HET KARAKTER VAN MEJUFVROUW WESTERN. HARE GROOTE GELEERDHEID EN
WERELDKENNIS, EN EEN VOORBEELD VAN HET GROOTE DOORZIGT, DAT ZIJ AAN
DEZE HOEDANIGHEDEN TE DANKEN HAD.
De lezer heeft gezien hoe de heer Western, zijne zuster en dochter, met
den jongen Jones en den predikant, zamen bij den heer Western gingen,
waar de meesten uit het gezelschap den avond zeer vrolijk en opgeruimd
doorbragten.
Sophia was inderdaad de eenige die ernstig bleef; want, wat Jones
betreft, hoewel de liefde zijn hart geheel vervulde, werd onze held
zoodanig opgewonden door de gelukkige zekerheid van het herstel van den
heer Allworthy en door de tegenwoordigheid van zijne beminde, die niet
nalaten kon hem tusschenbeide eenige teedere blikken te schenken, dat
hij deel nam aan de opgeruimdheid der drie overigen, die zoo prettig
mogelijk gestemd waren.
Sophia bleef even ernstig den volgenden morgen bij het ontbijt, en
verwijderde zich vroeger dan gewoonlijk, haar vader en hare tante
alleen latende. De landjonker lette in het geheel niet op deze
verandering in zijne dochter. Om de waarheid te zeggen, hoewel hij
eenigzins diplomaat was, en zich tweemaal kandidaat gesteld had voor
het Parlement, was hij geen fijne opmerker. Zijne zuster was eene dame
van geheel anderen aard. Zij had in de nabijheid van het hof geleefd en
veel van de wereld gezien. Dáár had zij al die kennis verkregen, welke
de zoogenaamde wereld gewoonlijk verschaft.
Hare manieren waren onberispelijk; zij was volmaakt op de hoogte van
alle gebruikelijke pligtplegingen en modes,—en hare wetenschap was niet
alleen tot dit alles beperkt. Zij had haar geest aanmerkelijk beschaafd
door studie; zij kende niet slechts al de nieuwere tooneelstukken,
operas, oratorios, gedichten en romans, over alle welke zij een oordeel
wist te vellen; maar zij had ook Rapin’s geschiedenis van Engeland en
Echard’s Romeinsche Historie doorgebladerd, alsmede vele Fransche
„Mémoires pour servir à l’histoire;” hierbij kwam nog de kennis van de
meeste politieke vlugschriften en bladen, in de laatste twintg jaren
uitgegeven. Uit dit alles had zij eene groote kennis verkregen van de
staatkunde, en wist zeer geleerd over den toestand van Europa te
spreken.
Daarenboven was zij bijzonder bedreven in de leer der liefde en wist
beter dan iemand anders te zeggen, welke menschen op elkaar verliefd
waren:—eene kennis, welke het haar des te gemakkelijker viel te
verkrijgen, daar zij in het opdoen er van volstrekt niet afgetrokken
werd door eenig eigenbelang; want of zij was zelve van geen verliefden
aard, of zij was nooit het voorwerp geweest van eenige
verliefdheid,—wat eigenlijk wel het meest waarschijnlijk is; want hare
manhaftige gestalte (zij was bijna zes voet lang) gevoegd bij hare
manieren en geleerdheid, hadden het sterkere geslacht welligt belet,
haar, in weerwil harer rokken, als eene vrouw te beschouwen. Daar zij
echter de zaak wetenschappelijk onderzocht had, kende zij volmaakt
(zonder ze ooit zelve te beoefenen), al de kunstjes door groote dames
gebruikt, als zij wenschen aanmoediging te geven, of ingenomenheid te
verbergen;—met het volledig stel van glimlachjes, blikken, wenken
enz.,—zoo als tegenwoordig in de groote wereld gebruikelijk zijn. In
één woord:—niets dat op vermomming of gemaaktheid geleek was aan hare
aandacht ontgaan; maar wat de eenvoudigheid en opregtheid eener
eerlijke natuur betreft, daar zij nooit iets van dien aard gezien had,
kon zij natuurlijk slechts heel weinig daarvan weten.
Door middel nu van haar bewonderenswaardig doorzigt, had mejufvrouw
Western, gelijk zij zich verbeeldde, iets ontdekt, dat in Sophia’s
gemoed gaande was. Het eerste denkbeeld hieromtrent kwam bij haar op
toen zij het gedrag van die jonge dame op het slagveld waarnam; en het
vermoeden, dat toen bij haar ontstond, werd zeer versterkt door eenige
opmerkingen in den loop van dien avond en van den volgenden morgen.
