DOOR DIT MET HET VORIGE HOOFDSTUK TE VERGELIJKEN, ZAL DE LEZER WELLIGT
IN STAAT GESTELD ZIJN EENE DOOR HEM VROEGER GEMAAKTE VERKEERDE
TOEPASSING VAN HET WOORD LIEFDE TE VERBETEREN.
Molly’s ongetrouwheid, nu door Jones ontdekt, zou welligt eene grootere
mate van toorn geregtvaardigd hebben, dan hij bij die gelegenheid
uitdrukte, en weinigen zouden hem denkelijk berispt hebben, als hij
haar van dat oogenblik af, geheel verzaakt had.
Het is echter zeker dat hij steeds medelijden met haar gevoelde, en
hoewel zijne liefde tot haar niet van dien aard was, dat haar ontrouw
hem zeer hinderde, griefde het hem toch niet weinig, toen hij bedacht,
dat hij haar eerst verleid had; want aan deze verleiding schreef hij al
de ondeugd toe, waarin zij nu op het punt scheen van zich te dompelen.
Deze bedenking plaagde hem niet weinig, tot dat Betsi, de oudste
zuster, korten tijd daarna de goedheid had hem geheel te genezen, door
hem een wenk te geven, dat zekere Willem Barnes en niet hij zelf,
Molly’s oorspronkelijke verleider geweest was, en dat het kleine kind,
hetwelk hij zoo stellig voor het zijne gehouden had, naar alle
waarschijnlijkheid, met ten minste evenveel regt Barnes als zijn vader
kon beschouwen.
Jones ging ijverig dit spoor na zoodra hij het ontdekt had, en binnen
zeer korten tijd kreeg hij de verzekering, dat het meisje hem niet
bedrogen had, niet slechts door de bekentenis van Barnes, maar,
eindelijk ook door die van Molly zelve.
Deze Willem Barnes was een plattelands losbol, die even veel
overwinningen van dezen aard behaald had, als eenige vaanderig of
procureursklerk in het geheele rijk. Hij had werkelijk verscheidene
vrouwen tot een radeloozen toestand gebragt, had sommigen het hart
gebroken, en zelfs de eer genoten van oorzaak te zijn van den
gewelddadigen dood van een arm meisje, dat, òf zich zelve verdronken
had, òf nog waarschijnlijker door hem verdronken was.
Onder andere veroveringen, telde deze lichtmis ook het hart van Molly
Seagrim. Hij had haar al lang het hof gemaakt eer zij den leeftijd
daartoe bereikt had; maar had haar later lafhartig verlaten en zich tot
hare zuster gewend, bij wie hij ook al heel spoedig slaagde. Nu bezat
Willem inderdaad Molly’s onverdeelde liefde, terwijl Jones en Square
bijna in dezelfde mate het slagtoffer werden van haar eigenbaat en
hoogmoed.
Van daar ontstond die onverzoenbare haat, welken wij in het hart van
Betsi hebben zien woeden, hoewel wij het niet noodig achtten vroeger
deze aanleiding daartoe te vermelden, daar de nijd op zich zelven reeds
genoeg was om de reeds opgegevene uitwerksels daarvan te verklaren.
Jones was nu, door de ontdekking van dit geheim, merkelijk verligt ten
opzigte van Molly; maar wat Sophia betrof, was hij ver van gerust te
zijn;—ja, hij verkeerde zelfs in een toestand van de uiterste
ontroering; want nu zijn hart, als ik het zoo uitdrukken mag thans
geheel, geëvacueerd was, nam Sophia er onbeperkt bezit van. Hij beminde
haar met de meeste hartstogtelijkheid, en zag duidelijk de teedere
gevoelens, welke zij voor hem koesterde; maar deze zekerheid
verminderde volstrekt niet zijne wanhoop om de toestemming van haar
vader te verkrijgen, noch de ellende, welke een zeker gevolg zou zijn
van eenige verachtelijke of verraderlijke poging van zijn kant.
