Alle de Officiers met den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die geduurende

den overtocht het bevel moest voeren, het middagmaal gehouden hebbende,

noodigde my de Colonel FOURGEOUD, om hem, tot des anderen daags

morgens, naar de stad te vergezellen; maar daar myn hart van droefheid

overstelpt was, bedankte ik hem voor zyn vriendelyk aanbod. Hy wenschte

ons dus eene voorspoedige reize, en keerde te rug in het gezelschap

van zynen Adjudant, den Capitain VAN GUERICK. By zyn vertrek, wierd hy

door negen kanon schoten, en een driewerf geroep van hoezee, begroet.

Den 29sten Maart, des middernachts, het sein gegeven zynde, gingen

onze beide schepen onder zeyl, en zakten af tot aan het Fort Amsterdam,

alwaar zy het anker wierpen.

De heeren GORDON en GOURLAY, welken ik tot voogden over mynen

zoon benoemd had, by den Colonel SEYBOURG, aan boord van het schip

Hollandia, ter maaltyd onthaald zynde, gaven zy my een bezoek; en

verzogten my met hun naar Paramaribo te rug te keeren.

Het was my onmogelyk om voor de tweede maal te wederstaan aan een

aanzoek, om twee voorwerpen, die aan myn hart zoo dierbaar waren,

nog eens te zien. Ik stemde 'er in toe, en (moet ik het zeggen,)

ik vond JOANNA, die in myne tegenwoordigheid zoo veel kragt en moed

betoond had, in tranen wegsmeltende, en voor de overmaat van haare

moedeloosheid zwigtende. Zy had geen voedzel, hoe genaamd, gebruikt,

geen enkel oogenblik had zy de zoetigheden van den slaap gesmaakt,

noch een enkel woord uitgebracht, noch zelfs de plaats verlaten,

waar ik haar des morgens van den 27sten agterliet.

Dewyl de schepen eerst na twee dagen zee moesten kiezen, was ik

zeer gereed om dezelven met deeze gevoelige vrouw door te brengen,

het geen haar moed scheen in te boezemen: maar, helaas! wy betaalden

deeze al te korte oogenblikken zeer duur. Naauwlyks waren 'er eenige

uuren verloopen, toen een matroos my eensklaps kwam kennis geven, dat

een sloep my wagte, om oogenblikkelyk aan boord te gaan. De moeder

van JOANNA nam het kind, dat in de armen van haare dochter rustte,

terwyl de laatstgemelde door Mevrouw GODEFROY ondersteund wierd. Haare

broeders en zusters omringden my, den Hemel deszelfs bystand voor my

afsmeekende, en eene treurige klaagstem opheffende. De ongelukkige

JOANNA, een meisje van slechts negentien jaaren oud, de oogen op my

gevestigd houdende, drukte my met kragt de hand. Zy kon niet spreeken,

haar geest was verwilderd; maar de tyd was daar! Ik drukte haar met

drift tegen mynen boezem, en nam één van haare hairlokken. Insgelyks

niet in staat zynde, een enkel woord uit te brengen, bad ik inwendig

den Hemel, om voor moeder en kind te waken. Toen sloot JOANNA haare

lieflyke oogen; de bleekheid van den dood overdekte haar aangezicht;

haar hoofd hing naar de laagte, en zy viel beweegloos in de armen van

haare aangenomene moeder. Ik verzamelde hier al myn moed en kragt

by elkander, en verliet de beide voorwerpen van myne levendigste

teederheid, die echter door de zorgen, omtrent haar aangewend, aan

niets gebrek hadden.

Daar de sloep my steeds wagtte, ging ik, door myne vrienden vergezeld,

mynen ouden Colonel bezoeken; en hem de hand drukkende, vergaf ik hem

uit den grond myns harten, en stilzwygende, alle de verdrietelykheden,

die hy my veroorzaakt had. Hy was aangedaan; en ongetwyffeld, dit

was hy my verschuldigd! Ik wenschte hem allen voorspoed, en zakte

eindelyk de Rivier Surinaamen af.

