Het is meer dan waarschynlyk, dat deeze uiterlyke opöffering van

een gedeelte der inkomsten, door den eigenaar aan zyne arbeiders

overgelaten, ten minsten deeze inkomsten op dezelfde waarde zal

houden; naardien het belang, het welk de zwarten zelve daar by hebben,

hen zal aanzetten, om met den meesten yver te arbeiden, om met lust

mede te werken tot bevordering van den welvaart der Plantagiën, en

de inzameling der vruchten, tot het beletten der diefstallen, tyd

verspillingen, en verscheidene misbruiken, welken de al te strenge

bestiering der slaven doet vermeenigvuldigen.

Wie is 'er, hy moge nog zoo veel bezet zyn met vooröordeelen,

welke thans nog eenige Colonisten, voorstanders der slavernye,

verblinden, die gelooven kan, dat de Plantagiën in het byzonder, en

de Volkplantingen in het algemeen, den trap van geluk, die aan haare

volkrykheid geëvenredigd is, bereiken kunnen, zoo lang de arbeiders,

by de vruchten van hunnen eigen arbeid, en de vermeerdering van

den oogst, zelve belang hebbende, daar toe geenen yver aanwenden,

die men onmogelyk verwagten kan van een zoort van beesten, die door

zweepslagen geregeerd worden, en wier eenige hope bestaat in eenige

uuren rust te genieten, en kastydingen te ontduiken.

Wanneer men door de ondervinding van één of twee jaren gezien zal

hebben, dat de arbeiders zig onder dit nieuw ontwerp wel gedragen

hebben; dat dit tiende gedeelte der vrugten, tot eene belooning aan de

zwarten gegeven, de uitwerking gehad heeft, welke men 'er zig van had

voorgesteld; dat deeze Plantagiën 'er niet door geleden hebben, maar

veel eer door bevoordeeld zyn, zal men deeze belooning vermeerderen,

en, in het volgende jaar, tot een negende gedeelte der zuivere vrugten

brengen, ten einde als nog te beproeven, of, door deeze opoffering,

de inkomsten op dezelfde waarde voor den eigenaar blyven zullen.

Ik twyffele ann den goeden uitslag niet, daar ik zelf in de gelegenheid

geweest ben, om 'er eenige proeve van te nemen, en ik verzekere u,

dat deeze belooning, of dit aandeel in de inkomsten, aan de arbeidende

Negers toegestaan, van jaar tot jaar kan vermeerderd worden. Men

zal het van tyd tot tyd tot een agtste, een zevende, een zesde, een

vyfde, een vierde, en eindelyk tot een derde der zuivere inkomsten

brengen, zonder dat daar door de eigenaar zelf eenige vermindering

ondervindt. Dit derde der inkomsten, door den Planter aan de arbeiders

afgestaan, zal zyne eigene inkomsten nog des te meer verzekeren; en de

uitvoer van koopwaren uit de Volkplanting zal vermeerderd worden met

dit derde, het welk mede onder de voorwerpen van den koophandel komen

zal. De invoer van koopwaren zal in gelyke evenredigheid vermeerderen

door de verteeringen, welken de Negers, thans eene zekere zoort van

levens-gemak genietende, maken zullen; en deeze menschen, tot hier

toe toe zoo mishandeld, zullen allengskens hun geluk beginnen te zien,

en hunne meesters beminnen.

Ik begryp, dat de trapswyze voortgang in dit ontwerp, dien men

noodzakelyk behoort te volgen, een tydvak ten minsten van negen jaaren

noodig heeft. In het tiende jaar (of zoo dra deeze ondervinding zal

gevestigd zyn, en de goede uitwerkzels van deeze huishouding zullen

zyn gebleeken,) zal men deeze schikking tot eene vaste wet maken,

die de rechten der eigenaars en arbeiders met billykheid zal regelen;

tot eene wet der Volkplanting, waar in niet meer gesproken zal worden

van slavernye, maar van een wederkeerig verdrag tusschen de arbeiders

en de eigenaars van den grond.

