Zie hier, wat deeze zelfde geleerde ten dien opzigte

verhaalt.--Tusschen Macapa en de Noord-Kaap, op de plaats, alwaar het

groote Kanaal van de Rivier der Amazonen door de Eilanden als gesloten

is, en voor al tegen over den grooten mond van de Rivier Arouary,

die aan de noord zyde in de Amazone uitloopt, levert de vloed der

zee een zonderling verschynzel op. Geduurende de drie dagen, die het

naast aan de volle en nieuwe maan zyn, en zynde den tyd der hoogste

vloeden, verkrygt de zee, in plaats van tot haare reizing zes uuren

te besteeden, in één of twee minuten derzelver grootste hoogte. Men

begrypt ligtelyk, dat dit niet met stilte gebeurt. Op eenen afstand

van één of twee mylen hoort men een vervaarlyk geraas, het welk de

pororoca aankondigt. Naar mate deeze verschrikkelyke vloed nadert,

vermeerdert het geraas, en weldra ziet men een berg van water, van

twaalf of vyftien voeten hoogte, daar op een tweeden, vervolgens een

derden, en zomtyds een vierden, die elkander ylings volgen, en byna

de geheele breedte van het Kanaal beslaan. Deeze golven naderen met

eene onbegrypelyke schielykheid, en deiningen, en loopen over alles

heen, zonder iets te wederstaan. Op zommige plaatsen ziet men groote

streeken lands, door de pororoca weggespoeld, zeer dikke boomen

worden 'er door uit den grond gerukt; zy veroorzaakt verwoestingen

van allerleijen aart. De oever der zee, waar over zy heen gaat, is

zoo schoon, als of dezelve met een bezem zindelyk was aangeveegd. De

booten, de praauwen, de schepen zelfs hebben geen ander middel, om

zig tegen de woede van deeze branding te beveiligen, dan door op een

plaats te ankeren, alwaar veel slykgrond is. DE LA CONDAMINE, na op

verschillende plaatsen de oorzaken van dit verschynsel onderzogt te

hebben, ontvouwt het zelve in deezer voegen, dat hy het niet heeft

zien gebeuren, dan wanneer het wassend water, in een naauw kanaal

inloopende, een zand-bank of hoogen grond, die aan het zelve in den

weg was, ontmoette; dat aldaar, en ook nergens anders, de geweldige

en onregelmatige beweging der wateren begon, en een weinig boven de

bank ophield, wanneer het kanaal diep wierd, en zig merkelyk uitbreide.

Na de Rivier Carapa-Pouri, vindt men aan de noordzyde de Rivieren

Mayacare, Carfuene en Conani, vervolgens de Kaap en Rivier Cassipour,

en eindelyk Kaap Orange, op vier graden agt of tien minuten noorder

breedte.

De kusten van Terra-Firma, van de Eilanden van de Noord-Kaap tot aan

Kaap Cassipour, zyn laag, allen met boomen bewassen, zonder eenig

byzonder teeken, waar aan zy te onderkennen zyn, dan den kleinen

berg Mayés, gelegen op drie graden, vyftien minuten breedte. Deeze

berg is een zoort van terras, op zig zelf staande, en met boomen

bewassen. Wanneer men naar Cayenne wil gaan, is het dienstig daar op

te letten, om zyne reize zeker te nemen, en zig onder den wind van

dit Eiland behoorlyk te houden. Men kan den berg Mayés niet verder

zien, dan vyf of zes mylen, en zulks dan nog by helder weder. Maar

langs de geheele kust bevindt men het by de peiling vry diep, en

men kan dezelve tot op drie of vier mylen, zonder de minste vreeze

naderen. Men vindt op deezen afstand agt, negen en tien vademen

water; op tien mylen, twaalf, vyftien en twintig vademen; op vyftien

en twintig mylen, vyf- en twintig of dertig vademen, met een slyk-

en fyne zand-grond van verschillende kleuren. Verscheiden zeelieden

loopen meer zuidelyk, en peilen op twintig of dertig mylen ten

noord-oosten van de Noord-Kaap. Men vindt op deeze plaats veertig en

vyftig vademen; vervolgens zeilt men langs de kust van Mayés, op een

afstand van drie en vier mylen, de diepten wel in het oog houdende,

om niet te digt aan de wal te naderen.

