Wanneer de tyd der beproevinge gekomen is, doet men den aanstaanden

Arts vasten, met meerder gestrengheid zelfs, dan omtrent den Capitain

plaats had. De oude Piaies af Artsen verzamelen zig by elkander, en

sluiten zig met hem in eene hut op, om hem het voornaamste geheim

van hunne konst, in bezweeringen bestaande, te leeren, In plaats

van hem te geesselen, laat men hem danssen, doch met zoo weinig

tusschenpoozing, dat, gemerkt den staat van zwakte, waar in hy zig

reeds bevindt, hy spoedig in bezwyming nedervalt. Dan doet men hem ook

gordels en halsbanden aan, vol met groote zwarte mieren. Om hem met de

geweldigste middelen gemeenzaam te maken, steekt men hem vervolgens

eene zoort van tregter in den mond, waar door men hem eene groote

meenigte van tabak-sap doet doorzwelgen. Zulk een vreemd geneesmiddel

veröorzaakt hem ontlastingen, die zelfs tot bloedstortingen overslaan,

en verscheiden dagen duuren. Wanneer deeze laatste beproeving is

afgeloopen, verklaart men hem tot Piaie of Arts, en dat hy met het

vermogen, om alle zoorten van ziekten te geneezen bekleed is. Om

echter die beproeving nog te doen aanhouden, moet hy drie jaaren lang

vasten, daar in bestaande, dat hy het eerste jaar niets anders eet,

dan gierst en cassave; het tweede jaar eenige vrugten, met deeze zelfde

zoort van brood; en het derde jaar, dat hy zig vergenoegt, met daar

by nog eenig klein gevogelte te voegen. Maar de meeste gestrengheid

bestaat in het onthouden van sterke dranken. Geene Piaies, of Artsen,

hebben het recht om hunne konst te oeffenen, dan na deezen loopbaan van

beproevingen te hebben afgeloopen. Wanneer één van hun by een zieken

geroepen wordt, onderzoekt hy denzelven, betast hem alle de deelen van

het lichaam, drukt dezelven, blaast 'er op, en eindelyk maakt hy een

klein afgeschoten vertrekje in de nabyheid van de hangmat, waar in de

zieke ligt. Hy overdekt dit vertrekje met bladeren, en begeeft zig in

het zelve met alle zyne geneeskundige werktuigen, die in eene zoort

van weitas besloten zyn, en houdende eene groote calebas in de hand,

gevuld met drooge en harde zaden, veel naar peper gelykende. Dezelve

dient om den Duivel te bezweeren, dien men altyd als de oorzaak der

ziekten beschouwt. De Piaie, of Arts, in zyn vertrekje opgesloten,

schudt deeze calebas om, maakt een groot geraas, zingt, schreeuwt,

en roept zyne Godheden aan. Hier mede houdt hy aan twee of drie uuren

lang. Eindelyk, zyne stem veranderende, eenige zaadkorrels in zyn

mond steekende, en met eene kleine calebas voor den mond sprekende,

hoort men deeze ontzettende woorden: "De Duivel is tegen den zieken

uittermaten vergramd; hy wil hem doen omkomen, na hem een geruimen tyd

gemarteld te hebben." De omstanders, over deeze uitspraak ter neder

geslagen, maken een akelig geschreeuw, en smeeken den Piais om den

boozen geest te vrede te stellen, al moest ook alles, het geen het

huisgezin bezit, daar aan worden te kost gelegd. Hy geeft gehoor aan

deeze verzoeken, en bezweert den Duivel, om zig te laten bewegen. De

donderende stem antwoordt, dat deeze of geene zaak daar toe noodig

is, en aanstonds wordt dezelve gegeven. Vervolgens is het dienstig te

weten, welke de zitplaats van de kwaal is, en welk geneesmiddel men

tegen dezelve behoort te bezigen. Daar op volgen nieuwe bezweeringen,

nieuwe verzoeken en nieuwe geschenken. Wanneer men aan den kwakzalver

alles gegeven heeft, waar in hy lust had, zuigt hy aan het deel, in

't welk de zieke het meeste ongemak gevoelt, en kleine stukjens been,

welken hy vooraf in zyn mond gestoken heeft, uitspuwende, zegt hy:

zie daar de oorzaak van de kwaal; haast u dezelve te verbranden,

en zyt verzekerd, dat de zieke in 't kort hersteld zal zyn.