Het is gemakkelyk te bezeffen, dat door deeze maatregelen, welken

ik hier in het ruwe schetse, langzamerhand in werking te brengen,

geen groote eigendom in wanorde geraken zal; maar dat de volkrykheid

der Negers onder een menschlievender bestuur zal aanwassen. Deeze

gelukkige verandering zal bewerkt worden, zonder eenigen schok of

beweging te veroorzaken. Deeze arbeiders zullen zig, langzamerhand,

en als ongevoelig, aan eene zekere gemakkelykheid en aan eene betere

levens-manier gewennen, die hun goed gedrag, hunne werkzaamheid en

vlyt ten grondslag hebben zal. 'Er zal in hunne denkbeelden geene

overylde omwenteling plaats hebben, waar door men eenig kwaad gevolg

te vreezen heeft, dewyl de eerste aanbiedingen slegts voorwaardelyke

gunstbewyzen zyn zullen, welken de meesters altyd zullen kunnen

intrekken, in geval de Negers zig dezelven onwaardig maken mogten.

Huisgezinnen, die zig toeleggen om hunne inkomsten een weinig te

besparen, ten einde kleine afzonderlyke eigendommen te verkrygen,

zullen gelegenheid vinden, om het bezit daar van te bekomen: zy

zullen daar door een bewys van hunne bekwaamheid ten toon gespreid,

en een waarborg voor hun toekomend goed gedrag gegeven hebben. Deeze

verhuizingen van zommige huisgezinnen der arbeiders, die van tyd

tot tyd groote Plantagiën verlaten zullen om kleine op te rigten,

zullen op de eerstgemelden door den ontwyffelbaaren aanwas hunner

volkrykheid rykelyk vervuld worden.

Naar mate de Colonisten tot deeze oogmerken van menschlievendheid en

goede orde de hand zullen leenen, door voor het uiterlyke de edelste

opöffering te doen, zullen zy hun eigen voordeel behartigen; men

zal de Volkplantingen en den koophandel meerder zien bloeijen: men

zal aldaar meerder gerustheid, meerder veiligheid, een aanhoudende

aanwas der bevolking ondervinden, zonder eenig middel van geweld, of

het welk met goede grondbeginzelen strydig is, te bezigen. Om hier van

overtuigd te zyn, behoeft men zig slechts deeze alöm bekende waarheid

voor oogen te stellen, dat de bevolking overal zigtbaar aanwast,

waar voorspoed en middelen van bestaan gevonden worden.

Deeze regelmaat, op reden, rechtvaardigheid en goede Staatkunde

gegrondvest, is in de Fransche Volkplantingen, die deeze omwending

ondergaan hebben, niet gevolgd geworden. Alles is by deeze volken aan

het gisten en in wanorde geraakt. Geene der partyen, van welke classe

ook, wilde opregtelyk de vryheid, noch den algemeenen voorspoed;

geene derzelven wierd door oprechte oogmerken gedreeven, maar allen

wierden zy aangezet door haat, door het een of ander denkbeeld van

haatlyke beschuldiging, en voor al door een lust tot plundering,

die door wanorde zoo wonderbaarlyk geholpen word. De Regeering, die

opzettelyk de Volkplantingen kwalyk bestierde, om 'er de omwenteling

te doen vervloeken, en het Koningschap te doen beminnen, heeft de

wanorde vermeerderd door een zoort van lieden, welken zy met haar

gezag bekleed heeft. De Nationale Conventie, die over 't algemeen

de zaken der Volkplantingen met een onverschillig oog beschouwde,

heeft zig door die partye, welke de vryheid naar het hart stak, door

tegenstrydige besluiten, die met de grondbeginzels niet strookten,

laten wegslepen.

Vervolgens is het stelzel van ROBESPIERRE gekomen, welke zeide: Laaten

de Volkplantingen verloren gaan, liever dan dat men een oogenblik

de grondbeginzels zoude doen wankelen. Men heeft de vryheid in de

Volkplantingen verspreid, niet als een weldaad, maar als een middel

van oorlog en verdediging tegen de bestryders der omwenteling, en de

vyanden van het Gemeenebest. De regeeringloosheid en ongebondenheid

hebben 'er zig meester van gemaakt, en men heeft 'er alle misdaden

en driften toomloos zien woeden; deerniswaardige gesteldheid, waar

in de slechtste menschen de teugels van 't gezag in handen krygen,

en de brave en vreedzame lieden vermoord of verjaagd worden. De

wanorde is ten hoogsten top gestegen, vooral in verscheiden gedeelten

van St. Domingo, tot dat een wyzer bestuur, zig op de grondslagen

van deeze vryheid vestigende, maar dezelve volgens de wetten en de

Constitutie regelende, eindelyk deeze schoone bezittingen weder in

orde gebragt heeft.

