HOOFDSTUK II.

WAARIN DE HEER JONES VELE VRIENDSCHAPPELIJKE BEZOEKEN ONTVANGT

GEDURENDE ZIJNE ZIEKTE, MET EENIGE HEEL KLEINE SPOREN VAN VERLIEFDHEID,

DIE NAAUWELIJKS VOOR HET BLOOTE OOG ZIGTBAAR ZIJN.

Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige

hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna

dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en

zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe

gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem

tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en

dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op

dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en

verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd

door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van

genot.

Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling,

en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem

aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de

zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de

toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde

hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke

hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden,

tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij

er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven.

Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken

opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot

zijn eigen best.”

Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde

het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was

echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn

leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne

zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën

den hemel te danken, dat hij slechts den arm en niet den nek gebroken

had, welk laatste ongeluk, merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot

eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver

verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er

dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen

was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel

soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus

aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere

rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn

goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden

door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij

iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik

vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw

te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even

ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maar liberavi animam meam. Ik heb me

geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te

zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere

verdoemenis hier namaals.”

Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een

wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als

een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met

dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der

stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot

het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een

misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk

niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van

zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met

dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae

van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op

zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij

zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een

einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een

paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze

gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar hij er bij was, en

dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem

zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk

een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins

knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt,

en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij

welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben,

als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in

strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den

vrede te doen bewaren.

De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit

alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden,

en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed

voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij

zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet

mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van

Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet

zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit,

dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest

worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is,

door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er

bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij

onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”

Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij

hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms,

om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te

beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een

kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit

algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden

van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat

hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te

beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op

zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige

„Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad, als hij Jones bezocht,

zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.

Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard

ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra

Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader

medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in

staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had

hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de

oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner

geliefkoosde oude liederen te vragen.

Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde

in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide

eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde

gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats

uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare

lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en

allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.

Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar

haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep:

„Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken

dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat

de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik,

„hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong

meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners

doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in

het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er

over te schamen.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het

ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het

gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”

„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te

stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet

aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven;

want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen, als er

iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen

vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met

uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”

Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne

aanbieding.

„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed.

Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”

„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar

aan de honden gegeven hebben!”

„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken

heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te

veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”

Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader

te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit

afsloeg.

Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas

vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke

drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak

toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader

afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en

speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut

geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die

wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan

oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij

al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper

nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene

of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge

heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger

ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven

niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener

jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene

opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.

Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten ze bij hem zulk

eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed

de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen

zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare

schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen

was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige

gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en

nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde

hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried

hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde

dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was

gebleven.

Tom Jones · 第 67 / 340 题