HOOFDSTUK VII.

EEN VREEMD BESLUIT VAN SOPHIA EN EENE NOG VREEMDER LIST VAN JUFVROUW

HONOUR.

Hoewel jufvrouw Honour voornamelijk op haar eigen belang gesteld was,

bleef zij niet zonder eenige weinige liefde tot Sophia. Om de waarheid

te zeggen, was het zeer moeijelijk voor iemand om die jonge dame te

kennen zonder haar lief te hebben. Zoodra zij dus het groote nieuws

hoorde, dat zij van zoo veel gewigt achtte voor hare meesteresse,

vergat zij den toorn, welke bij haar ontstaan was een paar dagen te

voren, toen zij zoo zonder complimenten door Sophia uit de kamer

gezonden werd, en haastte zich om haar de tijding mede te deelen.

Het begin van hare redevoering was even onverwacht als haar

binnentreden.

„O mijne lieve jufvrouw!” riep zij, „zoudt gij het kunnen gelooven? ’t

Is waar, het heeft mij een schrik gegeven, daar ik nog niet van

hersteld ben,—en toch hield ik het voor pligt om het u te zeggen, al

mogt gij er boos om worden; want wij dienstboden weten niet altijd wat

onze meesters behagen zal of niet; en, dat is zeker, wat er ook

gebeure, dat wordt ons ten laste gelegd! Als onze dames uit haar humeur

zijn, knorren zij op ons,—en het is waar,—het zou mij niet verwonderen

als gij nu uit uw humeur kwaamt,—want verrassen zal het u zeker,—ja, en

u doen schrikken ook—”

„Mijne goede Honour,” zei Sophia, „laat me het zonder meer omhaal van

woorden weten. Ik verzeker u dat er slechts weinig is, dat me nu

verrassen, en nog minder dat mij verschrikken kan!”

„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verbeeld u dat ik mijnheer hoorde

praten met dominé Supple over het klaarmaken van de papieren heden

namiddag, ten einde u morgen vroeg te doen trouwen!”

Sophia verbleekte bij deze woorden en herhaalde: „Morgen vroeg?”

„Ja, jufvrouw,” zei de trouwe dienstmeid, „ik wil er op sterven, dat ik

mijnheer dat hoorde zeggen.”

„Honour,” riep Sophia, „ge hebt me zoodanig verschrikt en verrast, dat

ik naauwelijks spreken of denken kan! Wat moet ik in dezen

verschrikkelijken nood doen?”

„Ik wilde maar dat ik in staat was u goeden raad te geven,” hernam

Honour.

„O geef me toch raad,” riep Sophia; „lieve Honour, help me toch! zeg

maar wat ge doen zoudt als gij in dit geval waart!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” hernam Honour, „ik wilde maar dat gij en ik nu

van plaats ruilen konden; dat is, zonder de jufvrouw te willen

beleedigen; want natuurlijk ik wenschte niet dat gij u vernederen zoudt

om dienstbode te worden; maar, omdat als de zaak mij aanging, ik er

geen bezwaar in zou vinden; want, naar mijn gevoelen, is mijnheer

Blifil een allerliefst lief, bekoorlijk, schoon jong mensch,—”

„Zwijg toch met dien onzin!” riep Sophia.

„Onzin!” herhaalde Honour, „daar hebt ge het al!—Maar ’t is waar, wat

de eene graag lust is vergif voor den andere,—en dat is ook het geval

met ons vrouwen.”

„Honour,” zei Sophia, „eerder dan mij er aan te onderwerpen om dien

ellendeling te trouwen, zou ik me een dolk door het hart stooten!”

„Mijn hemel, jufvrouw,” hernam de andere, „gij jaagt me een mooijen

schrik aan! Laat me u smeeken u zulke booze gedachten uit het hoofd te

zetten! Mijn tijd! Ik beef aan alle ledematen! Lieve jufvrouw, bedenk

toch,—men zou u eene christelijke begrafenis weigeren;—uw lijk, met een

paal er door heen, zou langs den kant van een sloot begraven

worden,—even als met den boer Halfpenny geschiedde, te Ox Cross,—en hij

spookt er nog altijd;—vele menschen hebben hem daar gezien. Zeker kan

de Satan, en niemand anders, een mensch zulke booze gedachten ingeven,

want het is waarlijk minder boos om alle menschen ter wereld kwaad te

doen, dan zich zelven,—en dat heb ik dikwijls van den dominé gehoord.