De rampen, welke hij aldus den heer Western berokkenen zou en het
verdriet, dat daaruit ontstaan moest voor den heer Allworthy stonden
hem den geheelen dag vóór den geest en vervolgden hem des nachts in den
slaap. Zijn leven was ééne onophoudelijke worsteling tusschen het
eergevoel en de liefde, die beurtelings in zijne ziel de overhand
verkregen. Hij besloot dikwerf in Sophia’s afwezigheid om haar vaders
huis te verlaten, en haar nooit weder te zien; en vergat weder telkens
in haar bijzijn al deze voornemens en besloot haar te blijven beminnen
op gevaar van zijn leven, of van verbeurdverklaring van hetgeen hem
oneindig dierbaarder was.
Deze strijd begon weldra zigtbare en hevige gevolgen te hebben; want
hij verloor geheel en al zijne gewone vlugheid en opgeruimdheid van
aard, en werd niet slechts droefgeestig in de eenzaamheid, maar ook
neerslagtig en afgetrokken in gezelschap:—ja, als hij eene gedwongene
vrolijkheid veinsde, om den heer Western te behagen, werd de dwang zoo
zigtbaar, dat hij door eene dergelijke vertooning slechts het
duidelijkste blijk scheen te geven van hetgeen hij getracht had te
verbergen.
Het blijft misschien moeijelijk te beslissen of hij zich meer verried
door de kunstgrepen welke hij gebruikte om zijn hartstogt te verbergen,
of door de middelen, tot welke zijne eerlijke natuur toevlugt nam om
dien te openbaren; want terwijl hij, uit overleg, hoe langer hoe meer
ingetrokken werd jegens Sophia, en bijna vermeed een enkel woord tot
haar te rigten, ja, zich zelfs de grootste moeite gaf om hare blikken
te ontwijken, was de natuur niet minder druk bezig met zijne voornemens
te verijdelen.
Vandaar, dat hij, zoodra de jonge dame naderde, verbleekte, en als dit
plotseling geschiedde, wezenlijk schrikte. Als zijne oogen toevallig de
haren ontmoetten, vloog het bloed naar zijne wangen, en zijn gelaat
werd met eene donker roode kleur bedekt. Als de dagelijksche
beleefdheid vorderde dat hij het woord tot haar rigtte,—zoo als, bij
voorbeeld, om op haar gezondheid te drinken aan tafel, dan stamelde hij
zeker. Als hij haar aanraakte, beefde zijne hand,—ja zelfs zijn geheele
ligchaam. En als het gesprek, hoe zijdelings ook, op het onderwerp der
liefde kwam, ontsnapte hem onwillekeurig een zucht. En de natuur gaf
zich bijzonder veel moeite om hem dagelijks aan al deze toevallen bloot
te stellen.
Deze voorteekens ontgingen wel de aandacht van den heer Western, maar
volstrekt niet die van Sophia zelve. Zij ontwaarde weldra deze
ontroering in Jones, en het kostte haar geene moeite de aanleiding
daartoe te doorgronden, welke zij ook in haar eigen hart ontdekte. En
dit was, dunkt me, het natuurlijke gevolg van die sympathie, welke zoo
dikwijls door minnenden opgemerkt is, en die genoegzaam verklaart,
waarom zij zoo veel helderder zag dan haar vader.
Maar, om de waarheid te zeggen, er is eene veel eenvoudiger en
duidelijker wijze om het meerdere doorzigt te verklaren, hetwelk
sommige menschen boven anderen bezitten, en dat niet slechts geldt van
minnenden, maar van alle andere stervelingen. Hoe komt het dat de
schelm, over het algemeen, zoo spoedig de teekens en uitwerksels der
schelmerij ziet, waardoor een eerlijk man, die veel meer verstand
bezit, zoo dikwerf gefopt wordt? Er bestaat, voorwaar geene algemeene
sympathie onder de schelmen, en zij hebben ook niet, als de
vrijmetselaren, eenig bijzonder herkenningsteeken. In waarheid,—het is
alleen omdat zij met dezelfde zaak vervuld zijn, en al hunne gedachten
dezelfde rigting volgen. Dus is het geen wonder dat Sophia de
duidelijke kenmerken der liefde bij Jones zag en dat Western ze niet
zag,—vooral als wij bedenken, dat de gedachte aan liefde nooit bij den
vader opkwam, terwijl de dochter, voor het oogenblik, aan niets anders
dacht.
