SCOTLAND YARD EN DE NIEUWE RAFFLESSTREEK.

Toen Lord Lister zich in de gedaante van den waardigen, oudachtigen Mr.

Shaw door de menschenmenigte wilde dringen, welke de kantoorlokalen der

firma Apsley en Co. omringde, wilde een agent van politie, gewapend met

een gummistok, hem terugdringen.

„Hier is geen toegang, Sir!” sprak hij op barschen toon, „Scotland Yard

is daar binnen bezig en het publiek kan bij die werkzaamheden slechts

hinderlijk zijn!”

„Ik ben het volkomen met u eens, waarde inspecteur”, antwoordde Lord

Lister met echt Yankee dialect. „Maar kunt gij mij misschien zeggen, of

een van mijn kennissen, de wereldberoemde kapitein Baxter, of

inspecteur Marholm daar binnen is?”

„Zij zijn daar beiden, Sir!” antwoordde de agent van politie reeds op

veel beleefder toon.

De oude Amerikaan haalde bedaard en met veel omhaal een visitekaartje

uit zijn notitieboekje, deed er een paar sigaren bij en gaf dit te

zamen aan den beambte.

„Wilt gij zoo goed zijn, kapitein Baxter mijn kaartje te overhandigen?

Ik stel mijn zwakke krachten gaarne te zijner beschikking!”

De politieagent verdween en kwam zeer snel weer terug. Hij verzocht den

heer Harry Shaw met groote vriendelijkheid, binnen te komen en stelde

het mopperende publiek tevreden met de mededeeling, dat die heer een

Amerikaansch detective was.

Toen Lister in zijn goed gekozen vermomming nadertrad, kwam kapitein

Baxter hem reeds in het eerste kantoorlokaal tegemoet en begroette hem

met de grootst mogelijke beleefdheid.

„Wat zegt gij van deze nieuwe brutaliteit van den zoogenaamden

meesterdief Raffles? Is het niet hemeltergend?

„Evenals Mr. Apsley, de groote reeder, die nu zijn vermogen heeft

verloren en totaal geruïneerd is, hebben ook wij in Scotland Yard

telefonisch bericht gekregen, dat Raffles de brandkast der firma Apsley

Co. zou leeghalen.

„Zoo’n onbeschaamdheid.

„Wij konden niet eerder hier zijn en kwamen te laat. Mr. Apsley heeft

echter de dieven nog juist verrast en met de laatsten een harden strijd

gehad.

„Kom mee, kom mee, alles ligt nog precies zoo als wij het hebben

gevonden. De door den heer Apsley gewurgde brandkastvernieler ligt op

een paar stoelen, omdat de lijkschouwer dadelijk zal komen!”

„Hoe, door Mr. Apsley gewurgd?” vroeg Lister verbaasd. „Ik meende,

doodgeschoten!”

Bij deze woorden waren beiden het derde kantoorlokaal, het particuliere

kantoor van Mr. Apsley, binnengetreden.

Hier getuigde de groote wanorde, omver geworpen kantoorstoelen, een

gebroken lessenaar, inktkokers en inkt op den vloer, papiersnippers en

bovenal de gewelddadig geopende en droevig leege brandkast van de

inbraak en het gevecht.

Terwijl de kortbeenige detective Marholm, bijgenaamd de vloo, juist de

beschadiging van de brandkast aan een onderzoek onderwierp, bekeek

detective Tijler met alle aandacht het op de binnenplaats uitziende,

openstaande venster, waardoor de spitsboeven volgens de verklaring van

Mr. Apsley, waren ontkomen. Door middel van een soort van lasso had hij

den derden inbreker van dat venster teruggetrokken en bij dien stevigen

ruk had hij hem tegen zijn wil gewurgd.

De arme reeder, een man, die, naar het scheen, in de vijftig was, zag

er erbarmelijk uit. Zijn jas hing aan flarden om hem heen, de kraag was

er afgescheurd en zijn boord lag in onooglijken toestand op tafel.

Aan zijn hals waren roode plekken zichtbaar en als hij den derden

spitsboef ten slotte gewurgd had, dan scheen hier de Voorzienigheid te

hebben ingegrepen, want de misdadiger moest hem eerst behoorlijk bij de

keel hebben gepakt.

