'Er is nog eene manier, die veel voordeeliger is, en daarom veel meer

aan te raden: hier in bestaande, om in plaats van den middenweg,

eene groote vaart te graven, beginnende van het achterste gedeelte

der gebouwen tot een einde voor aan in het bosch, en in de dwarste

loopende voor den agterdyk. Men bedient zig van de aarde, die daar

uit gegraven wordt, om aan wederzyden van deeze vaart, de dyken op te

hoogen, die een zeer goeden weg opleveren ter rechter en ter linker

zyde, welken men ieder met ryen boomen beplant. Het nut van zulk eene

gegravene vaart is onwaardeerbaar; dezelve dient, om de koffy of andere

waaren in den oogst-tyd met schepen of ligte vaartuigen te vervoeren,

het geen veel handen arbeid kan voorkomen. Deeze vaart is het geheele

jaar door vol goed en zoet water, het welk uit het bosch afdaalt. Dit

water dient tot besproeijingen, tot verscheidene benoodigdheden der

Planters, om zig te baden, en tot het vervoeren van hout voor vaatwerk,

en brandhout, het welk men als een vlot laat afzakken, enz.

Na dat men eenige maanden aan het maken der omringende dyken gearbeid

heeft, wanneer de grond is ingezakt en vast geworden, maakt men de

dyken volkomen af, en gelyk, en geeft aan de onderpaden en schuinse

afhellingen derzelver regelmatige gedaante. De hoogte van deeze dyken

moet altyd zyn een voet boven het hoogste water.

In dit bearbeiden der lage landen, na den grond van het zwaare hout

en de takken gezuiverd te hebben, het geen altyd een lang en moeijelyk

werk is, voornamelyk wanneer de gronden met paletuvier-boomen bewassen

zyn, is men gewoon in het begin bananen-boomen te planten, die tot

voedzel voor de beplanters dienen, en met hunne zwaare bladeren

de heestergewassen, het kleine geboomte, en planten, die op den

grond overig blyven, overschaduwende, dezelven eindelyk geheel doen

te niet gaan. Waar na men dezelven uittrekt, en nuttige planten,

die men voornemens is aldaar aan te kweeken, in de plaats zet, om

'er voordeel mede te doen. Indien dit koffy-boomen zyn, plant men

dezelven, geduurende het eerste en tweede jaar, in de schaduwe der

bananen-boomen, waar van men een gedeelte laat staan.

Voorts moeten wy nog aanmerken, dat op de groote, en vooral op de

Suiker-Plantagiën, de verdeeling der grachten een weinig anders

zyn moet.

Voor eene Suiker-Plantagie, alwaar men een water-molen maken wil,

moet men afzonderlyke gegravene vaarten hebben, benevens genoegzaame

vyvers, en bewaarplaatsen van water, die in slaat zyn het zelve aan

de molen te verschaffen; als mede eene bekwaame helling, geduurende al

den tyd, dat de Zee laag genoeg is, om de molen te kunnen laten malen.

'Er zyn ook grachten of vaarten noodig, die bevaarbaar zyn voor ligte

vaartuigen, rondöm elke verdeeling, ten einde het suiker-riet met

gemak en vaardigheid naar den molen te kunnen overvoeren.

Op de groote Koffy-Plantagiën graaft men ook eenigen van deeze vaarten,

tot het vervoeren van de ingeöogste vruchten in kleine vaartuigen;

het geen aan den arbeid der wyd afgelegene Plantagiën byzonder veel

gemak aanbrengt. Het is tot dit einde genoeg, een gracht te hebben van

twintig voeten breedte, die midden door de Plantagie, en vervolgens

naar de diepte heen loopt. Deeze gracht of vaart moet geene gemeenschap

met de anderen hebben; dewyl men zorgen moet, dat daar in altyd water

genoeg is, om te kunnen varen, en wel zoet water, gelyk reeds hier

vooren is opgemerkt; ook is het noodig aldaar eene kleine sluis te

leggen, die haar uitloop heeft naar de groote sluis, welke voor de

geheele droogmaking dient, ten einde deeze vaart te kunnen ontledigen,

wanneer 'er te veel water in is, of zelfs geheel en al uit te droogen,

indien dit noodig is, om dezelve schoon te maken, en diergelyken.

