VAN DEN ERNST IN HET SCHRIJVEN, EN WAARTOE DIE DIENT.

Misschien zal er niets wezen in dit verbazend werk, dat den lezer

minder genoegen schenkt dan juist datgene, wat den schrijver de meeste

moeite kostte. Hieronder zal men waarschijnlijk tellen die inleidende

verhandelingen, welke de geschiedkundige stof van elk boek vooraf gaat,

en die wij als onmisbaar achten bij den schrijftrant waarvan wij het

voorbeeld willen geven.

Wij rekenen ons volstrekt niet verpligt, eenige reden aan te voeren

voor dit ons gevoelen; daar het reeds meer dan voldoende is, dat wij

het als een noodzakelijken regel vastgesteld hebben bij alle

proza-komisch-epische geschriften. Wie heeft ook ooit de redenen

gezocht van die eenheden van tijd en plaats, die nu zoo bepaaldelijk

als een vereischte worden beschouwd in de dramatische dichtkunst? Aan

welken criticus heeft men ooit durven vragen, waarom een tooneelstuk

niet even goed twee dagen als slechts één mogt bevatten? Of waarom de

toehoorders (mits zij als vrije kiezers kosteloos van de eene plaats

tot de andere vervoerd worden), niet even goed vijftig als vijf mijlen

zouden reizen? Heeft eenige commentator ooit de beperkingen verklaard,

die een criticus onder de ouden voorgeschreven heeft voor het drama,

dat, volgens hem, niet meer en ook niet minder dan vijf bedrijven

bevatten mag? Of heeft eenig levend mensch ooit getracht uit te leggen,

wat onze nieuwere theaterbeoordeelaren bedoelen met het woord „plat”,

waardoor het hun gelukt is om alle humor van het tooneel te bannen en

zij de komedie zoo vervelend als eene receptiezaal gemaakt hebben? Bij

al deze gelegenheden schijnt de wereld een stelregel van onze

regtsgeleerden omhelsd te hebben, namelijk: cuicunque in arte sua

perito credendum est; want het schijnt eenigzins moeijelijk te

begrijpen, dat iemand de onbescheidenheid zou hebben om, zonder eenig

regt, stellige regels voor eenige kunst of wetenschap voor te

schrijven. In zulke gevallen dus, zijn wij geneigd te gelooven, dat er

in den grond wezenlijk gezonde en degelijke redenen bestaan, hoewel

wij, ongelukkig, niet zoo diep kunnen zien.

Maar, inderdaad, de wereld is al te beleefd jegens de critici geweest,

en heeft zich verbeeld, dat zij veel dieper denken dan wezenlijk het

geval is. Deze toegevendheid heeft de critici aangemoedigd om zich eene

dictatoriale magt toe te eigenen, en dit is hun in zoo ver gelukt, dat

zij nu de meesters zijn geworden en de stoutheid hebben de wetten voor

te schrijven aan die schrijvers, van wier voorgangers zij ze

oorspronkelijk gekregen hebben.

De criticus, wel beschouwd, is niets meer dan de griffier, wiens ambt

het is, om de regels en wetten over te schrijven, door die verhevene

regters vastgesteld, wier onmetelijk genie hen als wetgevers doet

beschouwen in de verschillende vakken, waarin zij uitgeblonken hebben.

Dit was ook het eenige ambt, waarnaar de critici van ouds streefden, en

zij waagden het nooit een vonnis te vellen, zonder het te bekrachtigen

door het gezag van den regter, van wien zij het gekregen hadden.

Maar, met der tijd, en in de eeuwen der onwetendheid, begon de griffier

inbreuk te maken op het gezag en zich de waardigheid van zijn meester

aan te matigen. De wetten van het schrijven waren niet meer gegrond op

de gewoonten van den schrijver, maar op de voorschriften van den

beoordeelaar. De griffier werd de wetgever, en diegenen, wier

oorspronkelijke taak het was de wetten slechts af te schrijven, stelden

nu zelve zeer willekeurig de wet.

Hieruit is een blijkbare en misschien onvermijdelijke dwaling ontstaan;

want deze critici, mannen zijnde van zeer geringe bekwaamheden, namen

zeer ligt den schijn voor het wezen aan. Zij handelden op de wijze van

een regter, die de doode letter van de wet zou willen volgen zonder aan

den geest te denken. Kleine bijzonderheden, welke misschien slechts

toevallig bij een grooten schrijver gevonden worden, werden door deze

critici beschouwd als zijn hoofdverdienste en als hoofdvereischte ook

aanbevolen aan al zijne opvolgers. Aan deze inbreuken verleenden tijd

en onwetendheid, de beide groote steunpilaren van het bedrog, gezag, en

dus werden vele regels voor het schrijven vastgesteld, welke noch in de

natuur noch in de waarheid eenigen grond hebben, en die gewoonlijk tot

niets anders dienen dan om het genie te belemmeren en te beteugelen, op

dezelfde wijze als men den dansmeester belemmerd zou hebben, als men in

de vele heerlijke leerboeken over die kunst, als stelregel aangenomen

had, dat iedereen geboeid moet dansen.

Om derhalve alle beschuldigingen te voorkomen van regels voor de

nakomelingschap te hebben willen vaststellen, alleen gegrond op het

gezag van een ipse dixit, waarvoor wij bekennen niet bijzonder veel

eerbied te koesteren, zullen wij het voorregt, dat men zich vroeger

aanmatigde, hier opgeven, en voortgaan met den lezer de redenen bloot

te leggen, welke ons overgehaald hebben de verschillende

tusschengevoegde afwijkingen in den loop van dit werk in te lasschen.

