BEVATTENDE ALLERLEI.

De landjonker haalde zijne zuster in op het oogenblik, dat zij in het

rijtuig wilde klimmen, en gedeeltelijk met geweld, gedeeltelijk door

smeekingen, bragt hij haar er toe om de paarden weder te doen

afspannen. Dit gelukte hem zonder veel moeite; want, gelijk wij reeds

te kennen gegeven hebben, was de dame van zeer vreedzamen aard, en

hield zij ook veel van haar broeder, hoewel zij zijne geestvermogens,

of liever zijne geringe wereldkennis, verachtte.

De arme Sophia, die deze verzoening eigenlijk bewerkt had, werd er nu

het slagtoffer van. Beiden kwamen overeen om haar gedrag te berispen;

zij verklaarden haar gezamenlijk den oorlog en belegden dadelijk een

raad, om maatregelen van de grootste kracht te beramen. Met dit doel

stelde mejufvrouw Western voor, niet slechts om het contract met

Allworthy dadelijk te sluiten, maar ook onmiddellijk de bepalingen er

van te doen uitvoeren. Zij zeide tevens, „dat men alleen door

gewelddadige middelen met hare nicht zou kunnen slagen, aan welke zij

overtuigd was dat Sophia te zwak was om wederstand te bieden. Door

geweld,” voegde zij er bij, „bedoel ik eigenlijk spoed;—want, wat

opsluiting of bepaald dwang betreft, zoo iets moet volstrekt niet

beproefd worden. Ons plan moet eene verrassing en geene bestorming

zijn.”

Dit was dus alles afgesproken, toen de heer Blifil verscheen om zijne

opwachting bij zijne beminde te maken. Zoodra de landjonker zijne komst

vernam, verwijderde hij zich, op raad zijner zuster, om zijne dochter

te bevelen haren aanstaande op eene betamelijke wijze te ontvangen, wat

hij ook deed, met de hevigste bedreigingen en verwenschingen, toen zij

dit weigerde.

Deze onstuimigheid van den landjonker maakte echter een einde aan allen

tegenstand, en Sophia, zooals hare tante zeer wijsselijk voorzag, was

niet in staat hem het hoofd te bieden. Zij stemde er dus in toe om

Blifil te ontvangen, hoewel haar naauwelijks kracht of moed genoeg

overbleef, om die woorden er uit te brengen. En wezenlijk, het was

geene gemakkelijke taak voor haar, om een vader, dien zij zoo teeder

beminde, iets te weigeren. Zonder deze bedenking, zou zij zich welligt

hebben kunnen redden met veel minder vastberadenheid, dan zij wezenlijk

bezat;—maar het is niets ongewoons daden, die grootendeels door liefde

ingegeven worden, geheel en al aan vrees te zien toeschrijven.

Ten gevolge dus van de bepaalde bevelen van haar vader, moest Sophia nu

den heer Blifil ontvangen. Wij hebben opgemerkt dat tooneelen van dezen

aard, als ze zeer uitvoerig beschreven worden, den lezer slechts weinig

vermaak opleveren, en wij zullen ons dus bij deze gelegenheid streng

houden aan den regel van Horatius, die den schrijver den raad geeft om

alles over te slaan, wat hij geene kans ziet in een helder licht te

doen uitkomen. Een regel, naar wij ons verbeelden, die uitmuntend is,

evenzeer voor den geschiedschrijver als den dichter, en die, als men er

nooit van afweek, ten minste één heerlijk gevolg zou hebben, namelijk

dat menig groot kwaad (zoo als elk dik boek wel eens heet), tot een

klein kwaad teruggebragt zou worden.