Ten aanzien van eene Suiker-Plantagie, is het met de verdeeling deezer

grachten en vaarten geheel anders gelegen: twee zaaken komen aldaar

in aanschouw; voor eerst, het maken van plaatsen, die geschikt zyn om

het water te bewaren, het welk noodig is, om den molen aan den gang

te houden; ten tweeden, om de middelen te verschaffen, tot het rondöm

vaaren van elk stuk lands, met suiker-riet beplant, en het zelve alzoo

naar den molen te kunnen vervoeren. Men moet die vaarten dus veel

grooter en meerder in getal maken. Zie hier de verdeeling van dezelven.

Men begint met omringende grachten te maken, die in grootte aan

de uitgestrektheid van het stuk lands geëvenredigd zyn; men maakt

vervolgens verdeelingen van 100 tot 100 toisen, maar niet verder,

dan tot omtrent in het midden van de diepte der Plantagie. De groote

gegraven vaart van zoet water, waar van wy gesproken hebben, en die

van de gebouwen der Plantagie af, tot in derzelver diepte, boven den

agter-dyk, doorloopt, moet eene veel grootere breedte hebben omtrent de

plaats, waar de molen staat, dan in een afgelegener gedeelte. Op deeze

vaart loopen andere kleinere vaarten of grachten uit, die geplaatst

worden tusschen de afdeelingen heen, zoo dat zy met de uitwaterende

vaarten geene gemeenschap hebben, maar alleenlyk met de middelste,

waar van zy als zoo veele armen uitmaken.

Behalven deeze groote vaart, en derzelver rechthoekige armen, zyn de

verdeelingen van den grond omringd door eene uitwaterende vaart of

gracht, en hebben nog eene andere in het midden van derzelver breedte,

alle welke met de omringende en uit waterende vaarten gemeenschap

hebben: en op die wyze geschiedt de droogmaking van den grond, als

mede van de afgedeelde stukken, die men, even gelyk in alle andere

droogmakingen, van 30 tot 30 voeten maakt.

Wanneer eene Suiker-Plantagie, of andere, van eene zekere

uitgestrektheid is, zyn 'er twee uitwaterende sluizen noodig, één

aan elk uitëinde van het voorste gedeelte des lands: men legt ook

nog een derde aan den ingang van de groote vaart, dienende tot een

bewaarplaats van water, om, wanneer men wil, het water in alle de

grachten te kunnen laten inloopen: en deeze sluis zet men open,

wanneer het buiten-water te hoog is.

DERDE BRIEF.

Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige

levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten

en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke

inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der

Hollandsche Volkplantingen in Guiana.

Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond,

het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken

van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde

daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen

aldaar te vestigen. Ik zal voorönderstellen, dat het koffy-boomen zyn,

welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp

van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen

aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits

'er de behoorlyke zorge toe aanwendende.

Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden

gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen

aangenomen, om bananen-boomen te planten, eer men koffy-boomen plant,

zelfs op eene Plantagie, die men begint aan te leggen: in dit geval

zal men het kunnen doen zes maanden, of een jaargetyde daar na. Maar

ten aanzien van Planters, die reeds Plantagiën hebben, en dezelven

uitleggen, is men volstrektelyk van gedachten, dat zy ten minsten

twaalf maanden moeten wagten, dat is, dat zy, hun land met dyken

omringd hebbende, geduurende de groote droogte van het ééne jaar,

hunne koffy-boomen eerst behoeven te planten in het regen-saisoen,

na het saisoen van droogte in het volgende jaar. Maar een Planter,

die eerst begint, en meer haast heeft om genot te trekken, kan

reeds planten in den regen van April of Mey van het jaar, volgende

op het saisoen van de groote droogte, waar in men verönderstelt,

dat hy zyne omheining gemaakt heeft: indien hy zulks gedaan had

geduurende de kleine droogte van February of Maart, zoude hy kunnen

planten in de maand December daar aanvolgende, mits hy zig in dien

tusschen-tyd onledig houde, om uit zyn toegemaakt land zoo veel hout

en struiken van pynboomen, of latanus-boomen van het kleine zoort uit

te haalen, als hem maar eenigzints mogelyk is, ten einde hem in staat

te stellen, om het land zoo veel doenlyk gelyk te maken, alvorens de

koffy-boomen te planten. De andere Planters, wien men aanraadt, om,

zoo zy kunnen, een jaar te wagten, moeten denzelfden arbeid verrigten;

maar zy zullen dit met veel meer gemak doen, vermits veele van deeze

planten na verloop van twaalf maanden verrot zyn, die het nog niet

zyn na verloop van zes maanden.

Indien men de voorzorge niet gebruikte, om den grond schoon en gelyk

te maken, zouden de koffy-boomen ongelyk groeijen, en zeer veel te

lyden hebben van de houtluizen en andere insecten, die zig in het

verrotte hout en struiken nestelen en voortteelen; en wanneer deeze

insecten zig eenmaal ergens geplaatst hebben, worden zy, om zoo te

spreken, onuitroeibaar.

Eene andere reden, waarom men van begrip is dadelyk geene koffy-boomen

te planten, bestaat hier in, dat de grond door de droogmaking veel

inzakt, en wanneer men al te schielyk boomen op denzelven plant,

deeze zeer onderworpen zyn om neder te hangen, of op den grond te

leggen, het geen niet alleen een zeer leelyk gezigt, en eene groote

moeielykheid in het uitwieden van het onkruid maakt, maar ook naderhand

in het vrucht dragen nadeelig is; want een boom, die op den grond ligt,

of over een anderen heen hangt, kan nooit zoo veel vruchten dragen,

als een boom, die recht over einde staat, en de vrye doorspeling van

de lucht aan alle kanten geniet.

Men kan, wel is waar, dit ongemak gedeeltelyk verhelpen, door op deeze

nieuwe gronden meer in de diepte te planten; maar nimmer zal de boom

eene zoo fraaije spitse gedaante aanneemen, dan wanneer men met het

planten wagt, tot dat de grond een weinig is ingezakt, vermits het

geheele gedeelte, het welk in den grond is, zyne zytakken verliest,

die zig nooit weder herstellen.

De Planter intusschen, die, na verloop van zes maanden na de

droogmaking, begint te planten, zal altyd wel doen, met deeze voorzorge

niet te verwaarloozen; want het gemelde ongemak is veel minder, dan

dat men de boomen ziet aan den grond leggen, of schuins nederhangen.

Uitgenomen op een zeer klein getal Plantagiën, alwaar men eenige

stukken met koffyboomen heeft beginnen te beplanten, op den afstand

van tien of twaalf voeten, heeft men de algemeene gewoonte aangenomen,

om dezelven op geen grooter afstand dan van negen voeten, en zelfs

aan de westzyde, alleenlyk van agt voeten, te beplanten, om dat de

koffy-boomen aldaar over 't algemeen kleiner vallen.

Zonder deeze gewoonte te willen beöordeelen, ben ik van gevoelen,

dat men de koffy-boomen op alle goede rivier-gronden kan planten op

tien voeten afstand, en dat men geen kwaad doet met dezelven op ryker

gronden, tien of twaalf voeten van elkander te plaatsen, vermits

ontwyffelbaar de invloed van de lucht, niet alleen tot den groei,

maar ook tot den bloei van alle vruchtboomen, zeer dienstig is.