In onze arme Volkplanting van Caijenne is de oprigting der vryheid

niet vergezeld geweest van eenige afschuwelykheid, in vergelyking van

die van St. Domingo; maar de landbouw heeft 'er veel geleden: laten

wy de oorzaken en de omstandigheden in overweging nemen, en wy zullen

zien, dat men den gepasten weg niet betreden heeft, dien ik hier boven

aan de Volkplantingen heb aangeraden, die de noodzaakelyk gewordene

verandering van slavernye in vryheid nog niet ondergaan hebben.

Men heeft de vryheid der Negers, te Caijenne, zonder voorzorg en

zonder bepaaling afgekondigd. Deeze schielyke en onverwagte overgang

van onderdrukking tot toomloosheid is minder verderffelyk geweest,

dan zy natuurlyk zyn moest, niet alleen, om dat deeze bevolking zeer

klein en verstrooid is, maar ook om dat, zedert verscheiden jaaren,

een menschlievend bestuur, het welk alle de onheilen der slavernye

gevoelde, den weg tot deeze verandering gebaand had, door de wreedheden

en het onredelyk gedrag der meesters in te toomen, en door aan de

Negers jegens de blanken goedhartigheid en vertrouwen in te boezemen,

door het wegloopen en zwerven uit te roeijen, en door de Negers te

gewennen, om van hunnen arbeid een zeker voordeel te trekken, en zig

zelven als menschen te beschouwen. De onderdrukking aldaar minder

zynde, is de gisting ook minder geweest, op het oogenbik dat de oude

orde van zaken vernietigd wierd: maar het was onmogelyk, dat menschen,

verpligt voor anderen te werken, zonder eenig nut voor hun zelven,

eensklaps vry en meesters van hunne daden zyn zouden, bekwaam om van

gezagvoerende posten voorzien te worden, even als de geenen, die te

vooren hunne meesters waren, en voor wien men hun tot hier toe eenen

Godsdienstigen eerbied had ingeboezemd; het was onmogelyk, zeg ik,

dat zy zig met aan eene onbezonnen vreugde zouden overgeven, en dat

de Plantagiën, en dezelver bebouwing, niet in zekeren zin verlaten

zouden worden, zoodanig zelfs, dat hunne zorgeloosheid hen noodwendig

in gevaar moest brengen, om van honger te vergaan.

Toen men vervolgens deeze zwarigheid wilde afwenden, en deeze

menschen door gezag tot den arbeid en landbouw te rug brengen, heeft

men insgelyks verkeerde maatregelen genomen; men heeft de arbeiders

willekeuriglyk op geheel andere Plantagiën geplaatst, dan op welken

zy gewoon waren; men heeft het herstel van de eene begunstigd, en de

andere laten verloren gaan, volgens den willekeur der bestuurders;

men heeft de Negers op een daggeld van drie en vier stuivers gesteld,

eene belooning, die geheel onvoldoende en bespottelyk was, die deeze

menschen niet kon aanzetten, om met yver te arbeiden, en die tevens,

hoe klein zy ook wezen mogt, voor de eigenaars tot een' grooten last

was, daar zy dikwils van het werk der arbeiders zoo veel niet trokken,

als noodig was, om die onkosten op te diepen.

Te gelyker tyd heeft men een zeer overbodig aantal van deeze arbeiders

gewapend, naar mate van de uitgestrektheid der Volkplanting, die nimmer

is aangevallen geworden. Men heeft uitgestrekte landstreeken, maar in

welken byna geene andere bewooners, dan Aapen en Papegaaijen zyn, in

orde geregeld: men heeft aldaar een geheelen stoet van bedieningen en

posten ingevoerd, zoo als die in de meest bevolkte Fransche Gewesten

gebruikelyk zyn: men heeft rangen, geld, ampten en gezag verleend aan

menschen, die nog lezen nog schryven konden, en welken men tegen alle

reden aan den landbouw onttrokken heeft.

Hoe zoude, in zulke omstandigheden, eene zoo weinig gevorderde

Volkplanting niet verminderd en verslimmerd zyn? Maar zoo dra een

verstandig Regeerings-bestuur aldaar een goed Reglement, betreffende de

bebouwing der Plantagiën, zal hebben vast gesteld, op de grondbeginzels

der Staats-regeling gebouwd, en op de vryheid steunende, volgens

welken de arbeidende Negers een behoorlyk aandeel trekken van de

inkomsten, die hunne arbeid aanbrengt, zullen de Plantagiën haaren

aanwas spoedig hernemen.