Als gij, jufvrouw, zulk een hevigen afkeer van den jongen heer koestert

en er niet aan denken kunt hem tot man te nemen;—want, het is waar, er

bestaan dergelijke antipathiën in de natuur, en men zou liever een pad

dan zekere menschen aanraken,—”

Sophia was al te zeer in hare eigene gedachten verdiept geweest, om

veel acht te slaan op bovenstaande uitnemende redevoering van hare

kamenier, en viel haar dus nu in de rede, zonder er op te antwoorden,

terwijl zij zeide:

„Honour, ik heb een besluit genomen. Ik heb me vast voorgenomen mijns

vaders huis heden nacht te verlaten, en als het waar is, dat ge me zoo

lief hebt als ge dikwerf gezegd hebt, zult ge me wel vergezellen.”

„Ik zal u tot het einde der wereld volgen, jufvrouw,” hernam Honour;

„maar ik bid u wel de gevolgen eener zoo vermetele handeling te

overwegen eer het te laat is. Waarheen zoudt gij toch bij mogelijkheid

kunnen gaan?”

„Er woont in Londen,” zei Sophia, „eene dame van aanzien, eene

aanverwante van mij, die eenige maanden bij tante buiten gelogeerd

heeft, gedurende welken tijd zij mij met de meeste vriendelijkheid

behandelde, en zooveel genoegen vond in mijn omgang, dat zij tante

ernstig smeekte mij met haar naar Londen te laten gaan. Daar het iemand

is van hoogen stand, zal ik haar gemakkelijk weten te vinden, en ik

twijfel er niet aan, dat zij mij goed en liefderijk ontvangen zal.”

„Daar zou ik niet te veel op rekenen, jufvrouw,” antwoordde Honour;

„want de eerste dame bij wie ik diende, was gewoon om de menschen zeer

dringend bij zich te noodigen; maar als zij later hoorde dat zij

kwamen, zorgde zij altijd niet te huis te zijn. Bovendien, hoewel deze

dame zeker blijde zou zijn de jufvrouw te zien,—zooals iedereen zich

verheugen zou u te zien,—evenwel, als zij hoort dat gij weggeloopen

zijt,—”

„Ge vergist u, Honour,” zei Sophia; „zij heeft lang niet zooveel

eerbied voor het vaderlijk gezag als ik; want zij drong er hevig op

aan, dat ik haar naar Londen zou vergezellen, en toen ik weigerde dat

te doen zonder vaders toestemming, lachte zij om mij en noemde me een

dwaas landmeisje, en zeide dat ik zeker eene trouwe, liefhebbende

echtgenoote zou worden, omdat ik zulk eene gehoorzame dochter was. Dus

twijfel ik niet dat zij me ontvangen en beschermen zal, totdat mijn

vader, als hij eens ziet, dat hij mij niet meer in zijne magt heeft,

naar rede zal willen luisteren.”

„Maar, jufvrouw,” antwoordde Honour, „op welke wijze denkt gij van hier

te ontsnappen? Van waar zult gij paarden of rijtuig krijgen? Want, wat

uw eigen paard betreft, daar al de dienstboden meer of minder ingelicht

zijn omtrent hetgeen er gaande is tusschen u en mijnheer, zou de

stalknecht zich liever laten doodslaan, dan uw paard uit de stal te

brengen zonder bepaalden last van mijnheer.”

„Ik ben voornemens te ontsnappen,” zei Sophia, „door eenvoudig de deur

uit te gaan zoodra die openstaat. Ik dank den hemel dat mijne voeten

sterk genoeg zijn om mij te dragen. Ze hebben me menigen langen avond

gedragen,—na overdag gereden te hebben, als ik in geen zeer aangenaam

gezelschap heb moeten dansen,—en zeker zullen ze me nu niet begeven,

dat ik zulk verachtelijk gezelschap voor het geheele leven tracht te

ontloopen.”

„Mijn hemel!” riep Honour, „weet de jufvrouw wel wat zij zegt? Gij

denkt er toch niet aan, des nachts en alleen door het land rond te

loopen?”

„Neen, niet alleen,” hernam de dame, „Gij hebt immers beloofd mij te

vergezellen.”

„Wel zeker,” riep Honour; „ik wil de jufvrouw wel de heele wereld door

volgen; maar gij zoudt bijna even goed alleen kunnen wezen; want ik zal

niet in staat zijn u te verdedigen, als roovers of ander gespuis u

aanvallen.—Neen! ik zou even benaauwd zijn als de jufvrouw zelve,—en

zij zouden ons beide kunnen verkrachten,—dat is zeker. Bovendien,

vergeet niet, jufvrouw, hoe koud het nu ’s nachts is, en dat wij zeker

dood vriezen zouden.”