Daar zij echter te voorzigtig was, om zich op eene vergissing te laten
betrappen, hield zij het geheim wel veertien dagen lang in haar hart
opgesloten, slechts eenige zijdelingsche wenken gevende, door
grinniken, wenken en hoofdknikken,—en door zich tusschenbeide een half
woordje te laten ontvallen, waardoor zij Sophia inderdaad angst genoeg
aanjoeg, zonder dat haar vader in het minst wakker werd.
Eindelijk, echter, geheel overtuigd van de juistheid harer opvattingen,
nam zij de gelegenheid waar, op zekeren morgen, toen zij zich alleen
bevond met haren broeder, om hem te midden van een deuntje dat hij
floot, op de volgende wijze te storen:
„Zeg eens, broeder, hebt ge in den laatsten tijd niets vreemds in mijn
nichtje opgemerkt?”
„Wel neen,” hernam Western. „Volstrekt niet! Mankeert het meisje iets?”
„Ik geloof van ja,” hernam zij, „en iets van belang ook.”
„Wel, zij klaagt toch niet,” riep Western, „en zij heeft ook de pokken
gehad.”
„Broeder,” hernam zij, „meisjes zijn onderhevig aan andere en welligt
gevaarlijker kwalen dan de pokken.”
Hier viel Western haar driftig in de rede en smeekte haar, als zijne
dochter aan iets lijdende was, het hem dadelijk mede te deelen, terwijl
hij er bij voegde, „dat zij wel wist, dat Sophia hem meer waard was dan
zijn eigen leven, en dat hij de geheele wereld door zou zoeken om haar
den besten dokter te bezorgen.”
„Kom! Kom!” hernam de dame met een glimlach, „de kwaal is zóó
erschrikkelijk niet;—maar ik geloof, broeder, dat gij overtuigd zijt,
dat ik de wereld ken, en ik verklaar u, dat ik me nooit van mijn leven
zoo erg vergist zal hebben, als het niet blijkt, dat mijn nichtje tot
over de ooren verliefd is.”
„Hoe!” riep Western, „verliefd! En zonder mijne voorkennis! Ik zal haar
onterven! Ik zal haar naakt als zij ter wereld kwam, zonder een duit op
zak, de deur uitzetten! Is dat het loon voor al mijne goedheid en
toegevendheid, dat zij verliefd wil worden, zonder mijne toestemming te
vragen?”
„Maar,” hernam mejufvrouw Western, „ge zult toch deze dochter, die u
liever is dan uw eigen leven, de deur niet uitzetten, zonder te weten
of gij hare keuze goedkeurt? Veronderstel slechts, dat hare keuze
gevallen ware op een persoon, dien gij zelf uitgezocht zoudt hebben? Ik
verbeeld me dat ge dan zóó boos niet zoudt zijn!”
„Neen, neen!” hernam Western. „Dat zou natuurlijk iets anders zijn. Als
zij naar mijn zin trouwt, kan zij beminnen wien zij wil; daar zal ik me
het hoofd niet mee breken.”
„Dat heet ik nu verstandig gesproken,” hernam de zuster; „maar ik
geloof dat hij op wien hare keuze gevallen is, juist iemand naar uw zin
zal zijn. Als het niet zoo uitkomt, zal ik van mijn leven niet meer
eenige aanspraak maken op menschenkennis,—en gij zult wel toestemmen,
broeder, dat ik daarvan wat bezit!”
„Wel, zuster,” zei Western, „ik geloof wezenlijk dat geene vrouw ter
wereld u daarin overtreft,—en ’t is ook waar, dat zoo iets de zaak is
der vrouwen. Ge weet wel, dat ik er niet van houd u politiek te hooren
spreken; dat gaat ons mannen aan; en vrouwen moeten zich daarmede niet
bemoeijen;—maar zeg eens, wie is toch die vriend?”
„O,” riep zij, „zie zelf daar achter te komen, als ge ’t weten wilt.
Gij, die zulk een diplomaat zijt, zult dat wel heel gemakkelijk
ontdekken! Een verstand, dat weet door te dringen in de kabinetten der
vorsten, en de geheime drijfveer te ontdekken, welke de groote raderen
doet draaijen van de staatkundige machine, die geheel Europa drijft,
zal, zonder veel moeite, ontdekken wat er omgaat in het onnoozele en
onwetende gemoed van een meisje!”
