APSLEY SENIOR EN JUNIOR.

De oude Mr. Apsley was ondertusschen weer tot zichzelve gekomen. Hij

was met moeite van den grond opgestaan en, na nog een wanhopigen blik

op de nog open staande kast met valsche bankbiljetten in de slaapkamer

te hebben geworpen, sloot hij de deur.

Daarna had hij zich, met een bang gevoel voor de plaats des ongeluks,

naar de woonkamer gesleept, waar hij de verdwijning van zijn horloge en

van het meisje bemerkte.

Hij nam hierop een flesch whisky uit het buffet, en schonk zich een

wijnglas vol, dat hij leeg dronk.

Hierna begon hij zich beter te gevoelen.

Hij ging in den hoek der sofa zitten, steunde zijn hoofd op zijn hand

en dacht na.

Het was wel een ramp, die mooie 50.000 pond; al zijn spaarpenningen en

ontvangsten waren verdwenen. Iets van de geldswaardige papieren zou

misschien nog te redden zijn!

„Maar per slot van rekening is het toch niet zoo erg; wij behouden toch

altijd nog het prachtige ontwerp. Morgen heeft de wedstrijd plaats, en

als mijn zoon of de firma Apsley & Co. den prijs wint, waaraan niet

valt te twijfelen, en ook met den bouw zelf wordt belast, zullen we dit

zware verlies spoedig genoeg weer te boven komen.”

Met deze gedachte en vooruitzichten begon de reeder langzamerhand weer

moed te scheppen, en zijn werkkracht kwam opnieuw boven.

Hoe meer hij over deze plannen nadacht, des te beter werd zijn humeur.

Hij had de eerste neerslachtigheid al bijna geheel overwonnen, toen hij

iemand met zwaren tred en veel lawaai de trap hoorde opkomen.

„Die moet flink wat naar binnen hebben gewerkt”, dacht hij bij

zichzelf, toen opeens de deur openging.

Het was zijn zoon James.

Maar hoe zag deze er uit!

Den eleganten hoogen hoed had hij achter op zijn hoofd, en zijn donker

haar hing wild en verward op zijn voorhoofd. Zijn gelaat was krijtwit,

alleen de oogen gloeiden op onnatuurlijke wijze.

Zijn dronkenschap scheen in de buitenlucht gedurende den tocht in de

auto nog toegenomen te zijn. Hij kon zich nauwelijks staande houden en

had moeite om zijn evenwicht te bewaren.

„James, ongelukkige, wat zie jij er uit! In wat voor toestand verkeer

je? Och hemel, ook dat nog bij al het andere!”

„Het geld is op, vader! Alleen het geluk was tegen me, anders zou ik

dien onbeschaamden Yankee toch nog gelegd hebben!

„Kom, geef mij een whisky, vader, wees eens goed! En dan geld, nieuw

geld, dat is de hoofdzaak!

„Is dat niet whi—whisky? Natuurlijk is het dat! Kom, ik heb een

afschuwelijken dorst, maar niet naar water.”

„Je bent volslagen beschonken! Geen druppel krijg je meer!”

Mr. Apsley nam gauw de flesch van tafel en sloot haar in het buffet.

Hij nam er een flesch sodawater uit en schonk daarmee een waterglas

vol.

„Daar, lichtzinnig individu! Vooruit, drink! Ik wil het hebben.”

James weerde eerst het onwelkome drankje af, doch toen zijn vader bleef

aandringen, nam hij het aan en slikte het met allerlei vreeselijke

grimassen naar binnen.

„Ge hebt nu gezien, dat ik uw wil doe, voldoe nu ook aan mijn

verlangen! Geef mij geld, vader, veel geld! Ik verdwijn over den

grooten vijver.”

„Onzin, James! Je hebt op ’t oogenblik je vijf zinnen niet bij elkaar.

Daar is geen sprake van! Jij moet werken. Het luie leventje, dat je tot

nu toe hebt geleid, moet thans ophouden.

