Bij alle afspraken, hetzij voor een tweegevecht, hetzij voor een
huwelijk, of iets anders van dien aard, zijn slechts weinige
voorafgaande plegtigheden noodig, om de zaak tot een uitslag te
brengen, als beide partijen het ernstig meenen. Dit was ook nu het
geval, en in minder dan eene maand waren de kapitein en zijne dame man
en vrouw.
Het groote bezwaar was nu om hetgeen gebeurd was aan den heer Allworthy
te openbaren en dit werd door den dokter ondernomen.
Op zekeren dag dan, toen de heer Allworthy in den tuin wandelde, voegde
de dokter zich bij hem, en met een zeer ernstig uiterlijk en zoo veel
uitdrukking van verdriet als hij bij mogelijkheid aan zijn gelaat kon
geven, zeide hij:
„Ik kom, mijnheer, om u eene zeer gewigtige mededeeling te doen;—maar
hoe zal ik u vertellen, wat mij bijna tot razernij brengt, als ik er
aan denk?”
Daarop braakte hij de hevigste verwijtingen uit tegen mannen en
vrouwen, beide, en beschuldigde de eerste van voor niets vatbaar te
zijn dan voor eigenbelang, en de laatste van zoodanig aan booze
neigingen onderhevig te zijn, dat men haar nooit veilig in het
gezelschap kon laten van iemand van het andere geslacht. „Had ik kunnen
vermoeden, mijnheer,” vervolgde hij, „dat eene dame, die zoo wijs, zoo
verstandig, zoo geleerd is, zich zou laten verleiden door een
onredelijken hartstogt,—of had ik kunnen veronderstellen dat mijn
broeder,—maar waarom heet ik hem zoo? Hij is niet meer mijn broeder.—”
„Dat is hij toch wel!” hernam Allworthy, „en een broeder van mij ook.”
„Goede Hemel! mijnheer!” riep de dokter, „weet gij iets van die akelige
geschiedenis?”
„Kijk eens hier, mijnheer Blifil,” antwoordde de waardige man. „Ik heb
mij altijd tot regel gesteld, om al wat geschiedt van den besten kant
te bekijken. Mijne zuster, hoewel veel jonger dan ik, is ten minste oud
genoeg om te weten wat zij wil. Had uw broeder een kind omgepraat, dan
zou ik hem minder gemakkelijk vergeven hebben; maar eene vrouw, die
boven de dertig is, moet waarlijk verondersteld worden, te weten wat
het meest tot haar geluk zal strekken. Zij is met een fatsoenlijk man
getrouwd, hoewel iemand, die, wat vermogen betreft, niet met haar
gelijk staat; maar als hij, in haar oog, andere volmaaktheden bezit,
die dat gemis vergoeden, zie ik niet in, dat ik het regt heb haar geluk
te betwisten hetwelk, ik, evenmin als zij, als alleen afhankelijk van
onmetelijke schatten beschouw. Welligt, na al wat ik dikwijls gezegd
heb van mijne gezindheid om bijna elk aanzoek goed te keuren, had ik
mogen verwachten bij deze gelegenheid geraadpleegd te worden; maar
dergelijke zaken zijn zeer kiesch van aard, en de bezwaren der
zedigheid waren misschien hierbij onoverwinnelijk. Wat uw broeder
betreft, ik ben wezenlijk volstrekt niet kwaad op hem. Hij heeft geene
verpligtingen jegens mij, en ik geloof niet dat er noodzakelijkheid
bestond, dat hij mijne toestemming zou vragen, daar zijne vrouw gelijk,
ik gezegd heb, sui juris is, en oud genoeg om alleen en uitsluitend aan
zich zelve verantwoording schuldig te zijn voor hare handelingen.”
De dokter betichtte nu den heer Allworthy van al te groote goedheid,
herhaalde zijne beschuldigingen tegen zijn broeder, en verklaarde, dat
men hem er nooit toe zou brengen hem weder te zien, of hem als een lid
zijner familie te beschouwen. Hij liet ook eene lofspraak volgen op
Allworthy’s edelmoedigheid, prees zijn vriendschapsgevoel hemelhoog, en
eindigde met te zeggen, dat hij het zijn broeder nooit zou kunnen
vergeven, dat hij de plaats, welke hij in die vriendschap bekleedde,
zoodanig op het spel had gezet.