Het is mogelijk dat de list, door Blifil bij deze bijeenkomst ten toon

gespreid, Sophia overgehaald zou hebben bij een anderen man in zijne

omstandigheden, om hem tot haar vertrouweling te maken, en haar hart

voor hem open te leggen. Maar zij had zulk een ongunstig denkbeeld

omtrent dezen jongeling opgevat, dat zij vast besloten had geen

vertrouwen in hem te stellen;—want als de eenvoudigheid eens op hare

hoede is, is die dikwerf tegen alle list bestand. Hare houding

tegenover hem was dus zeer gedwongen en inderdaad van dien aard, welken

men gewoonlijk bij eene jonge dame eischt, bij het tweede deftige

bezoek van iemand, die tot haar aanstaanden echtgenoot bestemd is.

Maar ofschoon Blifil tegen haar vader verklaarde dat hij zeer tevreden

was over zijne ontvangst,—was echter die heer, die door zijne zuster

vergezeld, alles afgeluisterd had wat er voorgevallen was, niet zoo

zeer in zijn schik. Hij besloot dan, op raad van die wijze dame, om de

zaken zooveel mogelijk te verhaasten, en zich tot zijn aanstaanden

schoonzoon wendende, sprak hij hem, na een luid, hola! in zijne

jagerstaal, op de volgende wijze aan:

„Ks! ks! mijn jongen! Zit haar achterna! Ks! ks! Pak maar! Ks! ks! Vat

maar aan! Wees niet bang! Pak maar aan! Allworthy en ik kunnen heden

namiddag alles regelen en morgen zal het huwelijk zijn!”

Blifil riep eene uitdrukking van de meeste voldoening op zijn gelaat en

hernam:

„Daar er niets ter wereld is, mijnheer, dat ik meer begeer dan eene

verbindtenis met uwe familie, en mijn huwelijk met de beminnelijke en

deugdzame Sophia, kunt gij u gemakkelijk verbeelden, hoe ongeduldig ik

uitzie naar de verwezenlijking mijner twee dierbaarste wenschen. Zoo ik

u dus op dit punt niet lastig gevallen ben, wil dat alleen toeschrijven

aan mijne vrees van de dame te beleedigen, door te trachten zulk eene

gelukkige gebeurtenis eerder door te drijven dan voegen zou met de

strengste voorschriften der betamelijkheid en welvoegelijkheid. Maar,

als men door uw invloed, mijnheer, haar overhalen kon eenige

formaliteiten te—”

„Formaliteiten. Wat drommel!” riep de landjonker, „allemaal gekheid en

onzin! Ik zeg je, dat zij jou morgen trouwen zal. Als ge zoo oud zijt

als ik, zult ge de wereld beter kennen. De vrouwen zeggen nooit ja,

jongen, als zij het laten kunnen. Dat is zoo de mode. Als ik op hare

moeders toestemming had gewacht, was ik heden ten dage nog jonggezel!

Toegetast maar! Toegetast maar, mijn jongen! Daar komt het op aan! Ik

zeg, dat gij haar morgen hebben zult!”

Blifil liet zich overtuigen door de krachtige redenatiën van den

landjonker, en daar men overeen kwam, dat Western dienzelfden namiddag

alles met Allworthy regelen zou, ging de minnaar huiswaarts, na zeer

ernstig gesmeekt te hebben, dat men de dame met deze overhaasting

volstrekt geen geweld zou aandoen,—ongeveer op dezelfde wijze als een

Inquisiteur de wereldsche autoriteiten smeekt volstrekt geen geweld te

gebruiken tegen den leek, die aan haar overgeleverd wordt, nadat de

kerk hem gevonnisd heeft.

En, om de waarheid niet te verbloemen, Blifil had het vonnis over

Sophia uitgesproken; want ofschoon hij zich aan Western volmaakt

tevreden verklaarde met zijne ontvangst, was hij eigenlijk van niets

overtuigd, dan dat hij het voorwerp van den haat en der verachting der

dame was, en dit had geen minderen haat en verachting bij hem opgewekt.

Men zal welligt vragen, waarom hij dan in dit geval niet onmiddellijk

een einde maakte aan hunne vrijaadje, en ik antwoord, dat het juist om

die reden was, en om verscheidene anderen, die even deugdelijk waren,

en welke ik nu uitleggen zal.