En dit zal ons noodzakelijk aanleiding geven om eene nieuwe bron van

kennis te openbaren, die, al werd ze reeds vroeger ontdekt, voor zoo

ver wij weten, nooit door eenigen ouden of nieuwen schrijver gebruikt

is. Deze bron is niets anders dan die der tegenstelling, welke zigtbaar

is in alle werken der schepping, en waarschijnlijk er veel toe

bijdraagt om het begrip van alle schoonheid in ons duidelijk te maken;

want waardoor wordt de schoonheid, of de heerlijkheid van wat ook, meer

bewezen, dan door het tegenovergestelde daarvan? Dus wordt de

schoonheid van den dag en die van den zomer verhoogd door de

afgrijsselijkheid van den nacht en van den winter. En ik geloof, dat

als het mogelijk ware voor een mensch slechts de beide eersten te zien,

hij een zeer onvolmaakt denkbeeld van hunne schoonheid zou hebben.

Maar, om een al te ernstigen toon te vermijden:—kan men er aan

twijfelen, dat de schoonste vrouw ter wereld al de voorregten van hare

bekoorlijkheden zou missen, in het oog van een man, die nooit eene

minder begaafde vrouw had gezien? De dames zelve schijnen hiervan zoo

overtuigd, dat zij zich alle beijveren iets te vinden dat afsteekt

tegen hare schoonheid;—ja, zij nemen die rol op zich tegenover zich

zelve; want ik heb wel eens opgemerkt (vooral te Bath), dat zij zich

moeite geven om ’s morgens zoo leelijk mogelijk te schijnen, ten einde

de schoonheid, welke zij des avonds ten toon willen spreiden, des te

meer in het oog te doen vallen.

De meeste kunstenaren kennen de praktijk van dit geheim, hoewel velen

welligt de theorie er van niet bestudeerd hebben. De juwelier weet, dat

de schoonste diamant gezet moet worden, om goed uit te komen, en de

schilder oogst dikwijls grooten roem in door de tegenstelling, welke

zijne figuren opleveren.

Een groot genie onder de Engelschen bewijst deze stelling ten

duidelijkste. Ik kan hem inderdaad niet brengen onder eenige kathegorie

der gewone kunstenaren, daar hij aanspraak heeft op eene plaats onder

diegenen

„Inventas qui vitam excoluere per artes.”

„Die door het uitvinden der kunsten het leven veredeld hebben.”

Ik bedoel hiermede de uitvinder van dat heerlijke tijdverdrijf de

Engelsche Pantomime.

Dit schouwspel bestond uit twee deelen, welke de uitvinder

onderscheidde als het ernstige en het komische deel. Het ernstige

vertoonde een zeker aantal heidensche goden en helden, die zeker het

slechtste en vervelendste gezelschap uitmaakten waarin de toehoorder

ooit gebragt werd, en die (en dit was een geheim slechts aan weinigen

bekend,) eigenlijk alleen op deze wijze voorgesteld werden, om het

komieke gedeelte van de voorstelling te doen uitkomen en de kunstjes

van den harlekijn des te voordeeliger te laten uitblinken.

Het was welligt niet heel beleefd zulke persoonaadjes tot zulk een

doeleinde te gebruiken, maar de uitvinding was niettemin zeer vernuftig

en miste hare uitwerking niet. En dit zal nu duidelijk blijken, als

wij, in plaats van de woorden ernstig en komiek, de uitdrukking

„vervelender” en „allervervelendst” bezigen; want het komieke was zeker

vervelender dan iets wat men vroeger ten tooneele gevoerd had, en kon

alleen schitteren door de tegenstelling met hetgeen in den hoogsten

graad vervelend was,—zoo als het ernstige.

Inderdaad, die goden en helden waren zoo onverdragelijk ernstig, dat

harlekijn (hoewel de Engelschman van dien naam geene familie is van

zijn naamgenoot in Frankrijk; waar hij veel ernstiger van aard is),

altijd op het tooneel welkom was, daar hij de toehoorders verloste van

veel slechter gezelschap.

Oordeelkundige schrijvers hebben altijd deze kunst met den besten

uitslag beoefend. Het verwondert me, dat Horatius ze bij Homerus

berispt; maar inderdaad, hij spreekt zich zelven tegen in den

eerstvolgenden regel:

„Indignor quandoque bonus dormitat Homerus;

Verum opere in longo fas est obrepere somnum.”

„’t Spijt me als soms Homerus zelf slaapt,

Schoon bij lang werk men aanspraak heeft op rust.”

Want wij moeten het niet zoo opnemen, als sommigen welligt gedaan

hebben, dat de schrijver wezenlijk inslaapt onder het schrijven. ’t Is

wel waar dat zoo iets den lezer ligt overkomt; maar al is het werk nog

zoo lang, stelt de schrijver zelf er veel te veel belang in om het

minste gevaar te loopen van dommelig te worden. Hij is, gelijk Pope

zegt:

„Slaaploos zelf, opdat de lezer slape!”

Eigenlijk gezegd, zijn deze slaapwekkende deelen slechts zoovele

ernstige tooneelen, kunstmatig er in geweven, om het overige te doen

uitkomen, en dit is hetgeen wezenlijk bedoeld werd door wijlen zekeren

grappigen schrijver, die het publiek verzekerde, dat telkens als men

hem vervelend vond, men er op staat kon maken, dat dit zijn voornemen

was. In dit licht dan, of liever in deze duisternis, wenschte ik dat de

lezer deze inleidende verhandelingen beschouwen wilde;—en als hij na

deze waarschuwing, van meening is, dat hij nog ernst genoeg zal vinden

in andere deelen van deze geschiedenis, kan hij deze inleidingen,

waarin het ons voornemen is bepaaldelijk vervelend te zijn, overslaan,

en de volgende boeken bij het tweede hoofdstuk beginnen.

Tom Jones · 第 66 / 340 题