HOOFDSTUK VI.

EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ONGEVOELIGHEID VAN DEN HEER JONES

OMTRENT DE BEKOORLIJKHEDEN VAN SOPHIA, WAARDOOR WIJ WELLIGT ZIJN

KARAKTER ERNSTIG ZULLEN BENADEELEN IN DE SCHATTING VAN DIE EDELE EN

GALANTE MENSCHEN, DIE DE HELDEN BEWONDEREN VAN DE MEESTE ONZER

HEDENDAAGSCHE TOONEELSTUKKEN.

Er zijn, vrees ik, reeds twee soorten van menschen, die een laag

denkbeeld opgevat hebben van mijn held, wegens zijn gedrag ten opzigte

van Sophia. De eersten zullen zijn gedrag berispen, omdat hij de

gelegenheid liet voorbijgaan, om zich in het bezit te stellen van het

vermogen van den heer Western; en de laatsten zullen hem niet minder

verachten wegens zijne onverschilligheid jegens een schoon meisje, dat

gereed scheen hem in de armen te vliegen, zoodra hij ze openen wilde om

haar te ontvangen.

Hoewel het mij nu welligt niet mogelijk zal wezen hem op een dezer

punten vrij te pleiten,—want gebrek aan voorzigtigheid laat geene

verontschuldiging toe, en hetgeen ik tegen het tweede punt in te

brengen heb, zal, naar ik vrees, weinig voldoen,—zoo zal ik toch, daar

men soms verzachtende omstandigheden er in zou kunnen vinden, maar heel

eenvoudig de zaak bloot leggen en de beslissing aan den lezer

overlaten.

De heer Jones had iets over zich, hetwelk,—ofschoon het mij voorkomt,

dat de schrijvers het onderling niet eens zijn in den naam welken, zij

daaraan geven—zeker in sommige menschelijke harten woont, en dat dient,

niet zoo zeer om regt van onregt te onderscheiden, als om hen tot het

eerste aan te zetten, en hen van het laatste af te schrikken en te

weerhouden.

Dit kan welligt vergeleken worden bij den bekenden koffermaker in de

komedie;—want wanneer iemand, die het bezit, iets goeds doet, is er

niemand anders onder de toeschouwers zoo vurig, zoo luid in zijne

toejuiching; terwijl, van den anderen kant, als hij verkeerd doet, er

niemand meer geneigd is om hem uit te fluiten en weg te jagen.

Maar om een hooger denkbeeld te geven van het door mij bedoelde

grondbeginsel, en een, dat meer algemeen verstaanbaar is in deze eeuw,

kan men zeggen, dat het als het ware, in het menschelijk hart op den

troon zit, even als de groot-kanselier van dit rijk in zijn hof; dat

het aldaar bestuurt, regeert, vonnist, vrijspreekt of veroordeelt,

volgens regt en wet, met eene kennis, aan welke niets ontgaat, een

doorzigt dat door niets misleid, en eene eerlijkheid, welke door niets

omgekocht kan worden.

Dit werkzaam grondbeginsel mag welligt beschouwd worden als de groote

slagboom tusschen ons en onze buren de dieren; want, ofschoon er

sommigen zijn in menschelijke gestalte, die onder zijne leiding niet

staan, beschouw ik hen eerder als overloopers van ons tot onze buren,

onder wie zij het gewone lot van overloopers zullen ondervinden en niet

eens eene eerste plaats verdienen.

Onze held (of hij het verkregen had van Thwackum of Square laat ik

daar), stond in hooge mate onder den invloed van dit grondbeginsel;

want hoewel hij niet altijd goed handelde, handelde hij nooit verkeerd

zonder het te gevoelen en daardoor te lijden. Het was dit grondbeginsel

dat hem leerde, dat de beleefdheden en de kleine vriendschapsbewijzen

der gastvrijheid te vergelden door het huis te bestelen waar men ze

ontvangt, zoo veel is, als zich te verlagen tot den meest

verachtelijken en gemeenen dief. Hij verbeeldde zich niet dat de

laagheid van de misdaad verminderd werd door de grootte van het

toegebragte nadeel; integendeel, als het stelen van iemands tafelzilver

met dood en schande bestraft werd, scheen het hem moeijelijk eene

geëvenredigde straf te bedenken voor het ontstelen van iemands geheel

vermogen met zijne dochter er bij.