Deeze voorzegging wordt nu en dan bewaarheid; want 'er worden

dikwils wonderbaarlyke geneezingen gedaan, door de verbeelding

op eene levendige wyze gaande te maken. Indien het tegendeel

gebeurt, en de zieke koomt te sterven, verklaart de bedrieger, dat

de geschenken aan den Duivel niet met een goed hart gegeven zyn,

het geen deszelfs gramschap op nieuw heeft aangezet. Een van deeze

Piaies, of Artsen, meer minziek, dan inhaalend zynde, liet de geenen,

die hem raadpleegden, van gebrek vergaan, en deedt vervolgens aan

hunne weduwen den voorslag tot een huwelyk. Hy wierd de man van drie

vrouwen, welken hy op deeze wyze verkreeg.

Hoe helachelyk ook de voorschriften deezer Artsen zyn mogen, zy worden

altyd naar de letter uitgevoerd. Van hun eerste bezoek af, schryven

zy een gestreng vasten aan den zieken, en aan alle zyne nabestaanden

voor. De Othomacos besproeijen de zieken aanhoudend met koud water;

eene manier, die hen spoedig van kant helpt. De Quaybas en Chiricos

dompelen dezelven, tot aan den hals, in geweekte kley, of water, om

hun van de koorts te geneezen; en schoon men hen doorgaans dood vindt,

wanneer men 'er hen wil uithalen, blyven zy niettemin by dit gebruik,

hoe ongerymd en gevaarlyk het ook zyn moge.

De Indianen zyn de meesten hunner ziekten verschuldigd aan de gewoonte,

om zig al te dikwils met sterke dranken, welken zy weeten te bereiden,

dronken te drinken. Zy zouden zig zelven kunnen behandelen, indien zy

minder vooroordeelen hadden. Een zeer groot aantal van hun leeft tot by

de honderd jaaren. De kennis, welke zy van verscheiden enkelvoudige

geneesmiddelen hebben, stelt hen in staat, om wonderbaarlyke

geneezingen te bewerken. BIET beweert, dat zy een zekeren wortel

hebben, die de vergiftigdste wonden geneest, en de kragt bezit,

om gebroken pylen uit te trekken. Hy verzekert deezen wortel gehad,

en op het Eiland Barbados geplant te hebben. Maar waar koomt het doch

by toe, dat andere reizigers hier van niet spreken?

In weerwil van het zoo even verhaalde, ten aanzien van de Artsen der

Indianen, beschuldigt men deeze volken, over 't algemeen, van eene

groote verwaarloozing van alle zieken. Het is hun zeer onverschillig,

of de zieke eenig voedzel gebruikt, of niet. Wanneer het uur van hunne

maaltyd gekomen is, vergenoegen zy zig, met, zonder een enkel woord

te spreken, een gedeelte eeten, het welk men hun heeft toegediend,

onder zyne hangmat te plaatsen. Met dit al hoort men den zieken

nimmer klagen, noch het minste geschreeuw maken, welke pyn hy ook

lydt. Hy sterft met eene verbaazende gerustheid, niets vreezende,

noch hopende na dit leven. Die geenen van deeze volken, welke de

onsterflykheid der ziel gelooven, verbeelden zig, dat dezelve rondom

hunne graven omdwaalt.

ZESDE HOOFTSTUK.

Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan

hebben.--Middelen om hun voor de Völkplanting nuttig te maken.

