In het vorige boek zagen wij ons genoodzaakt heel veel over de liefde
te zeggen, en in dit boek zullen wij verpligt zijn nog veel uitvoeriger
over dit onderwerp te spreken. Het zal dus welligt geene ongeschikte
gelegenheid zijn, om hier die nieuwere leer te onderzoeken, volgens
welke zekere wijsgeeren,—onder andere verbazende
ontdekkingen,—voorgeven ontdekt te hebben, dat er in het menschelijke
hart geen hartstogt van dien aard schuilt.
Of deze wijsgeeren tot diezelfde merkwaardige sekte behooren, die door
wijlen Dr. Swift op zulke eervolle wijze vermeld zijn, omdat zij alleen
door de kracht van het genie, zonder eenige hulp van geleerdheid, of
zelfs ván lezen, het diepzinnige en kostelijke geheim uitgevorscht
hebben, dat er geen God bestaat;—of welligt tot die andere sekte, die
eenige jaren geleden de wereld een schrik aanjoeg door aantetoonen, dat
zoo iets als deugd of goedheid volstrekt niet in de menschelijke natuur
bestonden, en onze beste handelingen aan onzen hoogmoed toeschreef, zal
ik niet wagen te beslissen. In waarheid echter ben ik geneigd te
veronderstellen, dat al deze verschillende ontdekkers der waarheid
juist dezelfde menschen zijn, die door anderen „goudzoekers” genoemd
worden. Want de methode welke gevolgd wordt in het zoeken naar waarheid
en naar goud is bij beiden dezelfde, namelijk het ploeteren, woelen en
rondsnuffelen in die leelijkste van alle plaatsen,—namelijk eene
onreine ziel.
Maar, ofschoon, in dit opzigt, en misschien ook in de uitkomsten door
hen verkregen, de waarheidvorscher en de goudzoeker zeer goed onderling
vergeleken mogen worden, kan men evenwel, wat bescheidenheid betreft,
beiden volstrekt niet met elkaar vergelijken; want wie heeft ooit een
goudzoeker gezien, die de onbeschaamdheid, of de dwaasheid had, te
beweren, dat, wijl hij in zijn zoeken niet slaagde, er geen goud ter
wereld bestond; terwijl de waarheidvorscher, na dien mesthoop, zijn
eigen hart, omgewoeld te hebben, en er niets goddelijks, deugdzaams,
goeds, of schoons, of liefderijks in vindende, de zeer eerlijke,
billijke en logische gevolgtrekking maakt, dat zoo iets in de heele
schepping niet bestaat.
Ten einde echter, zoo mogelijk, elken twist met deze wijsgeeren,—indien
zij zoo heeten moeten,—te vermijden, en om te bewijzen, dat wij geneigd
zijn alles vriendschappelijk met hen te schikken, zullen wij hier het
een en ander aan hen toegeven, dat welligt een einde aan den twist zal
maken.
Ten eerste, stemmen wij toe, dat vele harten,—en misschien daaronder
die der bedoelde wijsgeeren, geheel vrij zijn van het minste spoor van
iets wat op liefde gelijkt.
Ten tweede, dat hetgeen men gewoonlijk liefde noemt, namelijk, de
begeerte om aan eene verslindende drift te voldoen, door haar te voeden
met eene zekere hoeveelheid keurig, blank menschenvleesch, volstrekt
niet die hartstogt is, door mij hier bedoeld. Dit is inderdaad eerder
eene soort van honger, en daar geen lekkerbek zich schaamt om te zeggen
dat hij dol veel houdt van dit of dat geregt, zoo kan ook de liefhebber
van voornoemden aard zeer gepast verklaren, dat hij honger heeft, als
hij deze of gene vrouw begeert.
Ten derde, zal ik toestemmen,—en ik geloof, dat men erkennen zal dat ik
hier zeer veel toegeef, dat die liefde, waarvoor ik strijd, hoewel op
eene veel kiescher wijze toch evenzeer als de grofste onzer lusten,
naar voldoening streeft.