De schepen lagen dwars over kaap Braam, toen ik aankwam. De

Vice-Gouverneur TEXIER kwam ons aldaar goeden dag zeggen. Hy gebruikte

het middagmaal aan boord van één der twee schepen, en keerde te rug in

het gezelschap van de Capitains SMALL en FREDERIK, die my uitgeleide

gedaan hadden. By zyn vertrek wierd hy door zeven kanonschoten begroet.

DERTIGSTE HOOFTSTUK.

De Schepen ligten het anker, en steken in zee.--Overtocht.--Het

Zee-paard.--De Noordkaper.--De Haay.--De Zuiger-visch.--Het

Lootsmanmetje.--De Bruinvisch.--Zee-orkaan.--De Schepen landen in Texel

aan.--Ontscheping van het krygsvolk in de stad 's Hertogenbosch.--Dood

van den Colonel FOURGEOUD.--Besluit.

Toen alles tot ons vertrek volkomen in gereedheid was, ligtten de

beide schepen, onder bevel van den Lieutenant Colonel DES BORGNES het

anker den 1sten April 1777, en zeilden noord- en noord-west-waarts

met een oosten wind, en stevige koelte. Ik bleef als een beweegloos

en stom mensch, in het agterste gedeelte van het schip, tot dat

de wolken ons beletteden land te bekennen. Na verloop van eenige

dagen echter gelukte het my, om myne droefgeestigheid te boven te

komen, en eene zoort van rust te erlangen. Daar toe was ongemeen

dienende deeze troostende aanmerking, dat, zoo ik my zelven in zeker

opzigt al benadeeld had, ik ten minsten drie belangryke persoonen,

JOANNA, JHONNY en QUACO namelyk, aan de slavernye onttrokken had,

welke weldaad zy overwaardig waren. Ik was voor deeze goede daad in

voorraad betaald, door de zorgvuldigheden van twee derzelven, waar

aan ik het behoud van myn leven te danken had, terwyl een onëindig

getal menschen rondöm my onder den last der onheilen bezweken was,

anderen hunne gezondheid, verscheiden het gebruik van hunne ledematen,

zommigen hun geheugen, en eindelyk één of twee hun verstand verloren

hadden; zynde allen de slagtöffers van eenen gestrengen dienst in

eene noodlottige luchtstreek.

Van byna twaalf honderd wel gestelde mannen, die tot deezen tocht

waren ingescheept, kwamen 'er ten hoogsten honderd in hun vaderland

te rug, en onder deezen bevonden 'er zig misschien geen twintig in

volmaakte gezondheid. Men telde onder de dooden, (de Heelmeesters

daar onder gerekend) tusschen de twintig en dertig Officiers, onder

wier getal drie Colonels en één Major waren. Dusdanig moet de uitslag

zyn van de gelukkigste krygsönderneemingen in een brandend heet land,

het welk met moerassen en bosschen doorsneden is.

Den 14den April gingen wy over den zonne keerkring. Vervolgens de koers

veranderd hebbende, zeilden wy noord-noord-oost, en noord-oost-waarts,

en wy wierden door stilte overvallen. Ik moet niet vergeten te

verhaalen, dat wy ons op vyftien graden noorder breedte bevindende,

de streeken overzeilden, welken men doorgaans de groene Zee noemt,

uit hoofde van de meenigvuldige zeegewassen, waar van zommige,

tusschen twee bladen papier uitgespreid en in de zon gedroogd zynde,

zeer merkwaardig zyn, en boomen, heesters, bloemen vertoonen, en

stukjens van verschillende zoorten van visschen en schelpen in zig

bevatten. Wy zagen ook het Zeepaard, een visch, die agt of negen

voeten lang is: deszelfs lichaam is met kraakbeenige ringen gevormd;

zyn bek is langwerpig, en zyn kop met een zoort van hoofdhair bedekt.

Den 19den, hield de stilte nog aan. Dagelyks wierden wy vermaakt door

het gezicht van eene groote meenigte vliegende visschen, zee-braassems

en noord-kapers, die voor en agter de schepen zwommen en speelden,

als of zy ons gezelschap hadden willen houden. De Noordkaper is een

visch, tot het geslacht der groote visschen behoorende; hy gelykt een

weinig naar den Dolphyn, maar is veel grooter, en koomt in gedaante

na by den walvisch; zomtyds is hy twintig voeten lang, en ongemeen

vet. Zyn kakenbeen is van veertig zeer scherpe tanden voorzien. Hy

werpt het water uit, door twee neusgaten, en zyne kleur is bruin. Wy

zagen ook van tyd tot tyd, op eenigen afstand van de schepen, en

boven de golven, groote Noordkapers.