Tot meerder zekerheid is het dienstig, wanneer men in het gezicht

van deeze kust vaart, alle avonden voor anker te gaan liggen, om niet

door de stroomen naar de kust gedreven te worden, en op ondiepten te

vervallen, die zig tot twee mylen verre in zee uitstrekken, en op

welken zeer weinig water is. Deeze stroomen loopen naar het noord,

noord-westen, tot dat men Kaap Orange voor by is, als dan wenden zy

zig naar het west-noord-westen.

De water-getyen op de kust van Mayés geduuren zes uuren. De vloed loopt

naar het west-noord-westen omtrent twee mylen in een uur, en de ebbe

naar het noord-oosten omtrent ééne myl in het zelfde tydvak. De zee

wast van twaalf tot vyftien voeten. Men moet echter in acht nemen,

dat deeze richting der stroomen en der getyen niet altyd even eens is.

De water-getyen zyn in deeze streeken zomtyds uittermaten geweldig. Het

advis-jagt de Anemone bevond zig, in 't jaar 1755, in zoodanig

geval, dat de golven by tusschenpoozingen vervaarlyke dwarlwinden

veroorzaakten; de zee wierd 'er eensklaps door opgezet, en toen was het

niet mogelyk het schip te stuuren. Het schip bovendien tusschen twee

zeer sterke zee-golven geraakt zynde, waren alle de masten in gevaar

van ter neder te storten, uit hoofde van de verbazende schokken. Het is

opmerkelyk, dat men dit zoort van vloeden alleenlyk aantreft, wanneer

men te digt aan de Rivier der Amazonen nadert, en dat, wanneer men

meer noordelyk te land koomt, men daar aan minder is bloot gesteld.

Van den berg Mayés tot aan Kaap Cassipour, rekent men van agttien

tot negentien mylen ten noord-noord-westen, eenige noordelyke graden.

Kaap Cassipour is gelegen op 4 graden 12 minuten noorder breedte, en

op 53 graden 35 minuten ten westen van den midden-lyn van Parys. Digt

by deeze Kaap is een bank van slyk, die zig vyf of zes mylen ver in

zee uitstrekt, waar op men niet meer dan vier of vyf vademen water

by eene lage zee ontmoet. Haare uitgestrektheid, in de dwarste van

het noorden naar het zuid-oosten gerekend, is omtrent vier mylen.

Wanneer men aan Kaap Orange nadert, ontdekt men verscheiden

bergen boven den uithoek, die aan den ingang der Rivier Oyapoc

gelegen is. Deeze Kaap is nog beter kenbaar door eenen uithoek aan

den zee-kant, en die veel hooger is, dan het Land aan de zuid-oost

zyde. Zy is al mede kenbaar door verscheide uithoeken van zeer hooge

bergen, die de een van den ander schynen te zyn afgescheiden, en

des te merkwaardiger zyn, om dat ze de eerste hooge landen uitmaken,

die men ontdekt, als men van de Noord-Kaap koomt.

De Rivier Oyapoc, welke men met die van VINCENT PINÇON niet verwarren

moet, zoo als ik reeds heb opgemerkt, is ééne der merkwaardigste in dit

Land. Zy is van de Rivier Aprouago omtrent twaalf mylen ten zuid-oosten

af gelegen. Derzelver mond is in het midden van een zoort van Baay,

die vier mylen breed is, en waar in zig twee andere Rivieren ontlasten,

de ééne genaamd Couripi, aan de oost-zyde, en de andere Ouanari, aan

de west-zyde. De mond der Rivier Oyapoc is twee mylen breed. Een myl

binnenwaarts, is een laag Eiland, het Hinden-Eiland genaamd, en waar

over het water by hooge getyen heen stroomt. Wanneer men de Rivier

vyf of zes mylen ver is opgevaren, ontmoet men eene diepte, die eene

schoone haven oplevert, alwaar men op vier, vyf en zes vademen water

ankert, zoo naby het land, als men zelf goedvindt. In 't jaar 1726,

bouwde men ter deezer plaats een nieuw Fort en een Dorp. Verscheiden

Indiaansche volken kwamen zig in den omtrek nederzetten; en in 't

jaar 1735, vestigde men, op den afstand van eenige mylen van het Fort,

de Zending van St. Paulus.