„In dit opzicht treft het nu bijzonder goed. Jij hebt het in je leven

altijd veel te gemakkelijk gehad, en ik was altijd te toegevend en gaf

je veel te veel geld, en altijd weer opnieuw. Dat was mijn fout,

waarvan ik nu spijt heb.

„Maar dat moet nu ophouden, mijn jongen! En daar het niet anders kan,

zal het ook ophouden, en wel voor je eigen bestwil! We zullen allebei

flink gaan werken, om de geleden schade weer in te halen en ik hoop,

dat je me krachtig zult steunen en bijstaan en mij zult bewijzen, dat

je, ondanks alle lichtzinnigheid, een kern van de gelijkheid in je

hebt, en in waarheid mijn zoon bent.”

„Werk? Neen, dierbare vader, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. En

overigens moge de duivel mij halen, als ik ook maar een syllabe van uw

opbouwende zedepreek—louter nonsens, met uw verlof—begrijp!

„We hebben immers geld genoeg, kunnen de andere menschen, de armen, de

hongerlijders, de dommen voor ons laten werken en zelf van het leven

genieten.

„Dat is juist de kunst in het leven.”

De reeder krabde zich bedenkelijk achter de ooren.

„Mijn hemel, hij weet immers nog van niets! Dat vergat ik heelemaal!

Nu, dat zal een heele slag voor hem zijn, des te meer, nu hij van heden

af aan moet werken! En bij dit alles is hij nog dronken ook!”

Hij slaagde er echter in, James de rest van het sodawater naar binnen

te laten werken.

„Verduiveld!” zei James, wiens geest weer een beetje helder begon te

worden, zoodat hij zich bewust werd, dat hij zijn benarde positie aan

zichzelf had te wijten. „Ik moet weg! Ik moet geld hebben! Ik bezit

geen rooden duit meer! Alles verspeeld aan dien hond van een Yankee!

„Allo, vader, geef mij zooveel, dat ik zoodra mogelijk weg kan over den

Atlantischen Oceaan, voordat het te laat is!”

„Hij is nog totaal dronken!” mompelde de reeder bezorgd. „James, wat

praat je toch voor wartaal! Kom eens tot jezelf, mijn jongen! Ik

vergeef je immers alles en wil ook niet met je twisten. Maar dat moet

in de toekomst geheel ophouden. Van heden af aan. Beloof je me dat?

„Kijk eens naar Mr. Edward, hoe die gewerkt heeft dag en nacht! Het

doet mij bijna leed, dat hij door ons toedoen niet de vruchten zal

plukken van zijn vlijt. Doch ieder is zichzelf het naast! Misschien

kunnen we ons later met hem associeeren!—

„Niet waar, ik kan erop vertrouwen, James, dat je mij in onzen nieuwen

strijd om het bestaan trouw ter zijde zult staan?”

„Dat is louter onzin, vader, wat ge praat! Ik moet weg!”

Hij keek schuw naar de deur, of de menschen van Scotland Yard soms al

achter hem stonden.

Het begon hem nu duidelijk te worden, dat hij in de Heerenclub een

vreeselijke domheid had begaan, om het niet erger te noemen.

De reeder keek hem aandachtig aan, en haalde de schouders op, daar hij

zijn dwaas gepraat toeschreef aan dronkenschap.

Doch James werd nu door eene zenuwachtige onrust bevangen. Hij wilde

zich in veiligheid brengen.

„Kom, vader, ik heb alles verspeeld! Ik moet geld hebben! Ik moet weg!

Hoort gij niet? Geef mij toch zooveel, dat ik voldoende heb voor den

overtocht, geef mij tienduizend uit de geheime bergplaats daar binnen!

Verder zal ik geen aanspraak op iets maken.”

„Uit de kast, jawel!” lachte de reeder hoonend. „Leg je schuldeischers,

als je ze hebt, maar op andere manier het zwijgen op. Geld kan ik je

niet meer geven!—Het geld is weg—is verdwenen!”