In het begin, toen de Franschen zig in Guiana nederzetteden, stelde

men de Indianen in eenen staat van slavernye, en maakte hen tot een

voorwerp van koophandel. De Regeering dit hatelyk misbruik verboden

hebbende, zoo dra zy daar van kennis kreeg, deedt men het zelfde ten

aanzien van de Indianen, die uit de Binnen-Landen kwamen, en aan andere

Europeesche volken toebehoorden. Wanneer eindelyk dit laatste middel

door gestrenge verbonden ontnomen wierd, veröorloofden zig de blanken,

van het vertrouwelyk character der Indianen, en hunne geneigdheid

tot sterke dranken, misbruik makende, om dezelven, gedeeltelyk met

hunne toestemming, gedeeltelyk met geweld, tot arbeid en diensten te

gebruiken, waar voor zy hun zeer slegt betaalden.

Wanneer middelen van overreding daar toe niet meer hielpen, stelde

men beveelen van de Regeering of Bevelhebbers in de plaats. Door een

gebruik, het welk eenigermaten tot een wet geworden was, bestond het

loon, het welk deeze arme Indianen voor een maand arbeids genoten,

in anderhalf el van eene grove roode stof, die men hun voor zes

livres aanrekende.

De Gouverneurs noodzaakten de sterkste manspersoonen van dit

merkwaardig volk tot lange en moeijelyke diensten, tot jagen en

visschen, ten behoeven van de Opperhoofden der Volkplanting.

Hier van was het gevolg, dat deeze ongelukkigen, die, om van hun

onderhoud zeker te zyn, geduurende het goede jaargetyde hadden

behooren te arbeiden, naar hunne woonplaatsen te rug keerden op een

tyd, dat zy zig tot deezen zoo hoognoodigen arbeid niet meer begeven

konden. By hunne aankomst vonden zy dikwils hun huisgezin ten prooy

van hongersnood, of ten minsten half vervallen. Wanhoop, ellende,

slecht voedzel, het welk men zomtyds aan de beesten niet gegeeven

zoude hebben, deeden hen eindelyk sneeven.

Zulk eene verkeerde handelwyze had tot haaren grondslag het vooröordeel

van de meeste blanken, die verönderstelden, dat deeze Indianen een

slag van menschen waren, verre beneden hun, en geschikt, om aan hun

onderworpen te zyn. Dit ongerymd denkbeeld was strydig met de beveelen,

welken de Regeering ten deezen opzigte altyd gegeven heeft. Dezelve

had de Indianen voor vrye menschen verklaard, die met de blanken gelyk

stonden; en nimmer hebben de voornaamste en gegoedste inwooners eenig

vooröordeel gehad, tegen de huwelyks verbintenissen met Indiaansche

vrouwen, noch tegen de kinderen, die daar uit geboren werden, en van

de Europeesche in 't minst niet onderscheiden zyn.

Zy, die binnen 's Lands, uit hoofde van hunne posten, deeze

buitensporigheden behoorden tegen te gaan, waren 'er dikwils zelve

schuldig aan, of ten minsten zy gedoogden dezelven. Zulk een gedrag

heeft ongevoelig den ondergang of de verhuizing van een groot getal

Indianen veroorzaakt. Alle de landstreeken in de nabuurschap onzer

bezittingen gelegen, zyn 'er thans door ontvolkt

De Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleenen,

stelt zig zelven de vraag voor, of men het ongeluk van deeze volken

niet berokkenen zoude, door hen in de zelfde maatschappye met ons

te doen leven, en onze zeden en gebruiken te volgen? Hy antwoordt

neen, mits men hun op eene rechtvaardige wyze behandelde. Door hen

te beschaven, en in gemeenschap met de blanken te brengen, zeg hy,

zal men den haat en de jaloersheid uitdooven, die de verschillende

Indiaansche volken verdeelen; men zal hen allen, ten langen lesten,

tot een eenig volk zamen smelten. Men zal de vooroordeelen, die hun

verblinden, doen verdwynen. Zy zullen het zeker vooruitzicht hebben

op een bestaan, het welk, in hunnen tegenwoordigen staat, maar al ta

dikwils wisselvallig is.