„Zuster,” hernam de landjonker, „ik heb u dikwijls verzocht mij met uw
hoofsch gewawel van het lijf te blijven. Ik beken wel dat ik die taal
niet versta, maar ik kan een nieuwsblad lezen, of de Evening Post.
Misschien vind ik hier en daar een volzin dien ik niet verstaan kan,
omdat de helft der letters uitgelaten zijn; maar ik weet zeer goed wat
dat zeggen wil, en dat onze zaken lang niet zoo goed gaan als ze wel
moesten, wegens omkooping en kuiperijen van allerlei aard.”
„Ik heb van harte medelijden met uwe onwetendheid, als buitenman!” riep
de dame.
„Zoo!” hernam Western, „en ik heb medelijden met uwe stadsche
geleerdheid! Ik weet niet wat ik liever zou zijn dan hoveling en
presbyteriaan en Hannoveraan, zoo als zekere menschen zijn, als ik me
niet vergis!”
„Als gij mij bedoelt,” antwoordde zij, „weet ge dat ik maar eene vrouw
ben, broeder, en dat het er niet op aan komt wat ik doe of denk!
Bovendien—”
„Ja, ik weet wel dat ge ’n vrouw zijt!” riep Western, „en dat moogt ge
u tot geluk aanrekenen; want als ge ’n man geweest waart, dan was ik je
al lang met mijn stok op het lijf gekomen!”
„O ja!” riep zij, „in dien stok ligt al uwe denkbeeldige meerderheid!
Uw ligchaam, en niet uw verstand is sterker dan het onze! Geloof me,
het is een geluk voor u, dat ge in staat zijt ons te slaan; want
anders,—zoo groot is de meerderheid van ons verstand,—zouden wij best
in staat zijn u tot onze slaven te maken,—zoo als wij reeds gedaan
hebben met allen die dapper, wijs, geestig en beschaafd zijn!”
„’t Doet me pleizier dat ik weet hoe ge op dat punt denkt,” hernam haar
broeder; „maar later meer daarvan. Op het oogenblik moest ge mij maar
vertellen wie die vent is, van wien ge met betrekking tot mijne dochter
spreekt.”
„Wacht een oogenblikje!” riep zij, „terwijl ik mijn best doe, de diepe
minachting welke ik voor uw geslacht koester te vermeesteren! Dáár!—het
is me gelukt het nu te verkroppen! En nu, zeer groote en diplomatieke
heer, wat zegt ge van mijnheer Blifil? Viel zij niet flaauw, toen zij
hem bewusteloos op den grond uitgestrekt zag? Toen hij weder bijkwam,
verbleekte zij niet, zoodra wij de plek naderden waar hij zich bevond?
En ik zou wel willen weten wat anders dan dit aanleiding kon geven tot
hare droefgeestigheid dien avond aan tafel,—eene neerslagtigheid die
steeds nog voortduurt?”
„Wat drommel!” riep de landjonker, „nu ge me er aan herinnert, weet ik
het best! Zoo is het zeker! En ik ben er blijde om! Ik wist dat Sophia
een braaf meisje was, en niet verlieven zou, als zij wist, dat het mij
ergeren zou! Ik ben van mijn leven niet meer in mijn schik
geweest;—want niets zou beter kunnen bij elkaar komen dan onze
landerijen! Ik heb me al een tijdlang geleden zoo iets in ’t hoofd
gezet; want de bezittingen zijn zeker nu reeds als door het huwelijk
aan elkaar verbonden, en het zou duizend jammer zijn, ze te scheiden.
’t Is waar, er zijn misschien grootere bezittingen in het rijk, maar
niet in het graafschap, en ik zou liever van wat geldelijk voordeel
afzien, dan mijne dochter uithuwelijken aan onbekenden en
vreemdelingen. Bovendien zijn de meeste der allergrootste bezittingen
in de handen van lords, en die kerels haat ik van ganscher harte! Maar,
zuster, wat zoudt ge me aanraden te doen; want, zoo als ik gezegd heb,
in diergelijke zaken weten de vrouwen beter den weg dan wij.”
„O, uwe onderdanige dienaresse, mijnheer!” hernam zij; „wij vrouwen
moesten u zeer dankbaar wezen, dat ge ons, waarin dan ook, eenige
bekwaamheid toeschrijft. Daar het u dus behaagt, mijnheer de diplomaat,
mijn raad te vragen, geloof ik dat gij best zelf aan den heer Allworthy
het huwelijk voorstellen kunt. Er is niets onbetamelijks in, als het
voorstel komt van de ouders,—van welken kant ook. De koning Alcinous,
in de Odyssee van den heer Pope, biedt zijne dochter aan Ulysses aan.
