HOOFDSTUK VIII.

EEN SLAG, DOOR DE MUZE IN DEN TRANT VAN HOMERUS BEZONGEN, EN DIE DUS

ALLEEN DOOR DEN KLASSIEK GEVORMDEN LEZER GEWAARDEERD ZAL WORDEN.

De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis

bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er

ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia

waren er op dit oogenblik tegenwoordig.

Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om

haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die

wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.

Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne

dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde

verzorgen en mogelijk het meisje als kamenier nemen, zoodra hare eigene

meid, die nu wegging, haar verlaten had.

De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij

wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe

te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat

Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen,

vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”

„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig

aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar

te wagen.”

De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij

hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis

bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had

zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote

luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was

geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in

scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging

tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen

aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was

voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze

behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij

geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij

hier eene hoogere magt inroepen.

Gij Muzen dan, wie gij ook zijt, die u er op toelegt om veldslagen te

bezingen, en voornamelijk gij, die vroeger de slagting beschreeft op

die velden, waar Hudibras en Trulla streden;—als gij niet met uw

vriend, den dichter Butler, van honger gestorven zijt,—verleen mij uwe

hulp bij deze gewigtige gelegenheid! Het is niet een ieder gegeven

alles te vermogen!

Even als eene groote kudde koeijen, op het erf van een rijken boer,

loeijen en brullen als zij, terwijl zij gemolken worden, hare kalveren

in de verte over den diefstal hooren klagen, zoo brulde dan ook het

graauw van Somerset, met even zooveel soorten van kreten, gillen en

andere geluiden als er verschillende personen of hartstogten onder hen

waren. Sommigen waren bezield door toorn, anderen door vrees, en

anderen waren vervuld met niets dan lust tot kattenkwaad;—maar het was

voornamelijk de nijd, de zuster van den Satan, welke hem aanhoudend

vergezelt, die onder de menigte rondvloog en de woede der vrouwen

opstookte, die zoodra zij Molly bereikten, haar met vuil en drek

smeten.

Molly, die te vergeefs gepoogd had te vlugten, keerde zich nu om, en de

in lompen gehulde Bet grijpende, die den vijand aanvoerde, velde zij

haar met één slag ter neder. Het geheele vijandige leger,—hoewel bijna

een honderdtal strijders tellende,—het lot van zijn aanvoerdster

ontwarende, week eenige passen achteruit en nam positie achter een pas

gedolven graf,—want de strijd viel voor op het kerkhof, waar

dienzelfden avond iemand begraven zou worden.

Molly maakte gebruik van haar voordeel, en een schedel opgrijpende, die

aan den rand van het graf lag, smeet zij hem met zooveel kracht, dat

zij een kleermaker daarmede op het hoofd raakte, en de beide schedels

bij hunne ontmoeting een dof geluid gaven, waardoor de kleêrmaker de

maat nam van den grond, en waar de twee hoofden nu naast elkaarlagen,

zoodat het moeijelijk te beslissen was, welk van beide het meeste waard

was. Molly daarop een dijbeen opvattende, viel de vlugtende gelederen

aan, en deelde naar alle kanten hare milde slagen uit, zoodat menige

dappere held en heldin nedergeveld werden.

Verkondig, o Muze, de namen van diegenen, welke op dezen noodlottigen

dag vielen!

Eerst gevoelde Jakob Tweedle het onheil brengende been op zijn

achterhoofd. Hem hadden de aangename oevers van de schoon kronkelende

Stour gevoed, waar hij eerst des zangers kunst leerde, waarmede hij, op

kermissen en feesten heen en weer trekkende, de landelijke nimfen en

herders bekoorde als zij op het groene perk den opwekkenden dans

beoefenden, terwijl hij zelf stond te fiedelen en bij zijne eigene

muzijk te springen. Wat baat hem nu die viool? Zijn ligchaam valt neder

op de groene zoden. Na hem viel de grijze Echepole, de varkenssnijder,

die van de heldhaftige Amazone een slag op het voorhoofd ontving. Hij

was lijvig en groot van ligchaam en viel zwaar als een huis. Op dit

oogenblik gleed hem de tabaksdoos uit den zak, welke Molly, als

wettigen buit, opgreep.