Thans schiet nog overig eene zwarigheid op te lossen, die men

tegenwerpt, betrekkelyk de groote uitschotten, die 'er noodig zyn, om

de bebouwing der lage landen vol te houden: maar is 'er overal niet

veel noodig, om nieuwe Plantagiën aan te leggen? en zyn de kosten,

die men maken moet, met één, of twee jaaren, of zelfs iets langer, de

arbeiders en bewerkers van den grond te betaalen, zonder voordeelen te

trekken, in vergelyking te stellen met de kosten, die het aankoopen van

Negers, en de sterfte onder dezelven, noodwendig moesten veröorzaken?

De zaak koomt my zoo klaar voor, dat ik, om dezelve duidelyker te

bewyzen, niet oordeele noodig te hebben eene vergelykings-rekening

tusschen den koop-prys der Negers, en de dag-gelden, die men eenigen

tyd verpligt is te betalen, om het land tot het voortbrengen van

gewassen, en het geven van eenen goeden oogst, toe te bereiden. Het

is genoeg te hebben aangemerkt, dat men voor den prys, dien men

voorheen tot verkryging van den eigendom van één mensch betaalde,

een vry persoon drie jaaren lang kan huuren, zonder te rekenen het

gevaar van sterfte, het wegloopen, den verloren tyd, de ziekten,

het onderhoud van vrouwen, kinderen, oude lieden, en gebrekkelyken,

enz. enz.

Ik eindige eenen brief, die reeds vry lang geworden is, maar die door

de schoonheid van het onderwerp, en myne wenschen tot bevordering

van uw geluk breeder is uitgeloopen: laat ik den inhoud zakelyk by

één trekken.

De slavernye is eene verkeerde en onrechtvaardige inrichting, die

allen nayver en vlyt uitdooft. De Volkplantingen kunnen zeer wel

zonder slaven bebouwd worden. Wy hebben het voorbeeld van veele

landstreeken der Indianen en anderen, op dezelfde breedte, als wy,

woonende, alwaar vrye volken aan den landbouw arbeiden, en alle

zoorten van werk, waar toe vlyt verëischt wordt, bloeijen. Het is

derhalven te wenschen, dat men die Volkplantingen, welke nog onder

het juk der slavernye zuchten, tot den gelukkigen staat der vryheid

te rug brenge; maar het is staatkundig, het is menschlievend, om deeze

verandering trapsgewyze en met omzichtigheid te bewerken. Men moet aan

deeze omwenteling verscheiden jaaren besteeden; het is noodig, dat de

beschikkingen der Planters en eigenaars overéénstemmen, en zamenwerken

met de daaden van het hoog gezag van hun moederland; en dat zy beiden,

door de voorbeelden van tweedragt en wanorde, die op andere plaatsen

zoo veele onheilen berokkend hebben, voorgelicht, hun goed oogmerk door

redelyke en vreedzaame middelen bereiken, in plaats van een stelzel

van onderdrukking en onrechtvaardigheid, het welk nooit lang duuren

kan, met overyling, en verbaazende verscheuringen, om verre te werpen.

Niemand neemt meer belang, dan ik, in uwen voorspoed, en die van uwe

mede Colonisten in 't algemeen, van welken ik zoo veele blyken van

vriendschap en achting ontfangen heb.

Het is met deeze gevoelens, dat ik u opregtelyk groete.

AANMERKINGEN.

De bovenstaande brieven, betrekkelyk de bebouwing der lage landen

in Surinamen, en andere Hollandsche Volkplantingen van Guiana, met

toepassing op het Fransche gedeelte van dit Land, alwaar men zelfs

aan de oevers der Rivier Aprouago, en in andere streeken, eenige

gelukkige proeven van dien aart gedaan heeft, zyn gedeeltelyk het

werk van een uitmuntend inwooner van Demerary, nu wylen den Heer

B. VAN DEN SANTHEUVEL, en aangevuld uit het geen ik, zoo in Fransch

als in Hollandsch Guiana, zelf gezien heb. Ik heb in dit opstel

ook ingevlochten een groot gedeelte van verscheidene oordeelkundige

aanmerkingen van den heer GUISAN, die door den Intendant MALOUET uit

Surinamen ontboden, en geduurende een aantal jaaren, in Fransch Guiana,

als Landbouw-kundige (Ingenieur agraire,) is gebruikt geworden. Ik

heb ook gebruik gemaakt van verscheidene uitmuntende byzonderheden,

vervat in eene Memorie, welke ik vermeene te zyn opgesteld door den

Burger COUTURIER, inwooner van Cayenne; en die insgelyks tot den

evengemelden post, onder GUISAN, gebruikt is.

