EEN SLAG, DOOR DE MUZE IN DEN TRANT VAN HOMERUS BEZONGEN, EN DIE DUS
ALLEEN DOOR DEN KLASSIEK GEVORMDEN LEZER GEWAARDEERD ZAL WORDEN.
De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis
bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er
ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia
waren er op dit oogenblik tegenwoordig.
Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om
haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die
wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.
Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne
dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde
verzorgen en mogelijk het meisje als kamenier nemen, zoodra hare eigene
meid, die nu wegging, haar verlaten had.
De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij
wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe
te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat
Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen,
vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”
„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig
aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar
te wagen.”
De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij
hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis
bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had
zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote
luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was
geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in
scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging
tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen
aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was
voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze
behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij
geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij
hier eene hoogere magt inroepen.
Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te
bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op
die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw
vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe
hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven
alles te vermogen!
Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer,
loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren
in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het
graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en
andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen
waren. Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en
anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was
voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend
vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen
opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek
smeten.
Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de
in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij
haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna
een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster
ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas
gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar
dienzelfden avond iemand begraven zou worden.
Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die
aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat
zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels
bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de
maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen,
zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard
was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen
aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige
dappere held en heldin nedergeveld werden.
Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen
dag vielen!
Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn
achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende
Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op
kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en
herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans
beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene
muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder
op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder,
die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij
was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis. Op dit
oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als
wettigen buit, opgreep.
Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen,
waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der
dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te
staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen
beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij
ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het
eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en
maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der
vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen
werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te
zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van
een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling,
Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader
de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de
stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder
de grafsteenen.
Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar
velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.
Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als
zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede
zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël
Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente
ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in
die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat hare trofeën
rond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël
door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde
verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen
droeg van hare krijgshaftige talenten.
Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij
verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak
zij:
„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van
Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele vrouw te
vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve,
met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”
Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het
dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop
Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig
in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus
vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den
doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand
in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom
vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.
Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders
hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval
legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide
tot haar midden ontbloot werden.
Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij
dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men
zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten
strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver
doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de
meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat
sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger
zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het
gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe
eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.
Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij
inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo
noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud
perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel
kwaad te doen.
Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was
in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown
zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te
geven, als de gelukkige aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet
plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.
Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de
jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een
ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square,
van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij
ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een
anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar
beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder
voorbij.
De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee
vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn
paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich
achter het oor en hernam:
„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk
neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen
vrouw Brown en Molly Seagrim.”
„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten;
want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van
hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan
en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het
eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld
had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het,
misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve
den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om
haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en
daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd
werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de
Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het
goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij
onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld
werden.
Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed
als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende
ridder dit deed, keerde hij bij Molly terug, die hij in een toestand
vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te
beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst,
rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan
iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas
uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd,
wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt,
en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een
kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon
brengen.
De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij
er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde,
moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.
De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij
kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze
werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar
vergezelden.
Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te
hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne
Molly en volgde zijne makkers.