By de voortbrengzels, die het Land van zelf oplevert, zullen zy

die geenen voegen, welken de arbeid hun in meerder overvloed en

volkomenheid bezorgt. Tegen verruiling van hunne waaren, zullen zy zig

gereedschappen, gewerkte stoffen, koopwaaren aanschaffen, waar van zy

nu, of in 't geheel niet, of slechts gebrekkig voorzien zyn. Men zal

voor al zorge dragen, om hun vee van allerleije zoort te beschikken,

waar voor zy het noodig voedzel verkrygen zullen, door, na het omhakken

der bosschen, weilanden aan te leggen, Door onder dit volk werkzaame

blanken te vermengen, zal men hun den landbouw, de handwerken en de

noodzakelykste konsten der Europeanen leeren. Eenige weinige jaaren

zullen voldoende zyn, om deeze kwalyk bestuurde, en zoo lang verachte,

landstreek van gedaante te doen veranderen,

De straks genoemde Bestuurder had eenigen van deeze middelen beproefd,

en daar van reeds blykbaare uitwerkingen bespeurd.

De Indianen, die onder de zendelingen van Macary waren ingelyfd, hadden

levensmiddelen, catoen, tabak, voortgeteeld. Zy hadden gezouten visch,

maniok meel, (couac,) tabak in carotten, op de Brazilsche manier, in

de hoofdplaats aangebragt: wel is waar, in eene kleine hoeveelheid,

maar genoegzaam, om daar van voor het vervolg goede gedachten te

vormen. De meesten droegen kleederen en schoenen naar de manier

der blanken, wier taal zy ook spraken. De vyf Hoofd-Capitains, of

Opperhoofden van dit Gewest, beesten gevraagd hebbende, om aan te

kweeken, deedt men 'er hun eenigen toekomen.

Die van Conani bereikten byna denzelfden trap van beschaafdheid.

De Indianen van de Rivier Aprouago, ten getale van twaalf honderd,

hebben dezelfde vorderingen gemaakt. Zy hebben gebruik gemaakt van

de volkomene vryheid, die hun, met opheffing van alle diensten, was

te rug gegeven, en zy hadden reeds regelmatig aangelegde Catoen- en

Koffy-Plantagiën tot hun eigen onderhoud. Eene aanmerkelyke verhuizing

van Indianen uit de Binnen-Landen, door het zagter Regeerings-bestuur,

het welk ten aanzien deezer volken meer en meer werd in acht genoomen,

uitgelokt, vermeerderde het getal der inwooners in den omtrek der

Rivier Aprouage.

De Indianen, by de Rivier Kaw woonende, ten getale van meer dan

vyftig, hadden insgelyks zeer fraaije beplantingen. Zy hadden ook

het voornemen, om beesten te weiden.

Van de Rivier Kaw, tot aan de Rivier Kourou, vindt men geen enkelen

Indiaan. By de laatstgemelde waren twee bevolkingen, uit omtrent

zestig persoonen bestaande, zynde het ongelukkig overschot van een

zeer groot aantal, die voor de rampzalige volkplanting, in 't jaar

1763 ondernomen, in dit gedeelte gevonden werden.

Een Planter, genaamd TERRASON, en woonende te Carouabos, omtrent twee

en een halve myl onder den wind van Kourou, heeft in zyne nabyheid

een klein Indiaansch volk by elkander verzameld, en eenigermaten tot

zyn eigen aangenomen. Hy heeft hen tot den landbouw aangemoedigd. Hun

eenig denkbeeld van onze genietingen gevende, heeft hy hun geleerd

zig dezelven door hunnen arbeid aan te schaffen. Hy heeft hen vooral

onderwezen in de konst van beesten te weiden, eene konst, waar van

hy hun alle de voordelen geleerd heeft.

De Indianen van de landstreek van Siniamary zyn, even als de anderen,

van alle slaafsche diensten omtrent de blanken vry gesteld. Zy

hebben beplantingen aangelegd, waar toe men hun eenige gereedschappen

geschonken heeft.