Hoewel mijnheer Blifil niet van hetzelfde gestel was als Jones, gereed

om iedere vrouw, die hij zag, aan te vliegen, was hij echter ver van

ontbloot te zijn van die driften, welke, naar men zegt, aan alle dieren

eigen zijn. Daarbij bezat hij dien geest van onderscheid, welke de

menschen in het voorwerp hunner keuze leidt, als zij aan hunne lusten

willen voldoen, en deze leerde hem Sophia te beschouwen als een

heerlijk brokje, en voor haar bezield te zijn met dezelfde gevoelens

waarmede een lekkerbek een ortolaan aanziet. En de kwellingen welke

Sophia’s hart ontroerden, verhoogden hare schoonheid eerder dan dat zij

ze verminderden; want de tranen maakten hare oogen nog schitterender en

haar boezem golfde van hare zuchten. Werkelijk ook, heeft niemand de

schoonheid in haren grootsten luister gezien, als hij haar niet in het

ongeluk gezien heeft. Blifil bekeek dus nu deze menschelijke ortolaan

met meer verlangen dan toen hij haar de laatste keer gezien had; en

zijne begeerte werd volstrekt niet verminderd door den afkeer welken

zij voor hem aan den dag legde. In tegendeel, dit diende eerder om het

genot te verhoogen dat hij zich voorstelde van haar bezit, daar de

wellust door de overwinning verhoogd zou worden;—ja, hij had zelfs nog

andere oogmerken met zijn wensch om haar te bezitten, die wij te zeer

verfoeijen om ze zelfs te noemen, en onder de genoegens, welke hij zich

voorspiegelde, nam ook de wraak hare plaats in. Den armen Jones te

verdringen en hem uit haar hart te bannen, was nog een spoorslag voor

hem, en beloofde zijn genot ten hoogsten top te voeren.

Behalve deze plannen, welke sommige naauwgezette menschen wat al te

kwaadaardig zullen vinden, had hij ook iets anders op het oog, dat zeer

weinige mijner lezers met groote afkeuring zullen vernemen. En dit was

het vermogen van den heer Western, dat op zijne dochter en hare

kinderen gevestigd zou zijn; want zoo buitensporig was deze dwaze vader

in zijne liefde, dat mits zijn kind slechts daarin toestemde om een

ellendig leven te leiden met den echtgenoot zijner keuze, hij er niet

om gaf hoe duur die hem te staan kwam.

Om deze redenen verlangde de heer Blifil zoo zeer naar het huwelijk,

dat hij zich voornam om Sophia te bedriegen, door haar in den waan te

brengen dat hij haar beminde, en om haar vader en zijn eigen oom te

misleiden door voor te geven dat hij door haar bemind werd. Tot dit

einde maakte hij gebruik van de leer van den heer Thwackum, die het er

voor hield, dat als het doel heilig was (wat zeker het geval is met het

huwelijk), het er niet op aankwam hoe slecht de middelen waren. Bij

andere gelegenheden plagt hij de wijsbegeerte van Square toe te passen,

die beweerde dat het doel onverschillig was, mits de middelen slechts

eerlijk en bestaanbaar waren met de zedelijke regtschapenheid. Om de

waarheid te zeggen, er waren slechts weinige gevallen in dit leven,

waarop hij niet met groot voordeel de leerstellingen van een van deze

twee groote wijsgeeren toepassen kon.

Het was echter niet noodig om veel bedrog te plegen bij den heer

Western, die niet meer gewigt hechtte aan de neigingen zijner dochter

dan Blifil zelf; daar de heer Allworthy echter er heel anders over

dacht, was het bepaaldelijk noodig om hem te misleiden.

