Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde
tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het
moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in
geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was
erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De
meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden
geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene
verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat
het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de
toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd
genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste
teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle
mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen
duur zou zijn.
Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen
stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard,
dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste
geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken,
om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen.
Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat
zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne
lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem
kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar
zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te
schenken, waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale
tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier
echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen
zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig,
voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich
daartegen verzetten.
Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly
alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware
som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem
aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen
herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen
zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en
vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken
hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare
liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met
een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan
hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij
besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene
aanbieding in dien zin te doen.
Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij
gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur
uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging
de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met
thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later
vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly
boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen
toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare
slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote
verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van
binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in
slaap was geweest.
Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen
voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij
plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat
zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het
gebruik van al onze vermogens beroofd worden. Het is dus niet te
verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op
Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en
eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten
waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones
aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het
bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia
vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.
Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden
hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek
aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer
Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien,
ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking,
welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou
zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het
wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried
hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige
gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te
bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare
verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen
zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker
den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel
gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met
hem bleef leiden.
Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed
van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:
„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu
verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en
verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar
hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet
gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat
geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart
hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo
lang ik leef, zal ik geen anderen man beminnen! Alle andere mannen
bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen
naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal
altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”
Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak
eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly
sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende
gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch
verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt
dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het
vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast
ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te
spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde,
waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok,
waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij
in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof
beveiligd waren.
Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het
karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de
plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van
woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of
dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar
juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld
staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat
er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik
schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den
wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet,
dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.
Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men
„krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de
Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar
straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.
Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en staarde met groote
oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de
wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou
gekost hebben niet hardop te lagchen.
Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als
Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten
uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een
toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij
zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.
Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig
dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen,
uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie
mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die
van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt
hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het
onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en
wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen.
Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en
verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof
tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar
de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom
leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.
De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen,
zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in
den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij
haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord,
dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene
nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te
komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter
goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het
oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.
Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square,
niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren
gerangschikt. De moeijelijkheid dus, welke hij veronderstelde te zullen
ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn
goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen
om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin
voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden,
welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs
de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd
van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en
schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner
studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis
dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.
Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der
deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te
strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet
lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met
één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan
kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou
geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.
De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan
Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel,
als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou
Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet
alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook
van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de
afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige
gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje
zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den
wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square
zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het
hart van Molly schuilden.
Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones
voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en
Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide
dat zij niet te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde
welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo
veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot
was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel
ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben,
om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.
Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat
hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit
te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had
haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu
zoo ongelukkig ontdekt werd.
Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed,
riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over.
Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog
niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de
stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te
verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt
te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en
soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als
zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren,
blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te
steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze
ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid,
welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en
hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.
Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig
er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer
verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel
misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en
dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly
door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en
daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te
geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te
bevrijden.
Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar
hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en
zeide:
„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking,
en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten
toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na
te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb
me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets
gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de
regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid
wordt geregeld volgens den aard der dingen, en niet door gebruiken,
vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet
onnatuurlijk is.”
„Goed geredeneerd, oude jongen!” zei Jones; „maar hoe komt gij er toe,
te denken dat ik u zou willen ten toon stellen? Ik verzeker u, dat ik
nooit meer met u ingenomen was, dan op dit oogenblik, en tenzij gij
lust gevoelt uzelven te verklappen, zal deze zaak, wat mij betreft,
altijd geheim blijven.”
„Wel, mijnheer Jones,” hernam Square, „gij moet u niet verbeelden, dat
ik niets om een goeden naam geef. Een goede naam behoort tot het
Schoone en het is zeer ongepast dien te verwaarloozen. Bovendien is het
eene soort van zelfmoord om zijn eigen goeden naam te vermoorden,—en
dat is eene verachtelijke ondeugd. Als gij dus goed vindt eenig klein
zwak van mij te verbergen (en misschien ben ik niet geheel en al van
gebreken vrij, daar geen mensch volmaakt is), beloof ik u, mijzelven
niet te verklappen. Het mag gepast zijn eenige dingen te doen, waarop
het ongepast zou zijn zich te beroemen; want, volgens het verkeerde
oordeel der wereld, wordt datgene dikwerf berispt, dat, naar waarheid,
niet slechts onschuldig, maar ook loffelijk is.”
„Goed zoo!” riep Jones. „Wat zou er ook onschuldiger kunnen zijn, dan
het voldoen aan eene natuurlijke drift,—of wat loffelijker, dan de
vermeerdering van ons geslacht?”
„Ernstig gesproken,” hernam Square, „ik verklaar altijd van dit
gevoelen te zijn geweest.”
„En toch,” antwoordde Jones, „was dit uw gevoelen niet, toen mijn
omgang met dit meisje voor het eerst ontdekt werd?”
„Nu—ik moet bekennen,” zei Square, „dat de zaak mij verkeerd
voorgesteld werd door dominé Thwackum, en dat ik dus de verleiding der
onschuld veroordeelde; dat was het alleen, mijnheer,—en dat—en—en ge
begrijpt wel, mijnheer Jones, dat in de beoordeeling van regt en
onregt, de geringste omstandigheden, mijnheer,—ja, de allergeringste
omstandigheden in overweging moeten genomen worden, daar ze een groot
onderscheid—”
„Nu,” viel hem Jones in de rede, „hoe dat ook zij, gij zult het alleen
aan u zelven te wijten hebben, zooals ik u beloofd heb, als ge ooit
iets meer van deze zaak hoort. Gedraag u goed ten opzigte van het
meisje, en ik zal er nooit één woord van vertellen, aan wien ook. En,
Molly, blijf gij maar uw vriend getrouw, en ik zal niet slechts uw
ontrouw ten mijnen opzigte vergeven, maar u ook van dienst wezen, waar
ik maar kan.”
Met deze woorden nam hij overhaast afscheid, en de ladder afvliegende,
verliet hij met den meesten spoed het huis. Square was maar al te
blijde, dat zijn avontuur zoo goed afliep, en wat Molly aangaat, zoodra
zij herstelde van hare eerste verlegenheid, begon zij Square te
verwijten, dat hij haar het verlies van Jones berokkend had;—maar die
heer vond weldra gelegenheid haar toorn te verzachten, deels door
liefkozingen, en deels door toediening van een beproefd geneesmiddel
uit zijne beurs, dat verbazend krachtig werkt om het gemoed te
verhelderen en den geest in een goeden luim te brengen.
Zij overlaadde nu haar nieuwen minnaar met een stortvloed van
teederheid, spotte over al hetgeen zij aan Jones gezegd had en over
Jones zelven, en zwoer dat hoewel hij eens haar persoon bezeten had,
niemand dan Square ooit meester geweest was van haar hart.