Anderen van dezelfde nabuurschap hebben om beesten verzogt, Zy

waren daar toe, zoo door de Regeering zelve, als door het voorbeeld

der Indianen van Iracoubou, die tien koeyen en een stier ontvangen

hadden, uitgenoodigd. Men bezorgde hun, twee maanden lang, iemand,

die hun in het oppassen van hun vee onderrigtte. Dezelfde persoon

moest zig van tyd tot tyd vervoegen by de andere Indianen, die zig

op de veefokkerye toeleiden.

Men oordeelde het nuttig te zyn, om in het gedeelte, dat onder den wind

gelegen is, te Mana en te Marony, twee bevolkingen aan te leggen, en

daar door eene verzameling van Indianen van geregelde levens-manieren

te maken. Behalven de oogmerken van burgerlyke beschaving en

bebouwing der landen, stelde men een geschikt Opperhoofd aan, om deeze

Indiaansche volken te bestuuren, daar mede bedoelende, om met hun in

door hun bewerkte goederen handel te dryven, en hunne geduurige reizen

naar Surinamen voor te komen, van waar zy de benoodigde koopwaren by

verkiezing gingen halen, niet alleen om dat zy 'er digter by woonen,

maar vooral, om dat zy dezelven aldaar van betere zoort vinden.

Door deeze middelen, en eene aanhoudende oplettendheid, kan men den

algemeenen welvaart van eene Volkplanting bevorderen, die al den

aandacht der Regeering verdient. De volkrykheid der aldaar woonende

Indianen zal van zelve vermeerderen. Hun voorbeeld zal uit de

Binnen-Landen, zelfs uit die streeken, welke buiten onze grenspalen

gelegen zyn, verscheiden van hunne nabestaanden en bondgenooten

lokken; iets, waar mede zy zig reeds beginnen bezig te houden. Een der

Capitains had het ontwerp gevormd, om naar Hollandsch Guiana te gaan,

en zelfs tot aan de Rivier Orenoco, van waar hy dagt verscheiden

Indianen, zyne nabestaanden of vrienden zynde, mede te brengen,

door hun berigt te geven van de manier, op welke zy by de Franschen

werden aangemoedigd.

Het oogmerk van den meergemelden Bestuurder was bovendien, om

dit volk door huwelyken met de blanken tot eene gemengde zoort te

maken, en die huwelyken te bevorderen, zoo dikwils hy onder hun een

vlytig en braaf man, die in eene Indiane zin had, gevonden zoude

hebben. Insgelyks zoude hy Indianen hebben laten trouwen met blanke

vrouwen, die van goede zeden en arbeidzaam waren. Men zoude aan de

mannen landeryen, en aan de vrouwen gereedschappen, werktuigen tot

den landbouw behoorende, beesten, en dingen van de eerste behoefte,

tot eene huwelyks-gift gegeven hebben. "Geduurende het kort verblyf,

door my in deeze Volkplanting gehouden, zegt de Burger LESCAILLIER,

heb ik slechts twee van deeze huwelyks verbintenissen kunnen beproeven,

die my zyn toegeschenen volmaakt gelukt te zyn." [16]

Op die wyze zoude men uitgestrekte Landen, die, tot hier toe, byna

geheel aan de Natuur waren overgelaten, in gelukkige, volkryke

en wel bebouwde Landstreeken, hervormd zien. Het Fransche volk,

wiens bezittingen in Guiana niet meer dan groote woestenyen zyn,

zoude in de daad eigenaar worden van een Land, byna zoo uitgestrekt,

als Frankryk zelve. Het zoude eene talryke bevolking tot zig trekken,

bestaande uit eene zoort van inboorlingen, hoedanigen men in geene

van onze andere Volkplantingen ontmoet.

ZEVENDE HOOFTSTUK.

Hooge en lage Landen.--Timmer-hout.--Voortbrengzels van Fransch

Guiana.--Levens-middelen, tot de tafel dienende.

Wanneer men de reize van den Capitain STEDMAN gelezen heeft, is

het minder noodig, om nopens de voortbrengzels van Fransch Guiana

breedvoerig te handelen.