Ik behoef wijders zoo’n diplomaat als gij zijt, niet te herinneren dat
gij verzwijgen moet dat uwe dochter verliefd is;—zoo iets te zeggen,
zou in strijd zijn met alle regels.”
„Nu,” hernam de heer Western, „ik zal het hem voorstellen; maar als hij
het in de hersens krijgt neen te zeggen, zal ik hem zeker met mijn stok
op het lijf komen.”
„Wees daar niet bang voor,” riep mejufvrouw Western; „het huwelijk is
te voordeelig om afgeslagen te worden.”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Western; „Allworthy is een wonderlijke
bl......m! En het geld heeft niets geen effekt op hem!”
„Broeder!” hernam de dame; „ik sta verbaasd over uwe diplomatie! Laat
ge u wezenlijk door praatjes foppen? Gelooft ge waarlijk, dat mijnheer
Allworthy meer minachting voor het geld koestert dan andere menschen,
omdat hij dat zegt? Zulke ligtgeloovigheid zou beter eene zwakke vrouw
betamen, dan iemand van dat wijze geslacht, waaruit de hemel
voorbeschikt heeft dat de diplomaten gevormd moeten worden. Waarlijk,
broeder, gij zoudt een heerlijke gevolmagtigde wezen, om met de
Franschen te onderhandelen! Zij zouden u spoedig overtuigen dat zij
alleen tot zelfverdediging steden veroverden.”
„Zuster,” hernam de landjonker, met de meeste minachting, „laat uwe
vrienden bij het hof de veroverde steden verantwoorden; daar gij
slechts eene vrouw zijt zal ik u de schuld daarvan niet geven; want ik
denk dat zij te slim zijn om hunne geheimen aan eene vrouw toe te
vertrouwen.”
Deze woorden gingen met zulk een satirieken lach vergezeld, dat
mejufvrouw Western het niet langer uithouden kon. Zij was inderdaad op
de meest gevoelige wijze gekwetst, daar zij zeer ervaren was in al deze
zaken en zeer hevig in hare staatkundige gevoelens, en zij barstte nu
uit in eene vlaag van drift, met de verklaring dat haar broeder een
lompert en een domkop was, en dat zij niet langer onder zijn dak wilde
blijven.
Hoewel nu de landjonker waarschijnlijk nooit Machiavelli gelezen had,
was hij toch in vele opzigten een volmaakte diplomaat. Hij was vooral
zeer gehecht aan al die wijze leerstellingen, die zoo ijverig gepredikt
worden in de politisch-peripatetische school der Beurs. Hij kende de
juiste waarde en het eenige nut van het geld,—namelijk, om het op te
leggen. Hij was ook zeer ervaren in het berekenen van de waarde van te
verwachten erfenissen, legaten, enz., had dikwerf het bedrag van het
vermogen zijner zuster nagerekend, en de kansen, die hij, of zijne
nakomelingen hadden, om het te erven, en was veel te wijs om dit op te
offeren aan eene kleine oneenigheid. Zoodra hij dus ondervond dat hij
de zaak te ver gedreven had, begon hij er aan te denken, hoe hij alles
weer bij zou leggen, wat hem niet zeer moeijelijk viel, daar de dame
veel van haar broeder hield en nog meer van hare nicht;—en hoewel zij
zeer gevoelig was voor eenige minachting harer diplomatieke
bekwaamheden, waarop zij hoogen prijs stelde, was zij eene vrouw van
buitengewoon goede en zachtzinnige geaardheid.
Na eerst dus de paarden opgesloten te hebben, zoodat ze alleen door het
stalvenster er uitgehaald konden worden, legde zich de heer Western er
op toe om zijne zuster te verzoenen, streelde en vleide haar door alles
te herroepen wat hij gezegd had, en door juist het tegendeel te beweren
van al hetgeen waardoor zij zich beleedigd gevoeld had. Eindelijk riep
hij de welsprekendheid van Sophia tot zijne hulp in, die, behalve hare
bevallige houding en innemende woorden, het voordeel had van door hare
tante met de meeste welwillendheid en liefde aangehoord te worden.
Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw
Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar
even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook
zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals
den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet
schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik
verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw
eigen belang schijnt de rust te verstoren.”