En eindelijk, dat die liefde, als zij opgewekt wordt door iemand die in
geslacht van ons verschilt, zeer geneigd is, ten einde zich geheel te
kunnen voldoen, om de hulp in te roepen van voormelden honger, die dan
(ver van de verrukking der liefde te verminderen), deze tot eene hoogte
opvoert, die naauwelijks te begrijpen is door diegenen, die nooit
vatbaar zijn geweest voor eenig ander gevoel, dan dat alleen door
zinnelijkheid opgewekt is.
Ter vergelding van deze toegefelijkheid van mijn kant, eisch ik van de
wijsgeeren, dat zij mij toestemmen, dat er in eenige (ik geloof zelfs
in vele) menschelijke harten, eene vriendelijke en welwillende neiging
heerscht, om zich zelve voldoening te verschaffen, door tot het geluk
van anderen bij te dragen. Dat er ook in deze voldoening alleen, even
als in de vriendschap, en in vaderlijke en kinderlijke toegenegenheid,
een heerlijk en verrukkelijk genot ligt. Dat, als wij dit geene liefde
willen noemen, wij er ook geen anderen naam voor hebben. Dat, hoewel
het geluk, uit zulke zuivere liefde ontstaande, verhoogd moge worden
door zinnelijke begeerten, het zonder die kan bestaan, en ook niet door
de tusschenkomst dezer begeerten behoeft vernietigd te worden.
Eindelijk, dat achting en dankbaarheid de eigenlijke oorzaken der
liefde zijn, even als jeugd en schoonheid de driften opwekken, en dat,
om die reden, hoewel zulke driften natuurlijk verkoelen mogen, als
ouderdom of ziekte aankomen, deze toch niets vermogen tegen de liefde,
noch in een regtgeaard gemoed dien hartstogt verzwakken of uitroeijen,
die op dankbaarheid en achting gegrond is.
Het schijnt zeer vreemd en bespottelijk het bestaan te loochenen van
een hartstogt, waarvan wij zoo dikwerf duidelijke blijken ontwaren, en
zoo iets kan inderdaad alleen voorkomen uit de hooge ingenomenheid met
zich zelven, die wij reeds vermeld hebben. Maar dit zou ten hoogste
onbillijk zijn. Besluit de man, die in zijn eigen hart geene sporen
ontdekt van gierigheid of eerzucht, dat de menschelijke natuur geene
dergelijke driften kent? Waarom zouden wij niet, met de meeste
bescheidenheid, denzelfden regel eerbiedigen in het beoordeelen van het
goede zoowel als het kwade bij anderen? Of waarom zouden wij, in elk
geval, gelijk Shakespeare zegt: „in ons eigen ik de geheele wereld
aanschouwen?”
Ik vrees dat overheerschende ijdelheid hier te veel in ’t spel komt.
Dit is slechts één voorbeeld, van de bijna algemeene vleijerij van
onzen eigenen geest. Want er bestaat naauwelijks iemand ter wereld,
hoezeer hij ook het karakter van een vleijer verachte, die zich niet
vernedert om zich zelven op de meest verachtelijke wijze te vleijen.
Ik beroep mij,—om de waarheid van deze opmerking te staven,—op
diegenen, wier eigen hart hetgeen ik gezegd heb, bevestigen zal.
Onderzoek uw eigen hart, waarde lezer, en beslis dan of gij het niet
eens zijt met mij omtrent deze punten. Zoo ja, dan kunt gij er toe
overgaan om ze door voorbeelden te zien ophelderen op de volgende
bladzijden; zoo niet, dan kan ik u verzekeren, dat gij al meer gelezen
hebt dan begrepen, en het zou wijzer zijn, uwe zaken, of uwe genoegens
(wat die ook zijn) verder na te jagen, dan nog meer van uw tijd te
verspillen aan het lezen van hetgeen gij noch goedkeuren noch vatten
kunt. Om over de uitwerking der liefde tot u te spreken, zou even
ongerijmd zijn, als met een blind geborene over kleuren te spreken,
daar waarschijnlijk uw begrip van de liefde even ongerijmd zal zijn als
dat, hetwelk men ons vertelt dat zekere blinde eens van de roode kleur
opvatte;—welke, zeide hij, zeer op trompetgeschal geleek,—en
waarschijnlijk zou de liefde, in uwe oogen, veel hebben van een bord
soep, of een gebraden ossenrib.