„Een flinke stap,” hernam Sophia, „zal ons beletten de koude te

gevoelen, en als gij buiten staat zijt, Honour, om mij te verdedigen

tegen een schurk, dan zal ik u beschermen; want ik zal een pistool

medenemen. Er hangen er altijd twee, geladen, in den gang.”

„Lieve jufvrouw!” riep Honour; „gij jaagt me hoe langer hoe meer schrik

aan! Gij zoudt het toch niet wagen een pistool af te schieten? Ik zou

liever alles laten begaan, dan dat!”

„Hoe?” zei Sophia, met een glimlach, „zoudt gij, Honour, geen pistool

op iemand losbranden, die uwe eer aanrandde?”

„’t Is waar, jufvrouw,” hernam Honour, „de eer is een kostelijk iets,

vooral voor ons, arme dienstboden; want ze is zoo te zeggen, onze

broodwinning;—maar ik ben doodelijk bang voor vuurwapenen;—men hoort er

zoo vele ongelukken van.”

„Nu, nu,” antwoordde Sophia, „ik geloof, zonder groot gevaar, voor uwe

eer te kunnen instaan;—en zelfs zonder wapens; want ik zal paarden

nemen in de eerste stad die wij bereiken, en men zal ons wel niet op

weg daarheen aanranden. Hoor eens, Honour; ik heb vast besloten te

gaan, en als ge me vergezellen wilt, beloof ik u mijn best te doen om u

daarvoor te beloonen.”

Deze laatste belofte werkte meer uit op Honour dan al het voorafgaande;

en daar zij hare meesteresse aldus besloten zag, hield zij op met haar

verder tegen te spreken. Zij begonnen nu te overleggen welke middelen

zij gebruiken moesten om haar plan ten uitvoer te brengen.

Hierbij deed zich dadelijk een zeer groot bezwaar op, en dit was het

wegbrengen harer zaken;—een bezwaar dat minder woog bij de dame dan bij

de kamenier;—want als eene vrouw eens besloten heeft zich in de armen

van een minnaar te werpen, of om hem te ontloopen, worden alle

moeijelijkheden zeer weinig geteld.

Maar Honour was door geene beweegredenen van dezen aard bezield; zij

ging geen liefde-geluk te gemoet, en had ook niemand te

ontloopen;—buiten en behalve de wezenlijke waarde harer kleederen,

waaruit haar vermogen grootendeels bestond, was zij hartstogtelijk

verzot op sommige japonnetjes, omdat zij haar bijzonder goed stonden,

of haar door den een of anderen gegeven waren, of omdat zij ze pas

gekocht had, of omdat zij ze al zoo lang gehad had;—of om eenige andere

even geldige reden, zoodat zij er niet aan denken kon ze achter te

laten aan de genade van Western, die, zooals zij stellig verwachtte, in

zijne woede ze tot zijne slagtoffers zou maken.

De slimme jufvrouw Honour echter, na al hare welsprekendheid verspild

te hebben in de poging om hare meesteresse van haar voornemen af te

brengen, bedacht nu eindelijk de volgende list om hare kleederen te

redden. Zij wilde zich namelijk reeds dien avond de deur doen

uitzetten. Sophia keurde dit plan dadelijk goed; maar betwijfelde zeer

of het uitvoerbaar zou zijn.

„O, jufvrouw,” zei Honour, „dat kunt gij gerust aan mij overlaten. Wij

dienstboden weten best hoe die gunst van onze heeren en dames te

verkrijgen; hoewel, soms, als zij ons meer loon schuldig zijn, dan zij

dadelijk betalen kunnen, zij al onze beleedigingen verdragen, en er

moeijelijk toe gebragt kunnen worden om te verstaan als wij hun de

dienst opzeggen;—maar zóó is mijnheer niet, en daar de jufvrouw

bepaaldelijk heden avond vertrekken wil, sta ik u er borg voor, dat ik

me heden namiddag de deur laat uitzetten.”

Zij spraken nu af dat zij wat linnengoed en een nachttoilet voor Sophia

bij hare eigene zaken zou inpakken;—en wat hare overige kleeren betrof,

daarvan zag de jonge dame af, met even weinig berouw als de zeeman

gevoelt, wanneer hij vreemd goed over boord werpt, om zijn eigen leven

te redden.

Tom Jones · 第 120 / 340 题