WAARIN DE HEER JONES VELE VRIENDSCHAPPELIJKE BEZOEKEN ONTVANGT
GEDURENDE ZIJNE ZIEKTE, MET EENIGE HEEL KLEINE SPOREN VAN VERLIEFDHEID,
DIE NAAUWELIJKS VOOR HET BLOOTE OOG ZIGTBAAR ZIJN.
Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige
hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna
dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en
zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe
gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem
tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en
dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op
dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en
verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd
door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van
genot.
Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling,
en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem
aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de
zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de
toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde
hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke
hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden,
tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij
er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven.
Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken
opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot
zijn eigen best.”
Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde
het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was
echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn
leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne
zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën
den hemel te danken, dat hij slechts den arm en niet den nek gebroken
had, welk laatste ongeluk, merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot
eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver
verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er
dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen
was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel
soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus
aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere
rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn
goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden
door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij
iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik
vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw
te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even
ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maar liberavi animam meam. Ik heb me
geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te
zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere
verdoemenis hier namaals.”
Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een
wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als
een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met
dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der
stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot
het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een
misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk
niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van
zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met
dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae
van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op
zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij
zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een
einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een
paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze
gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar hij er bij was, en
dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem
zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk
een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins
knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt,
en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij
welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben,
als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in
strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den
vrede te doen bewaren.
De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit
alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden,
en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed
voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij
zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet
mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van
Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet
zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit,
dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest
worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is,
door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er
bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij
onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”
Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij
hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms,
om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te
beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een
kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit
algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden
van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat
hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te
beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op
zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige
„Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad, als hij Jones bezocht,
zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.
Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard
ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra
Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader
medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in
staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had
hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de
oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner
geliefkoosde oude liederen te vragen.
Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde
in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide
eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde
gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats
uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare
lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en
allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.
Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar
haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep:
„Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken
dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat
de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik,
„hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong
meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners
doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in
het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er
over te schamen.”
„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het
ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het
gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”
„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te
stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet
aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven;
want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen, als er
iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen
vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met
uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”
Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne
aanbieding.
„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed.
Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”
„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar
aan de honden gegeven hebben!”
„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken
heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te
veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”
Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader
te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit
afsloeg.
Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas
vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke
drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak
toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader
afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en
speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut
geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die
wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan
oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij
al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper
nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene
of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge
heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger
ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven
niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener
jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene
opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.
Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten ze bij hem zulk
eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed
de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen
zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare
schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen
was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige
gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en
nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde
hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried
hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde
dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was
gebleven.