BEVATTENDE EEN DER BLOEDIGSTE SLAGEN, OF LIEVER, TWEEGEVECHTEN, OOIT IN
DE HUISSELIJKE GESCHIEDENIS VERMELD.
Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van
toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die,
even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten
worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw
Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld
had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te
verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke
rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even
als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon
liefderijk wezen.
Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden
en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de
schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde
evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest
was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu
ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid,
bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van
eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener
Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene
maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.
Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds
als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen,
die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te
vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het
tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden
bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die,
naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en
niets liever deed dan het vernietigen.
Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van
dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd aan te moedigen,
wenschen wij dat de heer Jan Fr.... of eenige andere wijsgeer, zich de
moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van
geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan
wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te
vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.
De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van
anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij
alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen
werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne
weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels
altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het
„barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een
zijner Epistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze,
zeer eervol.
Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche
en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken
bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen,
en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer
behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de
vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die
van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer
gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar
zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit
opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het
menschelijke geslacht.
Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de
Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland,
daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen
te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te
hebben.
Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den
kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo
als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van
Engeland.
Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering van vrouwen
zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd
iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord
gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel
verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.
Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang
genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde
stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen
verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet
achtergelaten had.
„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat
er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het
schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter
hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat
ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”
„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt!
Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de
vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden
dat het meisje van hier weg is!”
Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral
als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke
laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het
schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit
geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel,
het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens
voor den geest.
De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek
van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en
dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te
zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één
woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot
en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.
Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van het kattengeslacht
niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en
ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid
evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende,
gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort,
raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje
schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en
het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook,
en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen
schoolmeester aan.
Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd
hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het
lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der
klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin
gewapend had.
De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en
deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar
hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde,
dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen
vast te houden waarbij, in de worsteling, hare muts afviel, en haar
hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees,
terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan
vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren
dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat
was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de
tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over
het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer
Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.
Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo
de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te
maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht
eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en
eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.
De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus
ver bewaard had, bij dit woedende tooneel, welks oorzaak hem geheel
onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op
straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende
zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen
gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de
gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge
eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.
Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een
hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te
maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde,
niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij
hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld,
de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt,
en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede
in het graf zou nemen.
De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de
woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging,
welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen
kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar
zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld
aangemerkt werd, begonnen zij ook alle, una voce, hem te verwijten en
te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon
opheffen tegen eene vrouw.
De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne
vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te
bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn
eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer
onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat
het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.
Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan
dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn
gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat als hare mannen de hand
tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.
Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan
den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap
eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te
bespreken, bij welke gelegenheid de heer Partridge de oorzaak zijner
rampen vernam.