De zoon barstte in een luid gelach los.

„Ik zal er niet invliegen! Neen, zoo dom is uw zoon niet, vader!

„Tracht dat een ander wijs te maken. Natuurlijk, ge wilt mij niets

geven, omdat ik dronken ben! Doch ik ben nu weer helder van geest! Ik

weet alles! Ik moet het hebben! Heusch!

„Ik heb een domme streek uitgehaald! Doch ik was woedend, omdat ze mij

zoo leeggeplunderd hadden, en toen heb ik op den bankhouder, dien

vervloekten Yankee, Mr. Shaw, geschoten, en ik geloof, dat ik hem zijn

winst betaald gezet heb, en dat ik ook van de andere schurken een paar

gebrandmerkt heb.”

Bij deze woorden wierp James zijn revolver op tafel, waarop zich nog

twee of drie patronen bevonden.

„Die heeft mij op de schurkenbende gewroken! En het doet mij ook in ’t

geheel geen leed voor de schelmen!

„Maar ziet ge, ik moet weg, snel weg, als de fameuze kapitein Baxter en

de gevaarlijke „vloo” me niet zullen pakken. Daarvoor echter heb ik

geld noodig, vader, veel geld!”

De reeder sloeg de handen ineen over deze onthullingen.

„Waanzinnige”, weeklaagde hij, „jij bent niet te helpen! Vlucht in ’s

hemelsnaam, als je iemand doodgeschoten hebt!”

„Ja, ik wensch niets liever dan dat. Maar daar heb ik juist geld voor

noodig, hoe meer, hoe beter!”

„Als ik je toch zeg, dat ik geen geld heb”, jammerde de oude Apsley

handenwringend.

„Och, wat, gij zoudt geen geld hebben! We hebben toch eerst vanavond de

vijftigduizend pond hierheen in veiligheid gebracht!”

„Maar zij zijn weg”, antwoordde zijn vader hem. „Zij zijn er niet meer.

Daar is niets meer aan te doen!”

„Maar, vader, waar hebt ge ze dan?” vroeg James ongeloovig en mompelde

in zichzelf: „Hij wil het me maar niet zeggen.”

„Een ellendige geschiedenis”, sprak de reeder, die de zaak voor

zichzelf gewikt en gewogen had. „James, James, wat haal jij voor dingen

uit! Maar we zullen alles wel weer in het goede spoor brengen!

„Ondertusschen moet jij je verborgen houden. We zullen wel overleggen.

Al moeten we nu ook opnieuw beginnen, dat is niets, ik ben ertoe

besloten. Ik laat mij niet ten onder brengen. Wij zullen de

vijftigduizend pond terug zien te krijgen.”

„Alsof ze inderdaad weg waren!” viel James spottend in de rede.

„Ze zijn weg”, ging de reeder voort met een angstig gelaat. „Maar we

hebben immers het geniale plan van Mr. Burton, en dat zal ons weer van

deze schipbreuk redden. En spoedig zullen we er beter voorstaan dan

ooit te voren.

„Natuurlijk kan jij er onder deze omstandigheden niet aan denken, het

ontwerp hedenvoormiddag persoonlijk in te leveren. Dat spreekt vanzelf!

Geef mij dus het plan, ik zal het bezorgen! Hedenvoormiddag wordt de

inschrijving voor den wedstrijd gesloten! En dan zullen we verder

overleg plegen!— —

„Onze geheele toekomst hangt nu af van het prachtige ontwerp!”

De jonge Apsley kreeg bij deze woorden van zijn vader toch een gevoel

van verlegenheid en schaamte over zich. Hij ergerde zich nu zelf over

zijn grenzenlooze lichtzinnigheid en dwaasheid.

Hij trachtte echter dit gevoel van zich af te schudden en verborg zijn

schaamte achter een voorgewende driestheid.

„Ik heb het ontwerp niet meer”, zei hij ronduit.

