„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden
geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker
is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te
koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.
Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze
gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder
dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds
gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de
eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te
zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een
onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was,
terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden,
bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van
één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen,
zonder mijne hulp.
Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar
dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich
verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang,
moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid
toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een
wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te
hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te
houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te
verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te
zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat
zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet
voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren,
welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der
menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste
voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij
vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij
oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.
Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante
gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide
jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij
den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds
beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal
aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare
tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig
was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:
„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien
hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:
„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en
verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet,
dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng
tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”
Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:
„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”
De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het
bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel
gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote
gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat.
Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot
galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom
het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens
alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de
luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den
plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant,
en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben
van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.
Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar
meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding
scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en
hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het
geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer
overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter
welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.
Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch
veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich
in gezelschap met Tom bevond, dat als hij niet zeer jong en zeer
onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de
gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren
geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen
argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te
vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte,
welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige
wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner
aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou
gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op
de hand van de jongedame.
Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak
door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van
merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat
het in gevaar was.
Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen
vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig
gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij
hem niet weigeren zoude.
Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de
zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat
hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat
de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere
reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich
aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij
beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom
op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood,
door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets
anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager,
wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij
zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western
ingesteld.
Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken
glimlach zeide zij:
„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het
van ganscher harte doen. Ik heb wezenlijk medelijden met den armen man
en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid
bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings
aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn
verzoek in het hoofd gezet had.
De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak
verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager
aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij
verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het
graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager,
welke toen, gelukkig, open was.
Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet
beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge
vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik
dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt
ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en
zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te
vragen.—”
„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van
een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er
een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze
lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”
Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de
eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed,
dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met
zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide
met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene
gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen
zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met
eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd
wel zal leeren inzien.
Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij
hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar
vader op de jagt niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit
hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij
haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij
smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel
wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos
te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.
Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben
voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en
ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.
De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare
gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft),
beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik
even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik
veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots
voorzien is.
Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra
hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de
klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en
als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen
doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste
compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet
ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes
waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.
Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij
haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou
gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen,
dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij
tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de
herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te
mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.
Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al
zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om
verzocht. Dit beviel den goeden landjonker zoo zeer, dat hij van zijn
stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel
aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens
Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde,
gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden
als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld
en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap
suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte
te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werd onmiddellijk gehaald, en
kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk
de benoeming op te maken.
Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap
ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover.
Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen
spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den
anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert
lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om
eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote
liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van
een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk
verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat
het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een
ellendeling goed te doen.
Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu
(vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden
tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij
wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop
zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te
worden.
Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid.
Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide
dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren,
en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te
zien.
Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend
Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu
eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan
den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot
dusver gezien had.