Hierin werd Blifil echter zoo uitmuntend geholpen door Western, dat het

hem zonder bezwaar gelukte; want daar de heer Allworthy van haren vader

de verzekering ontving, dat Sophia zeer ingenomen was met Blifil, en

dat alles wat hij omtrent Jones verondersteld had heel verkeerd was,

behoefde Blifil niets anders te doen dan deze beweringen te

bekrachtigen,—wat hij met zooveel dubbelzinnigheid deed, dat hij zijn

geweten redde, en de voldoening smaakte om zijn oom een leugen te doen

gelooven, zonder er bepaaldelijk zelf een verteld te hebben. Toen hij

ondervraagd werd aangaande Sophia’s gevoelens door Allworthy, die

zeide, „in geen geval er deel aan te willen hebben, dat de jonge dame

tegen haar zin tot een huwelijk gedwongen werd,” antwoordde Blifil:

„Dat het zeer moeijelijk was achter de ware gevoelens der jonge dames

te komen; dat hare houding tegenover hem zoo voorkomend was als hij

maar wenschen kon, en dat, als hij haar vader mogt gelooven, zij juist

die neiging tot hem koesterde, welke eenige minnaar ooit verlangen

kon.”

„Wat Jones aangaat,” vervolgde hij, „dien ik ongaarne een schurk noem,

hoewel zijn gedrag ten uwen opzigte, oom, die benaming wel

regtvaardigde, zijne ijdelheid, of misschien eenige booze oogmerken,

heeft hem welligt doen bogen op iets dat niet bestaat; want als er iets

van aan ware, dat mejufvrouw Western wezenlijk van hem hield, zou de

grootte van haar vermogen hem nooit overgehaald hebben haar te

verlaten, zoo als u bekend is, dat hij nu gedaan heeft. Eindelijk, oom,

verklaar ik u, dat ik zelf om geene reden, neen, niet eens om alles ter

wereld, er in toestemmen zou om deze jonge dame tot mijne vrouw te

nemen, als ik niet overtuigd was, dat zij, wat hare liefde betreft, in

alle opzigten aan mijne wenschen voldoet.”

Deze uitmuntende wijze om eene onwaarheid in te kleeden, wat geschiedt

door middel van dubbelzinnigheid en bedrog, zonder den mond aan een

logen schuldig te maken,—heeft het geweten van menigen grooten schelm

gerust gesteld, en toch, als wij bedenken, dat het den Alwetende is,

dien men tracht te bedriegen, zal men inzien, dat ze slechts een zeer

oppervlakkigen troost kan opleveren, en dit kunstige en fijne

onderscheid tusschen het doen gelooven aan eene onwaarheid, en het

vertellen van een logen, is naauwelijks de moeite waard, die het kost.

Allworthy was tamelijk voldaan door hetgeen de heer Western en Blifil

hem vertelden, en alle afspraken waren nu, na verloop van twee dagen,

gemaakt. Niets bleef dan over om de kerkelijke inzegening te doen

uitstellen, dan het werk der notarissen, hetwelk zooveel tijd dreigde

te kosten, dat Western zich gereed verklaarde zich met de plegtigste

eeden tot alles te verbinden, eerder dan het geluk van het jonge paar

te vertragen. Inderdaad, hij was zoo vol ijver en zoo dringend in deze

zaak, dat een onverschillige toeschouwer hem voor den hoofdpersoon

daarbij zou hebben kunnen aanzien; maar deze drift was hem bij alle

gelegenheden eigen, en elk plan dat hij beraamde, ondernam hij op eene

wijze, die scheen aan te toonen dat het welslagen daarvan het geluk van

zijn leven zou verzekeren.

De vereenigde smeekingen van vader en schoonzoon zouden waarschijnlijk

den heer Allworthy overgehaald hebben, daar deze er niet aan denken kon

het geluk van anderen te vertragen, zoo Sophia zelve dit niet belet

had, door maatregelen te beramen, die de geheele verbindtenis

verijdelden en kerk en wet beroofden van de belastingen, welke die

wijze ligchamen goedgevonden hebben te leggen op de wettige

voortplanting van het menschelijke geslacht. Hierover nader in het

volgende hoofdstuk.

Tom Jones · 第 119 / 340 题