De reeder keek hem sprakeloos aan. Hij kon het niet gelooven.

„Wat?” vroeg hij, „heb je het ontwerp niet meer? Dat is onmogelijk!”

James trad naderbij.

„Neen, het is helaas zoo! Maar laten we daar geen woorden over

verspelen. Wat gebeurd is, is niet meer goed te maken. Ik heb het in

mijn speelwoede verpand, verkocht en het geld—nu, dat is ook al naar

den duivel.”

„Jij, schurk!” schreeuwde de reeder, door ontzetting aangegrepen.

„Is dat waar?”

Zijn borst ging zwaar op en neer en zijn hart klopte luid.

„Hahaha!” lachte zijn zoon boosaardig. „Kostelijk, hij noemt mij schurk

om het ontwerp, dat hij zelf stal!

„Maar wees goed op me, vader, kom, geef mij het geld!—Ik zal bescheiden

zijn. Geef mij een vijfde, tienduizend pond, en ik zal voor altijd

bevredigd zijn.”

De reeder zuchtte diep en greep zijn hoofd met beide handen vast. Toen

begon hij heesch te lachen.

„Nietswaardige, dat is het einde van alles!”

Met één greep richtte hij de op tafel blinkende revolver van zijn zoon

op zichzelf.

Een schot knalde, en James Apsley’s vader stortte met bebloed gelaat

voor zijn zoon op het tapijt neer.

James sprong in den eersten schrik een paar passen achteruit. Spoedig

echter kreeg de zelfzucht de overhand.

„Die oude gek!” mompelde de liefdevolle zoon. „Hoe kon dat gestolen

ontwerp hem toch tot zoo’n wanhopige daad voeren?

„Enfin, des te beter! De heele vijftigduizend voor mij!

Dadelijk—onmiddellijk zal ik verdwijnen. Misschien zoekt Scotland Yard

mij al! Ik geloof weliswaar niet, dat ik iemand trof, doch wie weet! De

duivel kan bij het schieten in het spel geweest zijn! Het was stom van

me, dat is waar! Doch wie kan zich beheerschen, wanneer zelfs de

laatste shilling in den wijden zak verdwijnt van dien vervloekten

Yankee, die daarbij geen spiertje van zijn gelaat vertrekt.”

Met begeerigen blik en verwrongen gelaat snelde de nog sterk

beschonkene met wankelende schreden naar de slaapkamer van zijn vader,

waar hij wist, dat de vijftigduizend pond bewaard werden.

Met één draai ontstak hij het electrisch licht en ging naar het geheime

kastje in den muur. De sleutelbos van zijn vader stak in het slot,

hetgeen hem eenigszins verwonderde. Snel sloot hij de deur open.

„Nu, zei ik het niet”, lachte hij hoonend bij den aanblik van de pakjes

bankbiljetten.

„Het is inderdaad zeer voorkomend van den oude mij zoo onverwacht in de

aangename positie van den lachenden erfgenaam te verplaatsen.”

Hij haalde den koffer wat dichterbij, waarin zij beiden de

vijftigduizend pond hadden meegenomen en nam het eerste pakje uit een

der vakjes te voorschijn.

Zijn oogen werden echter onnatuurlijk groot. Hij ging met het bundeltje

bij het electrisch licht, om beter te kunnen zien.

Zijn zoowel door de zaak als door hazardspel geoefend oog herkende, in

weerwil van zijn dronkenschap, de vervalsching.

Hij bekeek het een na het ander alle papieren van het pakket en

slingerde ze met kracht op den grond.

Daarop ging hij naar de kast en keek ook de overige pakketten door.

Dikke zweetdruppels stonden hem op het voorhoofd.

„Alles valsch!—Wat beteekent dat?” fluisterde hij.

De dronkenschap scheen opeens verdwenen te zijn. In plaats van de

rozenroode sluiers van de door den roes opdoemende droombeelden zag hij

plotseling de naakte, grijze werkelijkheid.

Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak · 第 19 / 22 题