In Guiana onderscheidt men, in 't algemeen, hooge en lage

Landen. Laaten wy met de beschryving der laastgemelden beginnen.

De kusten van Guiana worden byna overal door laage en verdronkene

landen omzoomd. Dezelve bestaan uit groote vlakten, door het

afloopen van het zee-water gevormd wordende, waar van veelen kortlings

opgekomen, anderen zedert eeuwen herwaards aanwezig zyn. Deeze zoorten

van vlakten worden by elk gety tot de hoogte van één voet, agttien

duimen, of twee voeten, iets meerder of minder, overstroomd, en loopen

weder droog. Zy zyn overäl bewassen met Paletuvier-boomen, of eenige

andere groote planten, die op een slyk-grond, waar in men ten minsten

tot aan de kniën inzakt, ondoordringbaare bosschen uitmaken. Van

dien aart is het Land aan alle de zeekusten, tot de diepte van drie

of vier mylen, gelyk ook langs de oevers der voornaamste Rivieren.

Men ziet dikwils deeze slykbanken, door de zee aan de kust van Guiana

aangespoeld, gezwinden voortgang maken, en de roode Paletuvier-boomen

aldaar welig opgroeijen. Op gelyke wyze vormen zig ook Eilanden in de

monden der Rivieren, en zelfs hooger, op die plaatsen, waar ebbe en

vloed plaats heeft. By beurten, zonder dat men 'er eenig juist tydperk

van bepalen kan, brengt de zee, in plaats van slyk aan te spoelen,

zand en schelpen op de kust. Als dan vormen zig zandbanken, of eene

zoort van lange niet zeer hooge duinen, en de roode Paletuvier-boomen,

die niet dan in zout water groeien, zig van het zelve beroofd vindende,

sterven van tyd tot tyd.

Deeze lage en verdronkene Landen zyn de vrugtbaarste in de geheele

Volkplanting; maar 'er valt echter tusschen dezelven eene keuze te

doen. Zy zyn alle, ja zelfs de meeste, niet van de beste zoort. Men

kent de vrugtbaarsten daar aan, dat onder eene zwarte, of hoog bruine

aarde, uit verrotte planten voortgekomen, en naar mest gelykende,

ter diepte van zestien of agtien duimen, een slykgrond gevonden

wordt, van eene graauwe of bleek blaauwachtige kleur, overal van

gelykzoortigen aart, en die zig zeer gemakkelyk laat omspitten. Men kan

'er insgelyks met de hand, en zonder veel moeite, een stok in steeken,

al was hy zelfs twintig of dertig voeten lang. Wanneer by dit teeken

koomt de nabyheid van de zee, welker lucht de Plantagiën vrolyker,

en het verblyf op dezelven gezonder maakt, of ten minsten, indien men

niet verder dan ten hoogsten twee mylen binnenwaarts van den mond van

eene Rivier af is, kan men, mits behoorlyk arbeidende, zig van eenen

goeden uitslag verzekerd houden. Men moet echter ook oplettend zyn,

om zulke plaatsen te verkiezen, welken de zon gewoon is te beschynen,

tot op eene zekere hoogte, het geen duidelyk is af te nemen uit de

grootte van de boomen, en de dikte van die bovenkorst van aarde,

welke uit verrotte overblyfzels van planten bestaat. Die lage landen,

welke kortlings door de zee gevormd zyn, zyn al te zacht: men kent

dezelven aan de jongheid der Paletuvier-boomen.

De aarde, die deeze lage landen tot op eene dikte van twintig duimen,

overdekt, zakt meer dan de helft in, vermits zy door de lucht en zon

verdroogt. Deeze aarde is ongetwyffeld nuttig, maar het slyk, dat

'er onder zit, is tot de voortplanting het meest geschikt.

