour;
„want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer
dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij
kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze
dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich
verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen
zijt,—”
„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel
eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op
aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat
te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een
dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende
echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus
twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn
vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft,
naar rede zal willen luisteren.”
„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier
te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat
uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht
zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de
stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te
brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”
„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur
uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten
sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond
gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam
gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven,
dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te
ontloopen.”
„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij
denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te
loopen?”
„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te
vergezellen.”
„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door
volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal
niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u
aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en
zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien,
vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker
dood vriezen zouden.”
„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te
gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen
tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool
medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”
„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik
aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou
liever alles laten begaan, dan dat!”
„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool
op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”
„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets,
vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze
broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er
zoo vele ongelukken van.”
„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe
eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden
nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op
weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te
gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u
daarvoor te beloonen.”
Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande;
en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar
verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen
zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.
Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op, en dit was het
wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij
de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen
van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle
moeijelijkheden zeer weinig geteld.
Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij
ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te
ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen,
waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk
verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden,
of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas
gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere
even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te
laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in
zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.
De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild
te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te
brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te
redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen
uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer
of het uitvoerbaar zou zijn.
„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij
dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te
verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij
dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er
moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de
dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw
bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik
me heden namiddag de deur laat uitzetten.”
Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia
bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof,
daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman
gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven
te redden.