Men heeft in 't algemeen in Demerary eenen zeer wezentlyken misslag

begaan, door de koffy-boomen op negen voeten afstand te planten:

men heeft de landen beginnen te verdeelen in zoo veele vierkante

vakken van die maat, in het midden van welken men een boom plantte;

voorts om de vier boomen eene kleine gracht of doorsnyding van twee

of twee en een half voeten gravende, waar door veröorzaakt wierd,

dat in plaats dat de afstand van den voet des booms aan den kant

van elke kleine doorsnyding de helft bedroeg van den doorgaanden

afstand van eiken boom, dit niet meer beliep dan drie of drie en een

half voeten, het geen, na verloop van eenige jaaren, op nog minder

uitkwam; want het is onmogelyk, dat by elke zuivering der vuiligheden,

de kleine doorsnyding zig niet eenige lynen verwydere, het welk, na

verloop van een zeker getal jaaren, dezelven op eene gelyke breedte

brengt. Uit dien hoofde hangen in Demerary de meeste reijen boomen,

langs de kleine doorsnydingen, allen over dezelven heen, het geen

niet alleen ten aanzien van de onderste takken aan den afloop van

het water een groot nadeel toebrengt, maar zelfs in het plukken van

de koffy hinderlyk is, ten minsten zulks zeer moeijelyk maakt. Ik

ben van een geheel tegen over gesteld gevoelen: in navolging van

de beste Surinaamsche Planters, maak ik niet alleen buiten-bedden,

welker afstand van den boom langs de kleine doorsnydingen de helft

bedraagt van den afstand tusschen den eenen en den anderen boom; maar

ik voege daar ook by een voet meer, om in de verbreeding van deeze

kleine grachten by het zuiveren der vuiligheden te voorzien. Wanneer

men nu de boomen op den afstand van negen voeten plant, zal de afstand

tusschen den boom en de doorsnyding bedragen vyf en een half voeten,

en indien ik dezelven plant op tien voeten, zal die afstand beloopen

zes voeten.

Een groot voorstander van de vermeenigvuldiging der uitwateringen

zynde, verkies ik liefst, om drie reijen boomen op een buiten-bed te

plaatsen; zoo dat, wanneer ik plant op den afstand van tien voeten,

zy elk van twee-en-dertig voeten worden.

Men zal wel doen, om by elk regen-saisoen eene enterye aan te leggen;

te meer, om dat, wanneer men zelf koffy-boomen heeft, die vruchten

dragen, dit een zeer geringe arbeid is, en men alleenlyk het oogenblik

van eenen regentyd, die niet missen kan, 'er toe verkiezen moet: want

gelyk de loten onder de boomen wortel schieten, en gevolgelyk gewoon

zyn, om geheel en al in de schaduwe te staan, zoo sterven zy, indien

ze, alvorens gevat te hebben, aan de hette der zon zyn bloot gesteld.

Dit is de reden, waarom ik liefst verkies dezelven in de

bananen-plantery te plaatsen, als welke, hoe breed ze ook zyn moge,

altyd het jong plantsoen overdekt: en op die wyze gewent het zelve

langzamerhand aan de lucht en aan de zon.