Van het Hinden-Eiland tot drie mylen hooger op, zyn verscheiden

andere kleine Eilanden, maar die aan de scheepvaart geen hinder

toebrengen. Vervolgens wordt de Rivier veel naauwer, en heeft niet

meer dan zeven of agt voeten diepte. Vier mylen van het Fort aan de

zelfde zyde, vindt men de Kreek, of liever de Rivier Gabaret. Van

deeze Kreek tot aan de eerste waterval van de Oyapoc, is een afstand

van vyf of zes mylen. Booten van eene middelmatige grootte kunnen

'er naauwlyks voorby komen. Drie mylen verder is eene tweede waterval,

die nog veel moeijelyker is. De derde waterval van de Oyapoc is twee

en een halve myl van de tweede af gelegen. Aan de rechte zyde van

deeze laatste waterval, ontmoet men den mond der Rivier Aramontabo,

die meer dan twintig mylen van daar haar begin neemt.

De Rivier Camopy werpt zig in de Oyapoc, op den afstand van twaalf

mylen van de Aramontabo, en aan den zelfden kant. Zy koomt van het

westen, en ontspringt in uitgestrekte bosschen, die ontoeganglyk

zyn; men is 'er echter zeer diep in doorgedrongen, en men verzekert,

dat zy loopt tot op eenen kleinen afstand van eene Rivier, waar van

zy alleenlyk is afgescheiden door eene Kreek van omtrent drie mylen,

welke verscheide reizigers zeggen, dat in de Amazone uitloopt, zoo dat

door dit middel de gemeenschap tusschen deeze Rivier en de Fransche

Volkplantingen van Guiana vry gemakkelyk zyn zoude.

De Oyapoc is in haaren geheelen loop, tusschen de Rivieren Aramontabo

en Camopy, vol watervallen, die zeer digt by elkander zyn: zeker

reiziger heeft 'er negen geteld. Men is deeze Rivier opgevaren

tot by de honderd mylen boven de laatstgemelde deezer Rivieren. In

dezelve loopen een groot aantal Kreeken uit, en men heeft 'er veele

watervallen ontmoet. De Pyrious en Ouayes, zeer talryke Indiaansche

volken, woonen aan het boveneinde deezer Rivier.

De Rivier Couripi ligt ten oosten van de Oyapoc, en is 'er, aan

haaren mond, alleenlyk van afgescheiden door een uithoek van laag en

verdronken land, aan de noordzyde bestaande uit eene overstroomde zand-

en slyk-bank van een myl lengte, waar voor men zig wagten moet, wanneer

men de Rivier wil inloopen. In deeze Rivier, zes mylen van derzelver

mond, ontlast zig de Rivier Ouassa, die van den zuid-oost kant koomt.

Beneden de eerstgemelde zyn de Kreeken Taparibo, Ciparini, en eenige

andere, die van weinig uitgestrektheid zyn.

Vyftien mylen meer westwaarts dan de Oyapoc, ontmoet men de Rivier

Aprouago, die, tot dertien voeten water diep zynde, voor allerleije

schepen bevaarbaar is. Ten oosten ontlasten zig in dezelve de Kreek

Koura en de Rivier Couroudi; ten westen de Kreeken Arataye, Jpourin

en Ineri. Aan deeze zyde hebben zig verscheiden Indiaansche volken

nedergeslagen. Tusschen de Baay van Oyapoc en de Rivier Aprouago,

vindt men de Kreek Ouanari, en de Zilverberg.

Voorby de Rivier Kaw zyn twee Eilandjes, die den naam van de

groote en kleine Konstapel dragen. De eerste ligt agttien mylen

west-noordwest-waarts van de gemelde Kaap, en is een zeer hooge en

zeer gezonde rots. De tweede is een veel kleiner Klip, gelegen ten

oost-noord-oosten, en ten west-zuid-westen van de groote, op den

afstand van twee derde van een myl. Men vaart tusschen beiden door,

op agt en negen vademen water, latende de grootte op den afstand van

twee snaphaan-schoten, en de kleine aan bakboord-zyde liggen.

