HOOFDSTUK VI.

DOOR DIT MET HET VORIGE HOOFDSTUK TE VERGELIJKEN, ZAL DE LEZER WELLIGT

IN STAAT GESTELD ZIJN EENE DOOR HEM VROEGER GEMAAKTE VERKEERDE

TOEPASSING VAN HET WOORD LIEFDE TE VERBETEREN.

Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere

mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid

uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij

haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.

Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en

hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw

hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht,

dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al

de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.

Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste

zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door

hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf,

Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind,

hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle

waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader

kon beschouwen.

Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen

zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet

bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar,

eindelijk ook door die van Molly zelve.

Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel

overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of

procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene

vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart

gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den

gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken

had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.

Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly

Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd

daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot

hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat

Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square

bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en

hoogmoed.

Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van

Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger

deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds

genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.

Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten

opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te

zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste

ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans

geheel, geëvacueerd was, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde

haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere

gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid

verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar

vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn

van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.

De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het

verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden

hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den

slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het

eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand

verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders

huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens

in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen

op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem

oneindig dierbaarder was.

Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want

hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van

aard, en werd niet slechts droefgeestig in de eenzaamheid, maar ook

neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene

vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo

zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het

duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te

verbergen.

Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried

door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen,

of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om

dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer

ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot

haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken

te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens

te verijdelen.

Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit

plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de

haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat

werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche

beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij

voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij

zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele

ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der

liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf

zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot

te stellen.

Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar

volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze

ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding

daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En

dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo

dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart,

waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.

Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en

duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk

sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van

minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de

schelm, over het algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der

schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand

bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene

sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de

vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is

alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten

dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de

duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet

zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den

vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders

dacht.

Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke

den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het

voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om

zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te

dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die

een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze

waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en

onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij

een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan

haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts

om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te

smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem

doodelijk kwetste.

Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden,

zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest

welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op

haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte

gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een

deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield

met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken

kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste

kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem

verliefd.

Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den

tuin, aan het einde van twee paden, die beide uitliepen op het kanaal,

waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het

vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.

Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt

zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over

eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den

eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot

rijpheid was gekomen.

En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij

elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou

teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben;

maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra

Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge

dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze

beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk

schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek

zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen,

waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet

laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer

Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”

„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan

den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het

belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is

de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te

ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de

regtvaardige straf der ondankbaarheid.”

„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een

even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk

wezen.”

„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij,

„is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor

ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had

kunnen ontgaan.”

„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd, dat u dat

geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene

overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke

ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt,

willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”

Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken

glimlach vergezeld.

Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan

haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw

Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij

zooveel onheil toewenschen?”

Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:

„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”

„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe

hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”

„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”

„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij

niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan

te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me

als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou

liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor

mij zijn.”

„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat

gij mij hebt kunnen beleedigen?”

„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat

ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij

maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik

bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe

schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart

liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en

den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik

hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”

De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier

toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:

„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want

inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij

mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik

hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”

Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar

den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens

smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen.

Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor

hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te

zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de

toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze

drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de

minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel

die in de zijne lag.

Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het

reukfleschje onmiddellijk ter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones

aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem

geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een

geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier

gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.

Tom Jones · 第 73 / 340 题