Ik hope, dat de denkbeelden, begrepen in den vierden brief, tot

oplossing der tegenwerpingen, en wegneming van de beduchtheid der

Bataafsche en andere Planters, tegen de afschaffing der slaverneye,

die echter noodzakelyk geworden is, voor het menschdom van nut zullen

kunnen zyn, en dat men, door deeze of andere gelykzoortige, en op

dezelfde grondbeginzels meerder uitgewerkte, doelëinden in het oog te

houden, eindelyk (in de Volkplantingen van onze Bondgenooten, en zelfs

in de onze, alwaar, uit hoofde van den oorlog, de Staats-regeling

nog niet is ingevoerd,) een bestuur, op reden gevestigd, moge daar

stellen, het welk met de gesteldheid van ons Land niet strydig is,

en het ongeluk van deeze nuttige bezittingen kan voorkomen. Ik kan

niet nalaten een ernstig belang te stellen in het lot van verscheiden

Volkplantingen, alwaar ik de eer gehad heb den post van Gouverneur

te bekleeden; een belang, het welk des te grooter wordt, om dat het

de liefde tot het menschdom en myn Vaderland ten grondslag heeft.

TWEEDE AANHANGZEL,

BEHELZENDE EENE BESCHRYVING DER

VOLKPLANTING VAN CAYENNE.

BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.

EERSTE HOOFTSTUK.

Aardrykskundige Beschryving van Fransch

Guiana.

De Franschen zyn langen tyd alleen bezitters en meesters van geheel

Guiana [10] geweest, van de Orenoco af tot aan de Rivier der Amazonen;

maar de gesteldheid der zaken in Europa, en de onderscheidene oorlogen,

waar in Frankryk is ingewikkeld geworden, hebben hen genoodzaakt,

om een gedeelte van dit uitgestrekte vaste Land aan de Hollanders en

Portugeesen af te staan. Het gedeelte, het welk zy behouden hebben,

heeft derhalven thans tot zyne grenspalen, aan de westzyde, de Rivier

Marony, en aan den oostkant strekt het zig uit, volgens het Verdrag van

Utrecht, tot aan de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON, gelegen

dicht by de Noord-Kaap, en welke men verkeerdelyk heeft verward met

de groote Rivier Oyapoc, wier geheele loop aan Frankryk toebehoort,

en waar in VINCENT PINÇON nimmer geweest is, zynde derzelver mond

meer dan vyftig mylen van gemelde Noord-Kaap af gelegen.

Deeze gelykheid, of liever deeze mistasting in den naam, heeft een

verschil met Portugal veroorzaakt. Het Verdrag van Utrecht, wel is

waar, noemt eenmaal de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON;

maar eene andere keer bedient het zelve zig van de laatstgemelde

benaming. Noch de eene, noch de andere van deeze benamingen, is die van

de Rivier, waar van in dit Verdrag gesproken wordt. 'Er is tusschen

de Landen aan de Noord-Kaap en het vaste Land, een arm van de Zee,

die een zoort van Baay vertoont. Men beweert, dat zeker Reiziger,

genaamd VINCENT PINÇON, die CHRISTOPHORUS COLOMBUS op zyne laatste

reize vergezeld had, in 't jaar 1500, in deeze Baay aankwam, waarom

zommige Schryvers den naam van deezen Reiziger aan dezelve gegeven

hebben, een naam ondertusschen, die in het Land niet bekend is.

By dit zelfde Verdrag van Utrecht, staat Frankryk aan Portugal de

uitsluitende vaart af op de Rivier der Amazonen, en het bezit van

derzelver beide oevers, zoo noordelyken, als zuidelyken, gelyk mede

die van den omtrek der Noord-Kaap, uit verdronken landen bestaande,

ten noorden van den mond deezer groote Rivier gelegen, en zig tot den

tweeden graad noorder breedte uitstrekkende; maar by het Verdrag is

in geenen deele bepaald, op welken afstand van den noordelyken oever

van deeze zelfde Rivier de Portugeesen recht zouden hebben zig het

bezit aan te matigen.