Daarop struikelde, ongelukkig, Kaat van den molen, over een grafsteen,

waaraan haar neerhangende kous haakte, en de natuurlijke orde der

dingen omkeerde, daar hare hielen hooger dan haar hoofd kwamen te

staan. Betsi Pippin, met den jeugdigen Roger, haar minnaar, vielen

beide ter aarde, waar, o ongunstig noodlot, zij den grond kuste en hij

ten hemel keek. Tom Freckle, des hoefsmids zoon, werd nu het

eerstvolgende slagtoffer harer woede. Hij was een kunstige werkman en

maakte heerlijke ijzeren beugels voor de houten overschoenen der

vrouwen:—en de overschoen waarmede hij nedergeveld werd, was zijn eigen

werk! Als hij op dat oogenblik in de kerk gebleven ware om psalmen te

zingen, zou hij die ramp ontgaan zijn. Mejufvrouw Crow, de dochter van

een boer; Jan Giddish, zelf een boer, Nancy Slouch, Hester Codling,

Willem Spray, Tom Bennet; de drie jonge dochters van Potter, wier vader

de herberg, „in den rooden Leeuw” houdt, Betje, de werkmeid en Jan, de

stalknecht, met vele anderen van minderen naam lagen te wentelen onder

de grafsteenen.

Niet allen echter door den krachtigen arm van Molly bereikt; maar

velen, op de vlugt, wierpen anderen omver.

Maar nu keerde Fortuna, vreezende haar karakter ontrouw te worden als

zij te lang dezelfde partij begunstigde, vooral als die voor de goede

zaak vocht, zich om, en voerde vrouw Brown aan,—haar, die Zedekiël

Brown als vrouw omhelsde,—en niet hij alleen, maar de halve gemeente

ook, zoo beroemd was zij in de heldenfeiten van Venus, zoowel als in

die van Mars. Haar man droeg altijd op hoofd en gelaat hare trofeën

rond; want zoo ooit een menschelijk hoofd, dan heeft dat van Zedekiël

door zijne horens de zegepralen zijner vrouw op het gebied der liefde

verkondigd, terwijl zijn diep gegroefd gelaat geene mindere sporen

droeg van hare krijgshaftige talenten.

Niet langer wilde deze Amazone de schandelijke vlugt harer partij

verdragen. Zij bleef staan en de vlugtenden luide toeroepende, sprak

zij:

„Gij mannen van Somersetshire, of liever, gij vrouwen van

Somersetshire, schaamt gij u niet aldus voor ééne enkele vrouw te

vlugten? Maar, zoo niemand anders haar weerstaan durft, zal ik zelve,

met Johanna Top, hier de eer der overwinning wegdragen!”

Zij sprak, vloog Molly Seagrim aan, ontwrong haar gemakkelijk het

dijbeen en rukte haar ter zelfder tijd de muts van het hoofd. Daarop

Molly met de linkerhand in het haar grijpende, sloeg zij haar zoo hevig

in het gezigt met de regter, dat het bloed spoedig uit haar neus

vloeide. Molly inmiddels bleef niet lijdelijk. Weldra rukte ook zij den

doek van het hoofd van vrouw Brown, greep haar tevens met de eene hand

in het haar en deed insgelijks met de andere hand een bloedstroom

vloeijen uit de neusgaten harer vijandin.

Toen de beide strijdenden genoegzamen buit geroofd hadden uit elkanders

hoofdhaar, keerde zich hare woede tegen de kleêren. In dezen aanval

legden zij zoo veel vuur aan den dag, dat binnen weinige minuten beide

tot haar midden ontbloot werden.

Gelukkig voor de vrouwen, dat als zij elkaar met de vuisten slaan, zij

dat niet doen op dezelfde plaatsen als de mannen;—want ofschoon men

zeggen kan, dat zij eenigzins haar geslacht vergeten als zij ten

strijde trekken, heb ik toch opgemerkt, dat zij het nooit in zoo ver

doen, dat zij elkaar op de borsten slaan, waar een enkele slag voor de

meeste vrouwen noodlottige gevolgen zou hebben. Het is mij bekend, dat

sommigen dit toeschrijven aan de omstandigheid, dat zij bloeddorstiger

zijn dan de mannen. Om deze reden beginnen zij met den neus, die het

gemakkelijkst aan het bloeden te krijgen is. Maar dit schijnt mij toe

eene zeer gezochte en onregtvaardige veronderstelling te zijn.