Van den grooten Konstapel zet men zyne koers naar het noord-westen

ten westen, om in volle zee de Remire-Eilanden, die 'er omtrent zes

mylen van af liggen, voor by te zeilen. De Eilandjes van deezen naam

zyn één myl, en ten hoogften anderhalve myl van de kust van Cayenne

afgelegen. Hun getal is vyf, te weten de Malingre, of het Kind, de

Vader, de Moeder en de twee Dogters, die zommigen de twee Borsten

noemen. Deeze twee Eilandjes, die zeer klein zyn, bestaan in twee

drooge en dorre Klippen, zeer digt by elkander gelegen. Zy liggen

een vierde van een myl ten oost-zuid-oosten van het groote Eilandje,

het welk men de Moeder noemt. De Vader is veel grooter. Het zelve ligt

ten oost-noord-oosten van den Berg Joly, op den afstand van één en een

vierde myl: ten oost-zuid-oosten, en ten west-noord-westen, kan het een

agtste van een myl haalen. De Malingre is van weinig uitgestrektheid,

en ten oost-noord-oosten één myl van den Berg Romontabo, en één en

een derde myl van het Eiland, de Vader genaamd, af gelegen.

Men ontmoet vervolgens een ander Eilandje, genaamd de Verloren Zoon,

gelegen noord oostwaarts ten westen van het Eiland Malingre, op eenen

afstand van drie mylen, en van twee en een halve myl noord-waarts

ten noord-westen van Cayenne.

Wanneer men te Cayenne wil binnen loopen, ankert men by het Eilandje

Malingre; men wagt aldaar de gunftigste getyen en het hoog water af,

om de banken, of hooge slykgronden, waar mede de ingang van Cayenne

vervuld is, te kunnen overkomen. 'Er zyn zelfs eenige klippen in

de haven, welken men in acht moet nemen. Deeze haven is gelegen

ten westen van de Stad, en aan den mond der Rivier. Zy is alleenlyk

bevaarbaar voor schepen, die ten hoogsten dertien voeten water diep

gaan. Jaarlyks loopen 'er twintig binnen, die uit Frankryk komen, en

een gelyk getal kleine vaartuigen van de Antillische Eilanden, of de

Verëenigde Staaten van America. Hier toe bepaalt zig de geheele handel

der Volkplanting, die zig ook niet verder dan de hoofdplaats uitstrekt.

De Stad en het Fort van Cayenne zyn gelegen aan den noordelyken

uithoek van het Eiland, op 4 graden 57 minuten breedte, en 54 graden

37 minuten lengte, ten westen van den Parysscken middenlyn. Het

Eiland is omgeven, ten westen door de Rivier van den zelfden naam,

ten oosten door de Rivier Mahury, ten zuiden door een arm der Rivier,

die de beide Rivieren zamenvoegt, en ten noorden door de zee. Dit

Eiland heeft vier of mylen lengte van het noorden naar het zuiden,

of naar de Binnen-landen. De kust van het Eiland Cayenne is aan

den zee-kant nergens, nog laag, nog door het water overstroomd,

maar bestaat uit kleine heuveltjes, die tot het aankweken van de

voortbrengzels der Volkplanting zeer geschikt zyn.

De Stad Cayenne maakt een zoort van onregelmatigen zeshoek, door muuren

omringd, benevens vyf bolwerken, eenige halve maanen, en een gracht. In

deezen omtrek, en op eene hoogte aan den oever der zee, is gelegen een

Fort, voorheen genaamd het Fort Louis de Cayenne, het welk de Stad en

Haven bestrykt: in het zelve is een kruidmagazijn en een waterput. De

meeste huizen zijn van hout; de andere van aarde of klei, volgens de

manier van dit Land, en daar over heen wit gemaakt. Alle zijn zij met

houten borden overdekt. Voorheen deed men dit met palmboom-bladeren;

maar de verwoestingen, die zeer dikwils door brand aldaar voorvielen,

hebben de inwoonders aangezet, om aan de andere manier den voorrang

te geven. Men telt 'er niet meer dan twee honderd, waar van zommigen

twee verdiepingen hebben.

Men heeft te Cayenne een Gouverneur, benevens eenige hooge

Officieren. De bezetting bestond uit twee honderd mannen geregeld

krygsvolk, verdeeld in vier Compagniën, die tot het zee-wezen geene

betrekking hebben. Zy is met twee andere Compagniën vermeerderd

geworden. Op het minst alarm zyn de inwoonders, zoo van de Stad,

als van het platte Land, verpligt de wapenen op te vatten.

