Daarop snelde hij naar het woonvertrek.
„Alles—alles voorbij! En hij”, steunde hij met den blik op het met
bloed bedekte lijk van zijn vader op het tapijt gericht, „hij—wist
het!”
Met een gevoel van nijd in zich rukte hij uit de koude hand van den
doode de nog een of twee kogels bevattende revolver.
Hij plaatste haar stevig tegen de slapen, en bij het knallen van het
schot zonk, over het lijk van zijn vader heen, ook de zoon met
verpletterden schedel op den grond.