Ik stem toe, dat deeze loten misschien zoo sterk niet zyn, dan die van

eene enterye in de opene lucht; maar echter heb ik een stuk beplant,

zonder bananen-boomen, geheel en al bestaande uit jonge planten van

koffy-boomen, die van onder de bananen-boomen genomen waren, en 'er

zyn 'er van de zes-en-dertig honderd geen twaalf geweest, die niet

gevat hebben. Voor 't overige verkies ik liefst de koffy-boomen te

planten op zulke stukken lands, op welken bananen-boomen groeien. De

redenen zyn, voor eerst, om dat de bananen-boomen door hunne schaduwe

de jonge koffy-boomen beschutten, dezelven voor de winden beveiligen,

en meer regt over einde doen groeien; eene zaak, die voor de fraayheid

en nuttigheid van den boom van een wezentlyk belang is. Ik weet wel,

dat men staken of stutten voor dezelven plaatsen kan; maar dit is een

werk, het welk niet altyd aan zyn oogmerk voldoet, behalven dat dit

hout aan de houtluizen of carias tot eene verblyfplaats verstrekt,

byzonderlyk de stammen van pynboomen, die tot het maken van zulke

staken de geschiktste zyn. In de tweede plaats zyn de zwaare winden,

die in zekere maanden van het jaar waaijen, zeer nadeelig voor

den groei der boomen, zoo als ik ondervonden heb op twee stukken,

welken ik beplant had, na de bananen-boomen te hebben weggenomen. Het

gedeelte van deeze boomen, het welk voor de winden beschut was, is

grooter geworden, dan het andere gedeelte, het welk meerder aan de

winden was bloot gesteld, en zulks in het zelfde tyds-bestek.

Veele lieden meenen, dat een stuk land, in de opene vlakte beplant,

sterker boomen voortbrengt; maar daar op valt dadelyk te antwoorden,

dat men de bananen-boomen niet zeer digt by elkander moet planten, en

dat men ze aldaar niet te lang laten moet, noch eensklaps wegnemen,

maar dat men beginnen moet met dezelven in het tweede jaar te

besnoeijen, en daar mede zoodanig voort te gaan, dat zy op het einde

van het derde jaar allen zyn weggenomen.

Wanneer men eene kwekerye aanlegt, is het aller noodzakelykst acht

te geven, geene jonge planten uit te kiezen, dan onder de fraaiste

boomen. Dit is een zaak, die in 't byzonder in deeze Volkplanting

verwaarloosd is geworden, waar uit voortkoomt, dat 'er Plantagiën zyn,

op welken de helft der boomen uit een slecht zoort van koffy-boomen

bestaat, die zeer weinige vrugten dragen: men noemt dezelven, zoo ik

meen, verkeerdelyk, de mannetjes: zy onderscheiden zig door hunne

dikke en platte bladeren, door het groot getal van zwartachtige en

doode takken, door te veel weeldrig hout of onvruchtbaare takken,

eindelyk door den aart van het hout, het welk veel ligter breekt,

dan van een goed zoort koffy-boomen.

Men plant doorgaans nieuwe koffy-boomen, waar van de enterye twaalf

maanden te vooren is aangelegd: ik vermeene, dat deeze meest geschikt

zyn, om in de plaats te komen van doode boomen, of welken men om

andere redenen verruilt, op stukken, die reeds van vorige tyden

beplant geweest zyn: ik geloove zelfs, dat het niet dienstig is,

om ze jonger te nemen.

Maar op stukken, die men op nieuw beplant, geef ik de voorkeur aan

koffy-boomen, die uit eene kweekerye van zes maanden gehaald zyn:

zie hier myne redenen: in 't algemeen, hoe jonger een boom geplant

wordt, hoe gemakkelyker hy wederom wortel vat: de kenners van den

landbouw in Europa geven 'er altyd den voorrang aan; maar deeze reden

wordt nog veel klemmender in die Land, alwaar de boomen, en ook de

koffy-boomen een regten wortel hebben, die spilsgewyze groeit, en zig

by de verplanting krommende, maakt, dat de boom kwynt, en nooit welig

doorgroeit; waar uit al verder voortspruit, dat hy by het opwassen op

zyde hangt, of op den grond legt. Terwyl de boom jong is, beurt de

spilswyze wortel, zoo lang niet zynde, zig zelven uit den grond op,

en verplant zig als uit de natuur. Daarënboven, een jonge boom, die

minder door de winden getysterd wordt, vat veel eer wortel. Eindelyk,

de kleine boomen zyn zeer onderworpen om zig in de kweekeryen in

de lengte uit te breiden, en men heeft moeite om 'er een genoegzaam

getal te vinden, die dit niet gedaan hebben. Men behoort dus steeds

een wakend oog te houden op de arbeiders, die de verplanting doen, op

dat zy 'er geene verkiezen, dan die van een goed zoort afkomen: maar,

mits men ze jong plant, doet 'er de gedaante niet veel toe: elke boom,

op zig zelf staande, groeit van zelf spitsgewyze naar de hoogte.