Toen dus Sophia overtuigd was van de hevigheid der aandoening, welke
den armen Jones kwelde, en ook niet minder daarvan, dat zij zelve het
voorwerp zijner liefde was, kostte het haar hoegenaamd geene moeite, om
zijn gedrag te verklaren. Dit maakte hem haar slechts des te
dierbaarder, en wekte in haar hart op twee der beste aandoeningen, die
een minnaar wenschen kan bij zijne uitverkorene te doen ontstaan. Deze
waren hoogachting en medelijden; want zeker zal de strengste en
onbarmhartigste van haar geslacht het haar niet euvel duiden, dat zij
een man beklaagde, dien zij om harentwil ellende zag lijden, en zij kan
haar ook niet berispen omdat zij iemand achtte, die blijkbaar, slechts
om de meest eervolle redenen, de vlam in zijn eigen borst trachtte te
smoren, welke, even als de gestolen vos van den jongen Spartaan, hem
doodelijk kwetste.
Dus pleitten zijne ingetrokkenheid, zijne zucht om haar te vermijden,
zijne koelheid en zijn stilzwijgen, op de vurigste en meest
welsprekende wijze ten zijnen voordeele, en werkten zoo krachtig op
haar gevoelig en teeder hart, dat zij weldra al die zachte
gewaarwordingen gevoelde, die overeen te brengen zijn met een
deugdzamen en verhevenen vrouwen-aard. In één woord, zij was bezield
met al de gevoelens, welke achting, dankbaarheid en medelijden opwekken
kunnen voor een innemend mensch,—en die zoo ver gingen als de uiterste
kieschheid dat toeliet;—om kort te gaan,—zij was smoorlijk op hem
verliefd.
Op zekeren dag ontmoetten deze jonge lieden elkaar bij toeval in den
tuin, aan het einde van twee paden, die beide uitliepen op het kanaal,
waarin Jones gevaar geloopen had om te verdrinken, toen hij het
vogeltje dat Sophia verloren had, weder wilde vangen.
Deze plek was in den laatsten tijd druk bezocht door Sophia. Hier plagt
zij te mijmeren, met een vermengd gevoel van leed en genoegen, over
eene gebeurtenis, die hoe beuzelachtig op zich zelve, welligt den
eersten kiem had gelegd van die liefde, die nu in haar hart tot
rijpheid was gekomen.
En hier ook kwam het jonge paar bijeen. Zij waren reeds digt bij
elkaar, eer zij iets van elkaar gezien hadden. Een toeschouwer zou
teekenen genoeg van verlegenheid in beider houding opgemerkt hebben;
maar zij gevoelden zelve te veel, om iets te kunnen waarnemen. Zoodra
Jones van zijne eerste verrassing wat hersteld was, sprak hij de jonge
dame met de gewone beleefdheidsvormen aan, welke zij op dezelfde wijze
beantwoordde, en hun gesprek begon, als gewoonlijk, over den heerlijk
schoonen avond. Hiervan gingen zij over tot de schoonheid van de plek
zelve, welke Jones buitensporig roemde. Toen zij bij den boom kwamen,
waaruit hij vroeger in het water gevallen was, kon Sophia het niet
laten hem daaraan te herinneren en zeide: „Ik verbeeld me, mijnheer
Jones, dat ge rillen moet, als gij dat water ziet.”
„Ik verzeker u, mejufvrouw,” hernam Jones, „dat het verdriet door u aan
den dag gelegd over het verlies van uw vogeltje, voor mij altijd het
belangrijkste van de heele zaak zal schijnen. Het arme diertje! Daar is
de tak waarop het zat. Hoe kon het zoo dwaas zijn, om dat geluk te
ontvlugten, dat ik de eer had gehad het te schenken? Zijn lot was de
regtvaardige straf der ondankbaarheid.”
„Wezenlijk, mijnheer Jones,” zeide zij, „uwe dapperheid had u bijna een
even droevig lot bereid. De herinnering daaraan zal u zeker pijnlijk
wezen.”
„Als ik eenige reden heb met smart daaraan te denken,” antwoordde hij,
„is het misschien alleen dat het water niet iets dieper was, waardoor
ik veel hartzeer, dat het noodlot voor mij schijnt op te garen, had
kunnen ontgaan.”