De Volkplanting heeft eenen Souverainen Raad, waar van de

Commissaris-Ordonnateur, by afwezigheid van den Gouverneur, Voorzitter

is. Dit Hof vonnist zonder hooger beroep. Het neemt kennis van alle

zaaken, die de inwoonders betreffen.

De noodzakelykheid om de landen in waarde te houden verpligt de

Franschen, om zelve hunne Plantagiën te blyven bewoonen, waar door

de Stad minder bevolkt is, dan zy anders zyn konde.

Dertien mylen van Cayenne, en drie mylen in zee, gerekend van

den mond der Rivier Kourou, die naauwlyks voor de kleinste schepen

bevaarbaar is, zyn drie Eilanden, voorheen genoemd de Duivels-Eilanden,

tegenwoordig Iles du Salut. Tusschen deeze drie Eilanden, die uit

tamelyk hooge heuvels bestaan, heeft de natuur eene haven gevormd,

die geschikt is, om door de grootste schepen bevaren te worden:

het is de eenige plaats, op de geheele Kust van Guiana, die dit

voordeel heeft. De Salut-Eilanden zyn dorre klippen, waar op zeer

veele verschillende zoorten van zee-vogelen huisvesten.

Van de Rivier Kourou tot aan de Sinamari is eene Kust van tien of

twaalf mylen lengte. Tusschen beiden vindt men verscheiden kleine

inhammen, alwaar een zeer groote overvloed van schildpadden gevangen

wordt. Dicht by den mond van de eerstgemelde zyn groote platte rotsen,

waar op de golven het zee-water spoelen, het welk by groote hette

aldaar kristallen schiet, en in zout verandert.

Van de Rivier Sinamari tot de Iracoubo is een tusschenvak van agt

mylen. Men vindt tusschen beiden de Rivieren Courassani en Conanama.

Deeze geheele uitgestrektheid Lands, van de Rivier Kourou tot de

Iracoubou toe, een streek van omtrent twintig mylen, eindigt aan

den zeekant in een boschjen van Paletuvier-boomen, en byna overal

met zandbanken. Binnen in dit boschjen, het welk zomtyds tot een

myl uitgestrektheid heeft, zyn natuurlyke vlakke zand-woestynen, die

alleenlyk hier en daar, door eenige boomen, rivieren en beeken, op zeer

groote afstanden, worden afgebroken. Aan de land-zyde binnenwaarts,

op twee of drie mylen, eindigen zy in groote bosschen, waar in men

alle zoorten van boomen vindt, die in dit Land overvloedig groeijen.

De Rivier Iracoubo is aan het einde van dat gedeelte, het welk de

Fransche Volkplanting uitmaakt. Van daar tot aan de grenzen der

Surinaamsche Volkplanting, dat is, tot aan de Rivier Maroni is eene

uitgestrektheid van veertien mylen. Tusschen beiden zyn de Rivieren

Organabo, Iroucan-Pati, en Mana, of Amanabo, die een uitgebreiden

loop heeft.

De mond der Rivier Maroni is gelegen op 5 graden 55 minuten breedte,

en 56 graden 30 minuten lengte, ten westen van den Parysschen

middenlyn. Deeze mond is omtrent twee mylen breed; maar het inkomen

aldaar is moeijelyk; want aan den buiten-kant zyn verscheide zand-

en slyk-banken, waar op zeer weinig water blyft staan. De Maroni

is eene groote en schoone Rivier. 't Is waar, verscheide Eilandjes

vernaauwen derzelver bed, meer dan twaalf mylen verre, maar zonder

de scheepvaart te belemmeren, zoodanig dat men met kleine vaartuigen

tot aan den eersten waterval, die omtrent twintig mylen van den mond

der Rivier af ligt, kan opvaaren. Boven deezen eersten waterval,

vindt men verscheide anderen, die de scheepvaart zeer moeijelyk

maaken. Men zegt, dat men meer dan veertig dagen noodig heeft, om tot

derzelver oorsprong te komen. Anderen beweeren, dat dezelve nog niet

bekend is, dat deeze Rivier van zeer wyd af ontspringt, en dat men

dezelve meer dan tachtig mylen is opgevaaren, zonder dien oorsprong

te ontdekken. Omtrent vyftig mylen van derzelver mond af, ontlast zig

eene zeer schoone Rivier in dezelve, komende van den zuid-oost kant,

en de Rivier der Arouas genaamd. In 't jaar 1731 en 1732, voer men de

laatstgemelde meer dan vyf-en-twintig mylen ver op; vervolgens verliet

men haar, om den weg te nemen over de landen naar den zuid-oost kant;

en na verloop van agt dagen, geduurende welken men rekende 35 of

40 mylen te hebben afgelegd, begaf men zig naar de Rivier Camopy,

die zig in de Oyapoc ontlast. Het oogmerk van deeze reize was, om

het Land te ontdekken, en te zoeken naar een bosch van cacao-boomen,

het welk gezegd werd in de nabyheid van den oorsprong deezer Rivier

gelegen te zyn.