Dit zoort van visch gelykt zeer veel naar de Groenlandsche walvisschen,

maar hy is veel gevaarlyker, om dat zyne gestalte kleinder, en zy

ne gedaante platter is. Zyn kakebeen is ook korter, en van kleine

knevels voorzien. Zyne huid is witter, en zeldzaam geeft hy meer dan

dertig vaten traan.

Den 22sten, begon het weder op eene zichtbaare manier te veranderen. Al

het scheepsvolk wierd door verkoudheid, en verscheiden door de koorts

aangetast.

Den 30sten, was een ieder zoo zwak, dat de dienst met moeite volvoerd

wierd. Wy hadden reeds twee matroosen en één soldaat verloren. Den

Lieutenant Colonel DES BORGNES zig zeer ongesteld bevindende, wierd

my het bevel voor eenige dagen opgedragen. Dewyl het andere schip toen

voor uit, en byna buiten het gezicht was, liet ik een vlag opheisschen,

en een kanon-schoot doen, om het zelve te rug te roepen, gelyk ook

oogenblikkelyk gebeurde.

Toen dien zelfden dag een groote Haay aan één der zyden van ons schip

zwom, deeden wy vergeefsche pogingen om hem te vangen. De zee bevat

verscheide zoorten van visschen van den zelfden naam, maar deeze is

de verschrikkelykste van allen, uit hoofde van zyne grootte, want

hy weegt zomtyds duizend ponden, en is zestien of agttien voeten

lang. Zyn kop is platachtig en breed, en men bespeurt in den zelven

twee gaten, door welken het dier het water laat uitspringen. In alle

rigtingen draait hy zyne vooruitstekende oogen, die zyne vraatzucht

te kennen geven. Beneden dezelve is zyn bek geplaatst, die zoo breed

is, dat hy een grooten hond in eens zou inslokken. Zyne tanden,

in vyf of zes reijen gerangschikt, zyn zoo snydend en sterk, dat hy

den arm of het been van een mensch met het grootste gemak afbyt; het

geen verscheidene maalen gebeurd is. Zyn geheele lyf gelykt volmaakt

naar dat der zee-honden, welken men in de Noordelyke Zeeën vindt. Hy

heeft vyf vinnen, één op den rug, twee aan de borst, en twee aan

den buik. Zyn staart is vorkswyze uitgesneden; maar het bovenste

gedeelte is het langste. Van zyne ruwe en slymige huid maakt men

segryn leder. De Haay zwemt altyd met kragt, maar hy is genoodzaakt

zig op zyde te wenden, om zynen buit te pakken, het geen oorzaak is,

dat hem verscheiden visschen ontsnappen.

De Zuiger-visch is een visch, welken men dikwerf vindt, aan de kiel

der schepen en aan de groote zee-monsters, zoo als 'er aanstonds

één derzelven door my beschreven is, vast zittende. Hy heeft eene

gryze kleur, en is twintig duimen lang. Zyn lyf, van eene ronde

gedaante, wordt naar de staart dunner. Zyne vinnen zyn geplaatst,

als die van de Haay. Zyn zuiger maakt hem het meest merkwaardig. Het

is eene kraakbeenige zelfstandigheid, van eene eironde gedaante,

door zydelingsche balken van gelyken aart, die snydend en getand zyn,

afgedeeld. Dit gedeelte van den Zuiger-visch hecht zig met zulk eene

kragt aan alles vast, dat, wanneer hy vast zit, de zwaarste golven

niet in staat zyn hem los te maken.

Het is gepast alhier melding te maken van het Lootsmannetje. Hy is

klein, en verrykt met de schitterendste kleuren, namelyk bruin met

een gouden weerschyn. Men zegt, dat hy niet alleen gevoed wordt door

het overschot der visschen, welke de Haay laat vallen, maar zelfs

dat hy by deszelfs buit de wacht houdt, en van die byzonderheid zynen

naam ontleent.