De Fransche Regeering alle onzekerheid ten deezen opzigte willende

wegnemen, had aan de Bestuurders van Guiana gelast eene kaart te doen

maken, waar op deeze binnenlandsche grensscheidingen bepaald zouden

zyn, latende aan Portugal het vrye bezit der Landen langs den oever

van de Rivier der Amazonen, op gelyken afstand, namelyk vyftien mylen

van den oever, als wy aan den kant van den mond der Rivier, of van

den oever der Zee, 'er van waren afgelegen. De Ingenieurs, met dit

werk belast, waren echter niet verpligt deeze voorgeschrevene rigting

te volgen, wanneer de ligging der plaatsen merkwaardiger punten,

en meer natuurlyke grensscheidingen vorderden.

Dit werk is nimmer uitgevoerd. Eerst in het jaar 1781. plaatste

de Fransche Regeering, om de grensscheiding te verzekeren, eenen

wachtpost by de Baay van VINCENT PINÇON, in eene landstreek, die

volstrekt woest was, en zonder dat eenig Europeaan, van de eene af

andere zyde, zig aldaar had nedergezet. Die post is zonder tegenkanting

aldaar gebleven. Eene zending, genaamd die van Macary, welke zig in

de nabuurschap bevond, benevens zeker Indiaansch volk, meer dan drie

honderd persoonen uitmakende, behoorde ontwyffelbaar aan het Fransche

grondgebied; maar in 't jaar 1791. kreeg de Gouverneur van Para in

den zin, om eenige vorderingen optewerpen, en deed zelfs strooperyen,

met oogmerk, om het Portugeesch grondgebied tot aan de Rivier Oyapoc

uit te breiden.

Op de hoogte van twaalf mylen ten noord westen van den mond van de

Rivier der Amazonen, en op omtrent twee graden noorder-breedte, vindt

men de Noord-Kaap, vervolgens het Eiland van de Noord-Kaap, en binnen

het zelve de Rivier Carapa-Pouri, uitloopende in den inham der Zee,

welken men de Baay van VINCENT PINÇON noemt. Tusschen Terra-Firma en de

Noord-Kaap, is een van tien mylen, vol lage en verdronkene Eilanden,

van verschillende grootte, het ééne na by het andere gelegen, die

weinig bekend, en geheel en al onbewoond zyn. De schepen behooren

'er byna drie mylen van af te blyven; de zee is aldaar gevaarlyk,

vooral in de groote vloeden by volle en nieuwe maan. Men verzekert,

dat aldaar zee-golven zyn van twintig voeten hoogte, en dat 'er

drie van die zelfde kragt op elkander volgen, tegen welker geweld

de schepen niet bestand zouden zyn; zy zouden dezelven op zand-

en slyk-banken werpen, die zig, naar de breedte van deeze Eilanden,

meer dan een groote myl ver uitstrekken; maar de schepen en sloepen,

die de Rivier der Amazonen uitloopen, om zig naar Cayenne te begeven,

kunnen zig daar voor myden, dewyl deeze banken, weinig water naar zig

trekkende, niet verhinderen dicht by het Land te komen, en in kleine

Kreeken of Baaijen de wyk te nemen, alwaar zy voor deeze verbaazende

zee-branding beveiligd zyn. De Portugeesen van Macapa en de Indianen

noemen dit gety Bororoca, de Franschen van Cayenne geven 'er den naam

aan van la Barre, of le Mascaret. De beroemde CONDAMINE, zig in eene

groote sloep bevindende, onder het geleide van eenige Indiaansche

Portugeesen, na de Noord-Kaap te zyn voorby gezeild, verviel, in 't

jaar 1714, op één van deeze banken aan den kant van de kust. De zee

liep by laag water zeer verre af, en liet de sloep op een zeer harden

slyk grond vast zitten. Dewyl het de dag van het laatste kwartier was,

en zeer kleine vloeden plaats hadden, bleef de sloep eene geheele week

op het drooge zitten; maar by de volgende maan, maakte het begin van

deeze zoo geduchte branding de sloep weder vlot. Dit ging echter met

gevaar vergezeld, want de golven namen het vaartuig op, en bragten

het met eene vervaarlyke gezwindheid in het slyk in beweging.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 8 / 14 段