De omliggende streeken der Rivier Maroni zyn door de Galibis-Indianen

vry sterk bevolkt. Wanneer men de oevers deezer Rivier een weinig

opwaarts volgt, ziet men niet dan zand-woestynen, die in den winter

moerassen, en eerst in het heetste van den zomer droog worden. Langs

dien weg kan men te land komen van Kourou af tot Surinamen toe. De

Fransche wegloopers, die geene booten hadden, wisten van deezen weg,

die aan de Indianen in dien omtrek zeer gemeenzaam is, gebruik te

maken. Zy, die langs alle deeze Rivieren woonen, en over 't algemeen

vry gedienstig zyn, laten niet na, op het minste teeken, dat men hun

geeft, de geenen, die zig aanbieden, met hunne praauwen te komen

afhalen. Men maakt doorgaans een neusdoek, of een lap wit linnen,

aan een tak van een boom vast, om hun daar mede te kennen te geven,

dat 'er iemand is, die den doortocht verzoekt.

In de Rivier Maroni loopen verscheiden andere Rivieren uit, die dezelve

aanmerkelyk vergrooten, vooral in het regen-saisoen. De landen, waar

over zy heen loopt, zyn laag, overstroomd, en met boomen en struiken

bewassen. De Franschen en Hollanders hebben aan deeze Rivier een

wachtpost tegen over elkander.

TWEEDE HOOFTSTUK.

Luchts-gesteldheid in Fransch Guiana.

De hette is in Fransch Guiana minder, dan in onze andere Volkplantingen

onder de gezengde luchtstreek; blyvende de Barometer aldaar staan

tusschen de 19 en 25 graden. De zoele winden van den grooten Oceaan,

waar aan dit gedeelte van het vaste Land op eene wonderbaarlyke wyze

is blootgesteld, de meenigte van groote en kleine Rivieren, die het

Land alomme besproeijen, en de bosschen, waar mede het byna geheel

als overdekt is, verminderen bovendien de brandende hette merkelyk.

Men weet, dat 'er niet meer dan twee saisoenen, of jaargetyden

in Guiana zyn: het regensaisoen, nu en dan de winter genoemd,

en het saisoen van droogte, waar aan men, in tegenoverstelling,

den naam van zomer geeft. Het eerste begint doorgaans in December,

of zelfs in January. In Maart en in April heeft men een tusschen-tyd

van droogte, van een maand of zes weken, dien men de kleine droogte

noemt. Met half April, of daarömtrent, begint de regen weder tot in

Juny, en zomtyds tot half July. Dus heeft men in de twaalf maanden

van het jaar omtrent vyf regen-maanden. Deeze algemeene regels hebben

niettemin hunne uitzonderingen, volgens het onderscheid der jaaren,

en het verschil der plaatsen. Het regent veel minder in die streeken,

waar men het hout heeft uitgerooid, dan in die, welke met bosschen

bedekt zyn; veel minder bij de Rivieren Cayenne en Kourou, dan aan den

kant van de Oyapoc, en veel meer by de Rivieren Maroni en Surinamen,

dan in de Landen, die door de Franschen bezeten worden. Hier door lost

men de oogenschynlyke tegenstrydigheid op, welke 'er gevonden wordt

tusschen de talryke waarnemingen van STEDMAN omtrent het luchts-gestel

in de Volkplanting Surinamen, en die der Fransche Schryveren, die

van de luchtsgesteldheid te Cayenne spreken, en eenparig zeggen,

dat dezelve gematigd is.