Ik erken, dat, wanneer men zulke kleine boomen plant, men den arbeid

der eerste maanden vergroot: niet alleen moet men alle maanden wieden,

maar ook leggen deeze kleine boomen voor veele insecten bloot; de

krekels eeten 'er den kop af; de mieren maken daar aan gaarne hunne

nesten vast, die, zoo men geene zorge draagt om ze weg te nemen,

den groei beletten; maar het is slechts de moeite van een oogenblik,

die door andere voordeelen rykelyk vergoed wordt.

Behalven het uitwieden van het onkruid, en het zuiver houden van de

insecten, moet men ook nog zorge dragen, om de weelderige loten uit

de boomen weg te nemen, en te maken, dat zy in het midden met niet

meer dan een enkelen stam opgroeijen. Een of twee bekwame Negers

hebben spoedig een stuk gezuiverd.

Men moet ten deezen opzigte insgelyks in 't oog houden, om, by de

eerste regenbuien, alle de boomen, die niet gevat hebben, of sterven,

te verplanten.

Men doet ook wel, met dadelyk na het uitbloeijen, geduurende de twee

eerste jaren, de zaadkorrels der jonge boomen weg te nemen: vooreerst

brengen zy grootendeels niet dan koffy voort, waar in geen kragt is;

en ik ben overtuigd, dat dit te vroeg dragen van vrucht voor de groei

en kragt van den boom schadelyk is, zoo als men natuurlyk begrypen

kan, en ons door de ondervinding bevestigd wordt, als welke ons

toont, dat onder de jonge koffy-boomen de zwakste en meest kwynende

boomen het sterkst bloeijen; ten bewyze, dat dit overyld bloeijen de

uitwerking is van eene verzwakte natuur, welke men verbeteren moet

door het vernielen van de vrucht, zoo dra ze gevormd is. In Europa

doet men zulks van gelyken, en met een goeden uitslag, ten aanzien

van de persiken- en abrikosen-boomen.

Wanneer de boom tot de hoogte van vyf of vyf en een half voeten is

opgewassen, moet men deszelfs groei tegengaan, door den middelsten stam

af te knotten. Indien het een sterke boom is, zullen zyne zy-takken

hem nog een voet hooger doen groeijen; en dit is al de hoogte, die hy

hebben moet, op dat de Negers allen in staat zyn 'er de vruchten af

te plukken; want hoe fraai de groote boomen ook voor het uiterlyk oog

schynen mogen, de nuttigheid moet op alle Plantagiën de hoofdzaak zyn.

Behalven de aanhoudende uitwiedingen, moet men de boomen geduurig

ontdoen van de weelderige loten, welken men moet afbreken, en niet

afsnyden. Men moet ook het jong plantsoen uittrekken, het welk rondöm,

en onder de schaduwe van den boom te voorschyn koomt. Dit werk, om

wel verrigt te worden, vordert Negers van de mannelyke kunne, van

eene hooge gestalte, en daarenboven oplettend en oordeelkundig. Het

is ook best, om dit, tweemalen s'jaars, opzettelyk te laten doen. Het

gunstigst tydstip voor deezen arbeid is het regen-saisoen, om dat

men tevens de koffy-boomen, die niet gevat hebben, kan doen verplanten.

Men moet zig wagten, om dit werk te verrigten, of 'er mede ophouden,

in den bloei-tyd; want door het schudden der boomen, zoude men de

bloemen en jonge vruchten doen afvallen. Men zal ook wel doen, zoo

mogelyk, het wieden na te laten geduurende den oogst, hoe zeer dit

echter minder schadelyk is: men moet de Negers leeren en gewennen,

om de koffy niet groen te plukken; dezelve heeft geene waarde, en

dewyl zy kleine zwarte boonen voortbrengt, heeft men des te meerder

moeite met dezelven uit te zoeken.

