WAARMEDE HET EERSTE BOEK EINDIGT, EN DAT EEN VOORBEELD VAN
ONDANKBAARHEID OPLEVERT, HETWELK NAAR WIJ HOPEN, ONNATUURLIJK ZAL
SCHIJNEN.
Uit hetgeen gezegd is, zal zich de lezer verbeelden, dat de verzoening,
indien ze dien naam verdient,—slechts een vorm was; wij zullen ze dus
met stilzwijgen voorbijgaan, en ons haasten tot iets te komen, dat
wezenlijk van meer belang is.
De dokter had zijn broeder bekend gemaakt met hetgeen tusschen hem en
den heer Allworthy voorgevallen was, met een glimlach er bijvoegende:
„Ik beloof u, dat ik op u losgetrokken heb; ja, ik smeekte den goeden
man zelfs u niet te vergeven; want, weet ge, nadat hij zich ten uwen
gunste verklaard had, kon ik dat veilig wagen bij iemand van zijn aard,
en ik wenschte om u en om mijnentwil alles wat op verdenking gelijkt,
te voorkomen.”
De kapitein Blifil nam voor het oogenblik hoegenaamd geene notitie van
deze woorden,—maar later wist hij er een zeer degelijk gebruik van te
maken. Een der stelregels, welke de Satan bij een zijner laatste
bezoeken op aarde aan zijne leerlingen aanbeval, luidt: dat men zorg
moet dragen, als men eens omhoog gekomen is, den stoel van onder zijne
voeten weg te schoppen. Duidelijker gezegd: als gij eens met behulp van
een vriend fortuin hebt gemaakt, moet ge hem zoo spoedig mogelijk links
laten liggen.
Ik wil niet bepaaldelijk beslissen of de kapitein volgens dezen regel
handelde; maar wij kunnen toch onbeschroomd zeggen, dat zijne
handelingen met dezen duivelschen regel vrij goed overeen stemden, en
inderdaad, het valt moeijelijk ze van eenige andere beweegredenen
afteleiden;—want, zoodra hij zijne Brigitta bezat en met Allworthy
verzoend was, begon hij eene verkoeling jegens zijn broeder aan den dag
te leggen, welke dagelijks vermeerderde en eindelijk tot eene
onbeleefdheid aangroeide, die iedereen opmerken moest.
De dokter verweet hem in stilte dit gedrag, maar verkreeg geen anderen
uitleg er van dan de volgende zeer duidelijke verklaring: „Als er iets
is in het huis van mijn zwager, dat u mishaagt, staat het u immers vrij
om weg te gaan.”
Deze vreemde, wreede en bijna onverklaarbare ondankbaarheid in den
kapitein brak den armen dokter bepaaldelijk het hart; want de
ondankbaarheid treft den mensch nooit zoo diep als wanneer ze komt van
diegenen, om welker wil wij ons zekere overtredingen hebben getroost.
De herinnering aan groote of goede daden, hoe ook opgenomen of
vergolden door diegenen, tot wier behoeve ze verrigt worden, verschaft
ons steeds eenigen troost; maar hoe kan ons de bittere ramp van de
ondankbaarheid van een vriend vergoed worden, als ons boos geweten
luide spreekt en ons tevens verwijt, dat wij het besmet hebben ten
dienste van een onwaardige?
De heer Allworthy zelf sprak met den kapitein ten gunste van diens
broeder en verlangde te weten, welk kwaad de dokter bedreven had;
waarop de hardvochtige ellendeling de laagheid had te zeggen, dat hij
het hem nooit vergeven zou, dat hij gepoogd had hem bij den heer
Allworthy te benadeelen, wat hij zelf „uit hem gehaald” had, gelijk hij
zeide, en wat zoo erg was, dat men het niet over het hoofd mogt zien.
Hierop vatte Allworthy het woord op met veel vuur en verklaarde dat een
dergelijk gezegde den mensch niet betaamde. Hij liet, inderdaad, zoo
veel verontwaardiging blijken over een onchristelijk gemoed, dat de
kapitein eindelijk veinsde door zijne bewijsgronden overtuigd te zijn,
en uiterlijk eene verzoening veinsde.
Wat de bruid betreft, die was nu in de wittebroodsweken, en zoo
hartstogtelijk verzot op haar man, dat hij in hare oogen nooit ongelijk
kon hebben, en het genoeg was dat hij tegen iemand iets had, om ook
haar tegen die persoon in te nemen.
De kapitein verzoende zich, gelijk gezegd is, op aanzoek van den heer
Allworthy, uiterlijk met zijn broeder, maar bleef in zijn hart evenzeer
tegen hem verbitterd, en hij vond zoo vele gelegenheden om hem in
stilte dat te doen opmerken, dat het verblijf in het huis eindelijk
onhoudbaar werd voor den armen dokter, en hij liever verkoos zich aan
al de bezwaren te onderwerpen, welke hij in de wereld ondervinden zou,
dan langer de wreede en ondankbare beleedigingen te verdragen van een
broeder, voor wien hij zooveel gedaan had.
Hij was eens op het punt om Allworthy alles te openbaren, maar kon er
niet toe komen om de bekentenis te doen, waardoor hij zooveel schuld op
zijne eigene schouders moest laden. Bovendien,—hoe slechter hij zijn
broeder voorstelde, hoe grooter ook zijne schuld tegenover Allworthy
moest schijnen, en hoe meer reden hij ook zou hebben om diens toorn te
vreezen.
Hij wendde dus zaken voor, die zijn vertrek eischten, en beloofde
spoedig weder te komen, terwijl hij afscheid nam van zijn broeder met
eene zoo goed gehuichelde hartelijkheid,—dat, daar de kapitein even
goed zijne rol speelde, Allworthy volmaakt overtuigd was van de
opregtheid der verzoening.
De dokter ging regtstreeks naar Londen, waar hij spoedig aan een
gebroken hart stierf; eene ziekte die meer menschen doodt dan algemeen
geloofd wordt, en welke billijke aanspraak mogt maken op eene plaats in
de statistiek der sterfte, ware het niet dat ze in één opzigt van alle
andere kwalen verschilt,—namelijk, dat geen geneesheer er hulp voor
weet.
Na het vlijtigste onderzoek omtrent het vroegere leven der beide
broeders, vind ik, behalve den voornoemden verachtelijken en
duivelschen stelregel, ook een anderen grond voor het gedrag van den
kapitein. Deze was, behalve hetgeen men reeds van hem weet, zeer
trotsch en driftig en behandelde altijd zijn broeder, die van geheel
anderen aard was, en deze beide hoedanigheden mistte, zeer uit de
hoogte. De dokter echter bezat veel meer kennis en, volgens velen, ook
veel meer verstand. Dit wist de kapitein en kon het niet verdragen;
want hoewel de nijd, op zijn best genomen, altijd eene zeer boosaardige
drift is, wordt de verbittering daarvan zeer verhoogd, als die gepaard
gaat met minachting voor het voorwerp er van; en ik vrees zeer, dat als
bij deze beiden, ook nog het gevoel van verpligting komt, wrok in
plaats van dankbaarheid de vrucht der drie gewaarwordingen zal zijn.