Dit grondbeginsel belette hem dus eenige gedachte te koesteren van op

deze wijze fortuin te maken,—want, gelijk ik gezegd heb, is het een

zeer werkzaam grondbeginsel en stelt zich niet alleen tevreden met

weten en gelooven. Als hij zeer verliefd was geweest op Sophia, zou hij

welligt anders gedacht hebben; maar, vergun me op te merken, dat er een

groot verschil bestaat tusschen iemands dochter uit liefde te schaken,

of dat te doen alleen uit geldzucht.

Hoewel nu deze jongeling niet ongevoelig was voor de bekoorlijkheden

van Sophia; hoewel hij hare schoonheid zeer bewonderde, en al hare

overige goede hoedanigheden wist te schatten, had zij toch geen diepen

indruk op zijn hart gemaakt;—en dit zullen wij nu, daar het hem bloot

stelt aan de beschuldiging van domheid, of te minnste, van gebrek aan

smaak, trachten te verklaren.

De waarheid is dan, dat zijn hart al in het bezit was van iemand

anders. Hier twijfel ik niet, dat de lezer verbaasd zal staan over ons

lang stilzwijgen op dit punt,—en onmogelijk kunnen gissen wie die vrouw

was, daar wij tot dus ver geen woord gesproken hebben van iemand, die

als mededingster van Sophia kon optreden; want wat mevrouw Blifil

aangaat, hoewel wij genoodzaakt waren onze vermoedens te uiten omtrent

hare neiging tot Tom, hebben wij tot dus ver geen de minste vrijheid

gegeven, om te veronderstellen dat hij iets voor haar gevoelde; en

inderdaad, het spijt mij te moeten zeggen, dat de jeugd, van beide

geslachten, slechts al te zeer geneigd is ondankbaar te zijn voor die

toegenegenheid waarmede menschen van meer gevorderden leeftijd soms zoo

goed zijn haar te vereeren.

Ten einde den lezer niet langer in onzekerheid te houden, herinneren

wij hem, dat wij dikwijls melding gemaakt hebben van het huisgezin van

George Seagrim (den jager,—gewoonlijk de Zwarte George genoemd), welk

gezin op dit oogenblik bestond uit man, vrouw en vijf kinderen.

Het tweede dezer kinderen was eene dochter, Molly geheeten, die voor

een der schoonste meisjes in den omtrek doorging.

Congreve merkt te regt op, dat er in de schoonheid iets is dat gemeene

zielen niet bewonderen kunnen;—en evenmin, zijn morsigheid of lompen in

staat dit iets te verbergen voor die zielen, welke boven het gemeene

verheven zijn.

De schoonheid van dit meisje maakte echter geen indruk op Tom, tot zij

bijna zestien jaren oud was, toen Tom, die bijkans drie jaren ouder

was, voor het eerst een liefderijk oog op haar begon te slaan. En zijne

liefde was al lang op dit meisje gevestigd eer hij er toe komen kon om

eenige poging te doen om haar te bezitten; want ofschoon zijne driften

hem zeer daartoe aanspoorden, werd hij niet minder door zijne

grondbeginselen teruggehouden. Een jong meisje, van welken lagen stand

ook te verleiden, scheen hem eene zeer schandelijke misdaad te zijn, en

de toegenegenheid, welke hij voor den vader koesterde, tegelijk met

zijn medelijden voor het geheele huisgezin, versterkten hem zeer in

zijne wijze voornemens, zoodat hij eenmaal besloot om zijne liefde te

overwinnen en zich wezenlijk drie maanden lang onthield van Seagrim’s

huis te bezoeken, of diens dochter te zien.

Hoewel nu Molly, gelijk gezegd is, over het algemeen voor een zeer

schoon meisje doorging, en dat wezenlijk ook was, was hare schoonheid

echter niet van den meest beminnelijken aard. Er was inderdaad slechts

zeer weinig vrouwelijks in, en ze zou een man even goed als eene vrouw

gepast hebben; want, om de waarheid te zeggen, jeugd en eene bloeijende

gezondheid waren er de hoofdbestanddeelen van.