Uitgenomen op modderige landen, zoo alst die gelegen zyn aan de beide

zee-kusten, alwaar de kanten naar de laagte loopen, en uit een zeer

zacht slyk bestaan, oordeelt men het schoonmaken der grachten niet

noodzakelyk; het is genoeg, dat men ze van de plantgewassen zuivert:

zy behouden haare diepte naar evenredigheid van den afloop van het

water, die door middel van dezelven bewerkt wordt. By de sluizen

vermeerdert haare diepte; en dezelve vermindert weder naar mate van

de afgelegenheid. Dit schoonmaken zoude een vergeefsche arbeid zyn,

want de modder, welke men 'er uithaalt, wordt spoedig door ander slyk

weder aangevuld.

Ik heb, by den aanvang van deezen brief, gezegd, dat het planten

der bananen-boomen dat der koffy-boomen moet voor af gaan op

vrugtbaare landen, die men tot eene Koffy-Plantagie voornemens is

aan te leggen. Men moet de bananen-boomen plaatsen op den afstand

van zes-en-dertig, ten minsten van zeven-en-twintig voeten, indien

men de koffy-boomen op den afftand van negen voeten planten wil;

want deeze bananen-boomen moeten zoo geschikt zyn, dat men 'er één

vindt telkens na vier koffy-boomen. Een Planter, die begint, en

natuurlyker wyze gedrongen is, om levensmiddelen te moeten hebben,

zal twee reijen bananen-boomen kunnen plaatsen op elk klein bed,

en dus vier op een dubbeld bed. Een Planter, die alleenlyk eene

Plantagie, reeds gedeeltelyk aangelegd, uitbreidt, en van wien men

verönderstelt, dat hy van levensmiddelen voorzien is, zal slechts ééne

reije bananen-boomen op elk klein bed planten: op een dubbeld bed,

en in het midden, kan hy 'er eene derde reije byvoegen, welke men

echter zal moeten wegnemen by het verdeelen der dubbelde of enkelde

bedden. De moeite, om eene reije bananen-boomen te planten, heeft

weinig te beduiden. Bovendien gebeurt het nu en dan, dat het niet

ge/chikt is het stuk grond na verloop van een jaar met koffy-boomen te

beplanten: indien zulks derhalven wordt uitgesteld, trekt men altoos

de vruchten van deeze bananen-boomen, waar van de schaduw tevens nuttig

is, om de zoutächtige deelen in deeze nieuwe gronden te behouden.

Behalven de bananen-boomen, plant men ook Indisch koorn, het welk op

deeze nieuwe landen ongemeen wel voortkoomt: men kan deeze beplanting

verscheiden malen herhalen, zelfs na dat de koffy-boomen reeds geplant

zyn, mits men als dan in 't oog houde dezelven op reijen te planten,

op den afstand van vyf of zes voeten, om met des te meer gemak de

uitwiedingen te kunnen doen, welken men niet moet verzuimen, van den

beginne af aan, om het onkruid dadelyk uit te roeijen.

De ignames kunnen ook gedeeltelyk op de nieuwe stukken grond geplant

worden, maar niet, wanneer men 'er reeds koffy-boomen op geplaatst

heeft. Deeze plant, die tot de voortkruipende behoort, of een zoort

van heestergewas is, zoude voor den groei der boomen schadelyk zyn.

De Manioc en de Camanioc groeijen ook welig op deeze landen; maar men

moet ze alleenlyk planten op de laanen en aan de kanten der groote

grachten, dewyl de Manioc het land op eene byzondere wyze uitmergelt.

De aardappelen moet men nimmer binnen den omtrek den bedyking planten;

en men moet de Negers ten sterksten beletten om zulks te doen: het

is eene pest, waar van men zeer veel moeite heeft zig te ontdoen,

en men moet zig eeniglyk bepalen tot het planten derzelve op de

omringende dyken.

Van het bewerken der Koffy.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 5 / 14 段