„Foei, mijnheer Jones!” hernam Sophia. „Ik ben overtuigd, dat u dat
geen ernst is. Deze geveinsde verachting van het leven is slechts eene
overmaat van beleefdheid jegens mij. Gij zoudt de verpligtingen, welke
ik aan u heb, dat ge twee maal uw leven om mijnentwil gewaagd hebt,
willen verminderen. Wacht u het de derde keer op het spel te zetten!”
Deze laatste woorden werden door een onbeschrijfelijk liefelijken
glimlach vergezeld.
Jones hervatte, met een zucht: „dat goede raad te laat kwam,” en dan
haar teeder en vast in de oogen ziende, riep hij uit: „O, jufvrouw
Western,—kunt gij verlangen, dat ik langer leven zoude? Kunt gij mij
zooveel onheil toewenschen?”
Sophia, die de oogen nedergeslagen had, hernam eenigzins aarzelend:
„Wezenlijk, mijnheer Jones, ik wensch u niets kwaads toe.”
„O ik ken maar al te goed uw engelachtigen aard,” riep Jones, „uwe
hemelsche goedheid, die alle andere bekoorlijkheden overtreft,—”
„Kom, kom!” antwoordde zij, „ik begrijp u niet,—ik moet naar huis.”
„Ik,—ik wilde ook niet begrepen worden,” riep hij; „ja—gij kunt mij
niet begrijpen. Ik weet niet wat ik zeg. Door u hier zoo onverwacht aan
te treffen,—heb ik me laten verleiden,—om—in ’s hemels naam, vergeef me
als ik iets gezegd heb, dat u beleedigt;—ik bedoelde dat niet; ik zou
liever gestorven zijn;—ja, zelfs de gedachte daaraan zou doodelijk voor
mij zijn.”
„Ik sta verstomd!” hernam zij. „Hoe komt gij toch aan de gedachte, dat
gij mij hebt kunnen beleedigen?”
„De vrees gaat spoedig over in waanzin,” zeide hij, „en er is niets dat
ik zoo zeer vrees als u te beleedigen! Hoe zou ik dan spreken—zie mij
maar niet boos aan! Een blik van u zou mij kunnen vernietigen!—Ik
bedoel niets. Het is de schuld van mijne oogen,—of van uwe
schoonheid!—Wat zeg ik? Vergeef me als ik te veel gezegd heb.—Mijn hart
liep over. Ik heb zoo veel mogelijk tegen mijne liefde geworsteld en
den gloed willen verbergen, die mijn leven ondermijnt, en, naar ik
hoop, het mij spoedig onmogelijk zal maken u ooit weder te beleedigen.”
De heer Jones begon nu te beven, alsof hij de koorts had. Sophia, wier
toestand weinig van den zijne verschilde, antwoordde hem als volgt:
„Mijnheer Jones, ik zal niet veinzen u niet te begrijpen;—want
inderdaad, ik versta u maar al te goed; maar, om ’s Hemels wil, als gij
mij eenige neiging toedraagt, laat mij dan dadelijk naar huis gaan. Ik
hoop maar dat ik het zoo ver zal kunnen brengen!”
Jones, die zelf naauwelijks op de beenen kon blijven staan, bood haar
den arm, dien zij zich verwaardigde aan te nemen, maar hem tevens
smeekende haar voor het oogenblik niets meer van dien aard te zeggen.
Hij beloofde dat niet te doen, alleen nog vergiffenis vragende voor
hetgeen de liefde hem zoo zeer tegen zijn zin, verleid had te
zeggen;—dit, hernam zij, kon hij van haar verkrijgen, door voor de
toekomst te beloven meer op zijne hoede te zijn. Op deze wijze
drentelden en sidderden de jonge lieden naast elkaar verder, terwijl de
minnaar het niet eens waagde zijner beminde de hand te drukken, hoewel
die in de zijne lag.
Sophia ging dadelijk naar hare kamer, waar juffer Honour, met het
reukfleschje onmiddellijk ter hulp geroepen werd. Wat den armen Jones
aangaat, de eenige afleiding voor zijn gekwelden geest, werd hem
geschonken door eene onaangename tijding, welke,—daar ze ons op een
geheel ander terrein brengt dan wat de lezer in den laatsten tijd hier
gezien heeft,—wij hem in het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.