Allworthy hernam: „Als ik eenigen toorn koesterde tegen uw broeder, zou
ik me toch nooit gewroken hebben op iemand, die onschuldig is; maar ik
verzeker u, dat ik geen toorn gevoel. Uw broeder schijnt me toe een man
van verstand te zijn. Ik keur den smaak mijner zuster niet af, en ik
wil er ook niet aan twijfelen, dat hij evenzeer met haar ingenomen is.
Ik heb het er altijd voor gehouden, dat de liefde de eenige hechte
steun is van het geluk in het huwelijksleven, daar die alleen de
verhevene en teedere vriendschap kan te voorschijn roepen, waardoor
eene vereeniging van dezen aard bevestigd moet worden, en, naar mijn
gevoelen, zijn alle huwelijken, welke uit andere beweegredenen gesloten
worden, in den hoogsten graad misdadig. Zij zijn eene schending van die
heilige plegtigheid, en eindigen gewoonlijk in twist en ellende;—want
zeker is het ontheiliging om deze goddelijke instelling te misbruiken
en tot verontschuldiging te doen dienen voor zinnelijk genot of
hebzucht. Kan men iets beters zeggen van die huwelijken, welke
aangegaan worden alleen wegens uiterlijke schoonheid of ruime
geldmiddelen?
„Het zou leugenachtig en dwaas zijn te loochenen, dat de schoonheid
geen aangenamen indruk maakt en niet in zekere mate de bewondering
waardig is. De schoonheid wordt dikwerf in de Heilige Schrift genoemd
en steeds met eer. Ik had zelf het geluk eene vrouw te hebben, die voor
schoon doorging, en ik beken gaarne, dat ik om die reden des te meer
van haar hield. Maar om de schoonheid te beschouwen als het eenige
vereischte tot het huwelijk,—om zoodanig er verzot op te zijn, dat men
om harentwil alle gebreken vergeet, of om ze zoodanig met alle geweld
op prijs te stellen, dat men godsdienstigheid, deugd en verstand,
hoedanigheden van veel verhevener aard versmaadt, alleen omdat
uiterlijke bevalligheid ontbreekt,—dit is zeker ongerijmd in een wijs
mensch of een Christen. En men is welligt nog al te toegevend, als men
aanneemt, dat zulke menschen iets meer met hun huwelijk bedoelen dan om
hunne vleeschelijke lusten te voldoen,—tot welker bevrediging, zoo als
ons geleerd is, het huwelijk niet ingesteld werd.
„In de tweede plaats, wat het vermogen aangaat: de wereldsche wijsheid
eischt welligt eenig overleg op dit punt, en dat keur ik niet
bepaaldelijk af. Zoo als de maatschappij ingerigt is, eischen de
behoeften van den huwelijken staat, en de zorg voor het nageslacht, dat
men eenigzins lette op hetgeen men „de omstandigheden” noemt. Maar deze
zorg wordt grootelijks en boven noodzakelijkheid vermeerderd door
dwaasheid en ijdelheid, die meer behoeften scheppen dan de natuur.
Ekwipaadje voor de vrouw en groote fortuinen voor de kinderen worden
door de gewoonte opgenomen in de lijst der behoeften; en, ten einde dit
alles te verkrijgen, wordt al wat wezenlijk degelijk en aangenaam,
deugdzaam en godsdienstig is, verwaarloosd en vergeten.
„En dit geschiedt in zulke hooge mate, dat het, tot uitersten gedreven,
haast op waanzin gelijkt. Ik bedoel dan, wanneer menschen, die een zeer
groot vermogen hebben, zich vereenigen met anderen, die hun onaangenaam
moeten wezen,—met dwazen en schelmen, ten einde een vermogen te
vermeerderen, dat reeds meer dan voldoende is, om hun elk mogelijk
genot te verschaffen. Voorwaar, als zulke menschen niet willen, dat men
hen voor gek houde, dan moeten zij bekennen, òf dat zij buiten staat
zijn om het genot van de teederste vriendschap te smaken, òf dat zij
het grootste geluk, dat hun overkomen kan, opofferen aan de ijdele,
wankelbare, onverstandige wetten der publieke opinie, die hare kracht,
zoowel als haren oorsprong ontleenen aan de dwaasheid.”
Hiermede eindigde Allworthy zijne preek, waarnaar Blifil met de meeste
aandacht geluisterd had, hoewel het hem tusschenbeide eenige moeite
kostte om niet eventjes te glimlagchen. Thans roemde hij elk woord, dat
hij aangehoord had, met het vuur van een jeugdigen godgeleerde, die de
eer heeft bij een bisschop te dineren, op denzelfden dag, waarop zijn
Hoogeerwaarde den kansel beklommen heeft.