Ook de grijsachtige pruik, die hij op den reeds tamelijk kalen schedel

droeg, bewees door haar uiterlijk, dat zij blijkbaar een lijdelijke rol

in het gevecht had gespeeld. Vermoedelijk waren er meerdere vuistslagen

op neergedaald.

Toen Lord Lister, alias Mr. Shaw, naderbij kwam, kwam een eigenaardige

uitdrukking op zijn gelaat.

Hij had naast den reeder, die hulpbehoevend en geheel terneergeslagen

in zijn bureaustoel zat, een persoon opgemerkt, die hem bekend

voorkwam.

Het was een zeer elegante, jonge man in zwarte gekleede jas en wiens

onberispelijke hooge hoed op de schrijftafel stond. Hij boog zich juist

liefdevol over den ouden heer en scheen bezig te zijn, dien te

troosten.

„Wie is dat?” fluisterde Lister kapitein Baxter toe.

„De beide heeren Apsley, vader en zoon!” antwoordde de inspecteur.

Op dit oogenblik keerde de jongste der beide heeren zijn bleek,

afgeleefd gelaat met klein snorretje naar den nieuwen bezoeker.

Blijkbaar herkende hij Mr. Shaw niet, daar hij den vorigen dag, toen

hij met dezen had gespeeld, reeds in vrij hooge mate dronken was

geweest.

Lister echter had hem onmiddellijk herkend als den persoon, die

onverbiddelijk was gebleven voor de smeekbeden van den artist. Hier

echter, tegenover zijn vader, bij dit geweldige verlies, dat ook hem

trof, maakte hij een zeer beminnelijken indruk.

Hij scheen zich met groote zelfbeheersching over het geldelijke verlies

te kunnen heenzetten en zich alleen bezorgd te maken over zijn

ontroostbaren, geheel terneergeslagen vader.

Met de wellevendheid van een man van de wereld stelde Lord Lister zich

dadelijk aan de beide heeren voor als Mr. Shaw uit Chicago en betuigde

hun zijn oprechte deelneming in hun groot verlies.

Hij stelde zichzelf in ieder opzicht ter beschikking, daar alle naties

in den strijd tegen dergelijke gewetenlooze misdadigers zij aan zij

moesten staan.

De beide heeren dankten natuurlijk hartelijk voor het vriendelijke

aanbod en waren een en al beleefdheid.

„Ja”, sprak kapitein Baxter, „tot dusverre ontbreekt ons nog elke

aanduiding, waarheen de spitsboeven zijn gevlucht en hoe het hun zoo

gauw nadat de kantoren gesloten waren, mogelijk is geweest om de

vuurvaste, sterke brandkast open te breken en leeg te halen.

„De heer Apsley heeft ons zooeven de toedracht der zaak meegedeeld, in

zooverre hij erin betrokken was!

„Tot dusverre staat alleen vast, dat het weer die vervloekte Raffles

was, die met behulp van twee beroepsinbrekers de misdaad heeft

gepleegd!”

„Raffles, waarom?” vroeg Lord Lister, alsof hij van niets wist.

„Wel, weet gij dan niet”, vroeg kapitein Baxter, „dat die kerel, die

steeds brutaler wordt, ons hedenavond heeft opgebeld?”

„Hoor eens, kapitein!” antwoordde Lister op beminnelijken toon,

„telefoneeren kan iedereen! Hoe kunt gij bewijzen, dat het werkelijk en

inderdaad Raffles is geweest?”

Lister had bij die woorden de beide heeren Apsley met het

onverschilligste gezicht van de wereld aangekeken, alsof hij wilde

zeggen:

„Zijt gij het niet met mij eens, heeren?”

En het kwam hem voor, alsof de oudste heer Apsley zijn verlegenheid met

moeite verborg; terwijl hij als wanhopig voor zich staarde en het

vermeed, den spreker aan te zien.

Het gelaat van den jongen Apsley scheen nog bleeker te zijn geworden.

Hij wees naar de tafel en sprak:

„De brutale kerel heeft ook den treurigen moed gehad, ons te

telegrafeeren! Daar ligt het telegram.”

Lister nam het telegram op en las:

„Mr. Apsley en Co. Ik zal hedenavond een bezoek brengen aan uw

brandkast.

Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak · 第 6 / 22 题