Ook haar innerlijk beantwoordde geheel aan dit uiterlijk. Even als het

laatste groot en sterk was, zoo was het eerste stout en onbeschaamd.

Zij bezat zoo weinig zedigheid, dat Jones meer bekommerd was om hare

deugd dan zij zelve. En daar zij waarschijnlijk evenveel zin had in Tom

als hij in haar, drong zij zich, zoodra zij zijne terughouding

bespeurde, hoe langer hoe meer op en toen zij ontwaarde dat hij haar

vermeed, vond zij de middelen om zich in zijn weg te plaatsen en

gedroeg zich zóó, dat de jongen òf heel veel, òf heel weinig van een

held had moeten hebben, als hare pogingen bij hem mislukt waren. Met

één woord, zij zegevierde spoedig over al de deugdzame voornemens van

Jones; want hoewel zij op het laatste oogenblik den meest betamelijken

weerstand bood, moet ik toch haar de zege toekennen; daar zij,

inderdaad, haar oogmerk bereikte.

In de leiding dezer zaak, zeg ik, speelde Molly hare rol zoo goed, dat

Jones zich zelven de overwinning toeschreef, en inderdaad geloofde dat

het meisje alleen bezweek voor zijne hevige aanvallen. Hij schreef hare

toegevendheid ook toe aan de onweerstaanbare magt harer liefde tot hem,

en de lezer zal bekennen, dat dit eene zeer natuurlijke en

waarschijnlijke veronderstelling was, daar wij reeds meer dan eens zijn

goed voorkomen vermeld hebben, en inderdaad, weinige jonge lieden

evenaarden hem in schoonheid.

Even als er sommige karakters zijn, welker genegenheden, even als die

van den jongen Blifil, alleen gevestigd zijn op één enkel mensch, wiens

belangen en genoegens zij bij elke gelegenheid raadplegen, en het geluk

of ongeluk van anderen als geheel onverschillige zaken beschouwen, ten

zij deze eenigzins bijdragen tot het genot of het voordeel van dien

eenen persoon, zoo bestaat er ook een andere gemoedsaard, die eene

zekere mate van deugd zelfs aan het egoïsme ontleent. Deze menschen

kunnen nooit eenig genoegen ondervinden van wien ook, zonder het

schepsel te beminnen, dat hun dit genoegen schenkt, en zonder het

welzijn van dat wezen zich eenigzins tot eene behoefte te maken, als

zij zelve in rust zullen leven.

Tot deze laatste soort van menschen behoorde ook onze held. Hij

beschouwde het arme meisje als iemand wiens geluk of ongeluk hij geheel

en al van zich zelven afhankelijk had gemaakt. Hare schoonheid werkte

nog steeds op zijne hartstogten, hoewel grootere schoonheid, of een

nieuw voorwerp, dat welligt in hoogere mate gedaan zou hebben; maar als

hij een weinig afgekoeld was door haar bezit, werd dit ruimschoots

opgewogen door de gedachte aan de liefde, welke zij hem toedroeg, en

aan den toestand waarin hij haar gebragt had. De eerste dezer

beweegredenen stemde hem tot dankbaarheid, de laatste tot medelijden,

en beide te zamen, met zijne ingenomenheid met hare schoonheid,

onderhielden bij hem een hartstogt, die, zonder groot misbruik van het

woord, liefde mogt genoemd worden, hoewel die misschien niet van den

meest verstandigen aard was.

Dit was dan de ware reden van zijne onverschilligheid omtrent de

bekoorlijkheden van Sophia, en omtrent hare houding, welke men, niet

zonder reden, had kunnen beschouwen als aanmoedigend voor hem; want

evenmin als hij er aan denken kon om de arme en hulpelooze Molly te

verlaten, kon hij ooit de gedachte koesteren om zoo iemand als Sophia

te misleiden. En zeker, als hij aan eenige neiging tot die jonge dame

had willen toegeven, zou hij zich bepaaldelijk schuldig hebben gemaakt

aan de eene of andere dezer misdaden, waarvan slechts ééne, naar mijn

gevoelen, hem met regt onderhevig zou gemaakt hebben aan dat

noodlottige uiteinde, dat bij zijne eerste optreding in deze

geschiedenis hem zoo vrij algemeen voorspeld werd.

Tom Jones · 第 53 / 340 题