Vrouw Brown had op dit punt een groot voordeel boven Molly, daar zij

inderdaad geene borsten had, terwijl haar boezem, als men dien zoo

noemen mag,—zoowel in kleur als in vele andere opzigten op een stuk oud

perkament geleek, waarop men lang had kunnen trommelen zonder haar veel

kwaad te doen.

Molly, buiten en behalve haren bijzonderen ongelukkigen toestand, was

in deze ligchaamsdeelen anders geschapen, en de nijd van vrouw Brown

zou deze welligt er toe gebragt hebben haar een noodlottigen slag te

geven, als de gelukkige aankomst van Tom Jones op dit oogenblik niet

plotseling een einde had gemaakt aan dit bloedig tooneel.

Dit gelukkige toeval was te danken aan den heer Square; want hij, de

jonge Blifil en Jones waren, na kerktijd, te paard gestegen om een

ridje te doen, en waren ongeveer een kwartier ver gereden, toen Square,

van zin veranderde (niet uit grilligheid, maar om eene reden, welke wij

ter gelegener tijd zullen uitleggen), en de jonge heeren verzocht een

anderen weg in te slaan, dan dien, welken zij eerst gevolgd waren. Daar

beiden hierin toestemden, kwamen zij noodzakelijk het kerkhof weder

voorbij.

De jonge Blifil, die voorop reed, de verzamelde menigte ziende en twee

vrouwen in de positie, waarin wij de strijdenden lieten, hield zijn

paard in en vroeg wat er gaande was? Een boeren lummel krabde zich

achter het oor en hernam:

„Wel, mijnheer, ik weet er niets van,—ik—; maar als u ’t niet kwalijk

neemt, mijnheer, er is eene kloppartij geweest, geloof ik, tusschen

vrouw Brown en Molly Seagrim.”

„Vrouw Brown, en wie?” vroeg Tom, maar zonder op antwoord te wachten;

want de gelaatstrekken zijner Molly herkend hebbende, in weerwil van

hare ontsteltenis, sprong hij vlug van het paard, liet het dier staan

en sprong over den muur om haar te helpen. Zij barstte nu voor het

eerst in tranen uit, en vertelde hem hoe barbaarsch men haar behandeld

had. Waarop, zonder te denken aan het geslacht van vrouw Brown, of het,

misschien in zijne woede niet eens opmerkende, want, waarlijk, behalve

den rok, welken hij welligt niet zag, had zij weinig vrouwelijks om

haar te onderscheiden, gaf hij haar een paar klappen met zijn zweep, en

daarop het graauw aanvliegende, dat gezamentlijk door Molly beschuldigd

werd, deelde hij zijne slagen met zoo veel mildheid uit, dat, zonder de

Muze weer in te roepen,—wat een weinig hard zou zijn voor het

goedaardige schepsel, waarvan reeds zoo veel gevergd werd,—het mij

onmogelijk zou zijn de slagen op te sommen die dien dag nog uitgedeeld

werden.

Na de geheele omstreek van den vijand gezuiverd te hebben, even goed

als ooit eenig held van Homerus, of Don Quichot, of eenig ander dolende

ridder dit deed, keerde hij bij Molly terug, die hij in een toestand

vond, welken het mij en den lezer pijnigen zou hier weder te

beschrijven. Tom woedde als een razende. Hij sloeg zich op de borst,

rukte zich de haren uit, stampte met de voeten en zwoer wraak aan

iedereen, die in de zaak was betrokken geweest. Daarop trok hij den jas

uit, en knoopte dien om haar lijf, zette haar zijn hoed op het hoofd,

wischte haar het bloed zoo goed hij kon met den zakdoek uit het gezigt,

en beval den knecht zoo spoedig mogelijk naar huis te rijden om een

kussen of vrouwenzadel te halen, opdat hij haar veilig naar huis kon

brengen.

De jonge Blifil had er veel tegen den knecht weg te zenden, omdat zij

er slechts één bij zich hadden; daar Square echter Tom ondersteunde,

moest hij ook eindigen met zijne toestemming te geven.

De man was in een oogenblik terug en Molly hare lompen, zoo goed zij

kon, bijeen verzamelende, steeg achter den knecht op. Op deze wijze

werd zij naar huis gebragt, terwijl Square, Blifil en Jones haar

vergezelden.

Hier kreeg Jones zijn jas terug en na haar in stilte een kus gegeven te

hebben, met de belofte om dien avond terug te keeren, verliet hij zijne

Molly en volgde zijne makkers.

Tom Jones · 第 56 / 340 题