De lage landen, welken men tot het aanleggen van groote beplantingen

boven alle anderen behoort te verkiezen, verëisschen in het begin

meerdere onkosten, dan de hooge landen, om dat men dezelven boven water

moet brengen. Wanneer het regen-saisoen geëindigd is, namelyk in de

maand July, moet men zig met het droogmaken derzelven bezig houden. Het

jaar-getyde, het welk tot deezen arbeid gunstig is, eindigt met de

maand December. Men kan deeze onderneming niet goed volvoeren, of men

moet 'er ten minsten honderd duizend livres aan kunnen besteden. 'Er

zit meer voordeel op het doen van eene groote onderneming, dan van eene

middelmatige. De kosten van Negers, het eerste oprigten van wooningen,

en werkplaatsen, het getal der persoonen, die tot huisselyke en andere

diensten noodig zyn, zyn voor eene kleine Plantagie dezelfde, als voor

eene groote, Het is ook noodig, dat hy, die dusdanige onderneming doet,

het verëischte character, standvastigheid en kundigheden bezitte,

die hem in staat stellen, om zyne onderneming zelf te bestieren:

anders moet hy een Opzigter zoeken, die kunde, yver en werkzaamheid

zamenpaart; zeldzaame hoedanigheden, welken men niet te ruim betalen

kan, wanneer zy zig in denzelfden persoon vereenigen. Zie daar dan

wederom een nieuw punt van bekostiging.

De hooge of bergachtige landen zyn ten aanzien van de zoort van aarde

zeer verschillende. De één, die zandig is, en op eene groote vlakte

niets dan lage planten voortbrengt, wordt Savane, of zand-woestyn

genoemd. Op zommigen derzelven echter wassen groote boomen, waar onder

men 'er vindt van die zoort van hout, het welk men onvergankelyk

noemt, en ander hout van de meest gewaardeerde kleuren. Eenige

deezer landen bestaan uit een mengzel van zand, en blaauwachtige

kley, waar in weinig zelfstandigheid gevonden wordt. In zeer veelen

is een mengzel van zwart zand en yzerachtige deelen. Men vindt 'er

zonder steenen, anderen wederom vol steenen, en eindelyk eene derde

zoort, geheel met rotsen bedekt. Deeze steenen en rotsen bevatten

yzer, of granit-steenen. De landen, die, of over 't geheel, of in

afzonderlyke gedeelten, zulke steenen opleveren, bestaan uit eene

aarde, dan eens zwartachtig, dan eens graauw, geel of roodachtig,

met eene verscheidenheid van mengelingen en schakeeringen.

Schoon voornaame Schryvers [17] van Guiana sprekende, over 't algemeen,

zig verklaaren tegen het bebouwen der hooge landen, als zynde koud

en onvruchtbaar, verdienen zy egter alle dit oordeel niet. Men vindt

aldaar eenige Plantagiën, die naar den wensch van hunne eigenaars

zyn uitgevallen. Op de hooge landen bezit de Staat eene groote en

schoone Plantagie van Nagelboomen, die volmaakt wel gelukt is. Met

dit al is het eene waarheid, dat deeze hooge landen grootendeels

weinig geschikt zyn tot het aanleggen van groote beplantingen, die

eenen ryken en vetten grond vorderen, en dat de meeste lage landen

den voorrang verdienen.

De eerstgemelde hebben niettemin ook eenige voordeelen. Men kan

dezelven gemakkelyker tot stand brengen; zy brengen veel eer vrugten

voort, en verëisschen veel minder kosten. Men vindt 'er de beste

zoort van hout. Aldaar zyn ook aangenaame liggingen, af hellingen,

die tot zekere zoort van handwerken byzonder geschikt zyn, stroomend

water, en steenen tot het maken van gebouwen. Deeze zelfde landen zyn

meer geschikt tot her planten van Manioc, die het voornaamste voedzel

uitmaakt voor de arbeiders, landbouwers en inboorlingen. Daarënboven

zyn zy nooit wel bearbeid geworden. Nimmer heeft men 'er geweten,

wat het was den grond om te ploegen, zoo als men dit in Frankryk,

en in de meer gevorderde Volkplantingen doet.