Schoon in het laatstgemelde tydperk de regen ongemeen overvloedig

is, moet men zig echter niet verbeelden, dat dit eene onöphoudelyke

overstrooming is. 'Er zyn tusschenpoozingen, zelfs van geheele dagen,

in het midden van het regen-saisoen, dat het mooy weder is, zoo als

'er ook wederkeerig tusschenpoozingen van geheele dagen zyn, geduurende

welken het in 't saisoen van droogte regent.

Guiana is bevryd van die orkaanen, die op de Antillische Eilanden en

in de Indiën zoo veele verwoestingen aanregten. Men weet aldaar van

geene aardbevingen; en de hagel vernielt 'er den oogst niet.

Het is merkwaardig, dat het regen-saisoen in Guiana juist voorvalt,

wanneer op de Antillische Eilanden het saisoen van droogte is, en

zoo ook weder omgekeerd, onäangezien den geringen afstand tusschen

deeze beide Landen. [11]

Dikwerf ziet men Europeanen verscheiden jaaren in Guiana doorbrengen,

zonder eenigen van die akelige ziekten te ondervinden, waar aan zy in

byna alle andere Landen onder de gezengde luchtstreek onderworpen zyn,

en gelyk eene zoo merkelyke verandering van luchts-gestel natuurlyker

wyze moest doen vreezen. Zy wederstaan dezelven, wanneer zy eene

sobere levensmanier weten aan te nemen, wanneer zy zorge dragen,

om in het eerste begin zig niet te lang agteréén aan de regelrechte

stralen van de zon bloot te stellen. Indien 'er vreemdelingen sterven,

is zulks veel al het gevolg van een ongebonden leven, en het misbruik

van sterke dranken.

Het geen van de graden van hette gezegd is, heeft betrekking tot het

luchtsgestel aan de kusten en in de nabyheid der zee. Wanneer men

zig van het strand en van de lage Landen verwydert, op den afstand

Van tien of vyftien mylen, zyn 'er altyd twee graden minder.

De luchtsgesteldheid te Cayenne was voor deezen veel regenächtiger

en onäangenamer, zegt BARRERE, [12] eer men in het Eiland het hout

had uitgeroeid, en de inwoonders waren 'er aan zeer akelige ziekten

onderworpen. Langen tyd is het onmogelyk geweest de kinderen der

Negers in het leven te behouden; allen stierven zy byna dadelyk na

hunne geboorte. Hedendaags worden zy 'er nog door eene algemeene

stuiptrekking, die een waare tetanus is, aangetast. Deeze ziekte

spaart zelfs geene groote lieden, tot welken ouderdom zy reeds mogen

gekomen zyn. Dezelve vertoont zig door pyn in den hals, als of die

met een koord was toegetrokken. Het kakebeen sluit zig vervolgens,

het geen de doorslikking belet. De armen en beenen worden stram,

en niettemin hebben 'er, verscheiden malen daags, stuiptrekkingen

plaats. Deeze toevallen matten den zieken zoo sterk af, dat hy overluid

schreeuwt. Men is zelfs verpligt zyn hoofd een weinig in de hoogte te

houden, om hem de belemmerde ademhaling gemakkelyker te maken. Het

geen hem vooral doet lyden, is een onverzadelyke honger, die hem nu

en dan zoodanig dringt, dat hy alle oogenblik zoude eeten, indien men

het hem maar geven wilde, en hy het vermogen van slikken had. Hier

by koomt altyd koorts. Dezelve gaat gepaard met een overvloedig

en algemeen zweeten; en wanneer de ziekte meer en meer verergert,

sterft de lyder onder vervaarlyke stuiptrekkingen.

Om den voortgang van zulk eene ellendige kwaal te sluiten, moet men

den geen, die 'er door aangetast is, verscheiden malen daags met koud

water besproeijen. Men houdt daar mede aan, tot dat de ledematen

hunne voorige gedweeheid hernomen hebben. Het is noodzakelyk de

kragten van den zieken door goede vleeschsoepen te ondersteunen; men

moet dezelven dikwils geven, maar in eene kleine hoeveelheid, en met

eenige lepels wyn. De zoete kwik met ontlastende middelen gemengd,

als rhabarber, diagrydium, jalappe, doen in deeze ziekte veel nut:

maar het beste middel is het heulsap, in zulke sterke giften, dat

'er een gezond mensch van sterven zoude.

DERDE HOOFTSTUK.

Geschiedkundige opgaave, betrekkelyk Fransch

Guiana.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 9 / 14 段