Men kan op die gedeelten der hooge landen, die in de Savanen

liggen, fokkeryen van groot vee met hoop van eenen goeden uitslag

aanleggen. Met de behoorlyke voorzorge zoude de fokkerye van paarden

'er zelfs gelukken. Fransch Guiana bevat bovendien in verscheidene

landstreeken geheele bergen, waar in yzer-mynen van een uitmuntend

alloy, en tot allerleye werk, zelfs tot het maken van geschut,

geschikt, gevonden worden. De mynstoffen zyn hier ryk en in

overvloed. Het levert van vyf-en-veertig tot tachtig ten honderd

op. De plaatsen, waar dezelve voor handen zyn, zyn met hout bedekt,

het geen de bewerking der mynen zeer gemakkelyk maakt.

Eene der voornaamste rykdommen van Guiana bestaat in een groot aantal

van onderscheidene zoorten van timmerhout. Men kan die in drie zoorten

verdeelen. De eene, bekend onder den naam van zacht of wit hout, moet

geheel en al worden weggeworpen, als veel te ligt, en van te korten

duur zynde. Tot deeze zoort behooren de Mapa, de Pekeïa, en het Bananen

hout. De andere zoorten van eenen geheel tegenstrydigen aart, als de

voorgaande, zyn hard, in één gedrongen, en zwaar, grootendeels van

eene bruine of donkere kleur, maar zomtyds rood, of helder geel. Deeze

wederstaan den bytel en de zaag. Het erf van dit hout is glad en

fyn, en het is voor de fraaiste polysting vatbaar. Dit hout heeft

billyk den naam van onvergankelyk hout verdiend; eene uitdrukking,

waar door men niet letterlyk verstaan moet, dat het nooit vergaat,

maar dat het veel beter stand houdt, dan het beste van ons hout,

misschien by voorb. in de evenredigheid van tien tot vyftig jaaren.

Onder de derde zoort vindt men 'er verscheiden, die de schoonste

stukken, in lengte en breedte, opleveren, om tot het bouwen van schepen

te dienen. Hier toe behooren het courbari-hout, het bagasse-hout,

het acoma-hout, het balata-hout, het couratari-hout, het agouti-hout,

het macaco-hout, het groen ebben-hout, het pok-hout, het yzer-hout,

het hout, genaamd coeur-dehors, het letter-hout, het satyn-hout, het

tendre à cailliou, het hout van St. Martin, het mannetjes roozen-hout,

en verscheide andere zoorten. Het gewigt van een vierkante voet van

deeze zoorten van hout verschilt van tachtig tot drie en negentig

ponden, en daar het gevolgelyk zwaarder is, dan eene gelyke hoeveelheid

water, zoo dryft het zelve niet.

Echter is 'er nog eene zoort tusschen de eerste, die tot niets dient,

en de andere, die ongemeen hard is. Deeze zoort van hout is vast, en

minder moeielyk om te bewerken. Hier toe behooren het acajou-hout,

het violetten- of amaranthus-hout, het zwart ceder-hout, het geel

cederhout, het wyfjes roozen-hout, enz. enz. Dit hout weegt van

veertig tot zeventig ponden de vierkante voet, en dryft by gevolg op

het water. Het is tot onderscheidene gebruiken in den zee-scheepsbouw

geschikt.

Onder deeze onderscheidene zoorten van hout zyn 'er, die eene

bittere of speceryachtige hoedanigheid hebben, die de insecten en

zee-wormen, voor de schepen zoo verderffelyk zynde, verdryven. 'Er zyn

wederom anderen, die in het water versteenen, en in het zelve nimmer

vergaan. Men ziet 'er in de bosschen van Guiana, die door ouderdom,

of eenigen stormwind omgevallen, een reeks van jaaren lang, de guurheid

van het weder, en eene byna aanhoudende vochtigheid hebben doorgestaan,

zonder dat zy daar door verder, dan in het spint, bedorven waren.

Men heeft ligtvaardigryk en zonder onderscheid te maken, tegen alle

deeze zoorten van hout tegenwerpingen gemaakt, die dezelven hebben

doen verwerpen.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 13 / 14 段