Van het begin van den overtocht af, ging ik bloots hoofds en

barrevoets; maar den eersten May, juist een maand na ons vertrek,

was ik genoodzaakt my te kleeden, even als myne mede-reisgenooten.

De Heer NEYSSENS, één van onze Heelmeesters, een Crabbo-dago, een

zeer verslindend dier, aan boord hebbende, geraakte dezelve omtrent

te deezer tyd uit zyn hok los, en doodde in éénen nacht alle de

aapen, alle de papegaijen, en al het gevogelte, dat zig op het verdek

bevond. De lieden, die de wacht hadden, redden zig met weg te loopen,

maar één van hun had de onverschrokkenheid, om hem met een stuk hout

dood te slaan.

Den 3den, hadden wy, op veertig graden zuid-ooster breedte, zwaare

regenbuiën, en stormwind. Dezelve vermeerderde dagelyks tot den 9den,

wanneer hy gematigder begon te worden.

Wy zagen toen Bruinvisschen. De visch van deezen naam heeft vyf of zes

voeten lengte, is zeer vet, zonder schubben, en van eene zwartachtig

blaauwe kleur. Zyne oogen zyn klein; hy heeft puntige tanden, en een

zeer langwerpigen bek. Hy heeft drie vinnen, één op den rug, en twee

aan de borst. Zyn staart is horizontaal, op dat hy boven het water

zoude kunnen springen; het geen hy meenigmalen doet, het zy om te

snuiven of adem te halen, en men kan dan van zeer verre af het gesnuif

van zyne neusgaten hooren. Het vleesch van den Bruinvisch is rood,

en gelykt veel naar zommige zoorten van varkensvleesch.

Den 13den, geduurende een vierde gedeelte van den morgen, en op een

korten afstand van de Azorische Eilanden, wierden wy door eenen

geweldigen storm uit het oosten beloopen. Eene bramsteng dreef

kort daar na op zyde van ons schip voorby. Wy vernamen vervolgens,

dat dezelve van een Hollandsch Oost-Indisch Compagnies Schip was,

het welk in zyne te rug komst in de nabyheid van het Eiland Tercéra

met man en muis verging.

Den 14den, was de wind zoo geweldig, dat wy onze groote bramsteng

verlooren, en het groote zeil scheurde. Het andere schip verloor te

gelyker tyd zyn boeg-spriet.

Den 15den, kregen wy een orkaan, vergezeld van blixem, donder, en

zeer zwaren regen. Dezelve duurde den geheelen nacht, en nam onze

mast weg. Het volk was uittermaten vermoeid, en naauwlyks bestand

tot den arbeid, die 'er noodig was, om eene schipbreuk voor te komen.

De twee volgende dagen behielden wy tegenwind, met een reef in het

fokkezeil. De golven klommen bergs hoogte, en sloegen aanhoudend over

het schip heen. Nacht en dag moesten wy pompende blyven. Kort daar

na deeden wy de gewoone groete aan het Hollandsch Fregat de Alarm,

het welk ons zulks wederkeerig bewees.

Den storm eindelyk ophoudende, peilden wy negen vademen water. Maar

de wind eensklaps noord-oost-waarts draaijende, dreeven wy den mond

van het Kanaal in, tot des morgens van den 21sten, wanneer, ten half

twee uuren, het andere schip een schot deed, om ons te berigten,

dat de vuurbaak der Sorlings Eilanden in het gezicht was; en des

morgens ten vier uuren kwam 'er een loots aan boord.

Op de hoogte van Douvres eene stilte van agten-veertig uuren gekregen

hebbende, zagen wy eerst den 27sten de Hollandsche kust. Dien

zelfden dag kogten wy beste visch, ons door eene Scheveningsche pink

aangebragt, en wy onthaalden 'er al het volk op, schoon nimmer een

schip beter van voorraad voorzien was.

Ons geduurende den nacht van de wal afhoudende, kregen wy eindelyk

Kykduin en den Helder in 't gezicht. Den 28sten, des morgens ten drie

uuren, wierpen de beide schepen het anker op de rheede van Texel,

na negen kanon-schoten gedaan te hebben.

Den 30sten, in de Zuiderzee het kleine Eiland Urk voorby gezeild zynde,

geraakten de beide schepen, het voor den wind hebbende, van zelf op

het Pampus, eene zeer groote zandbank, met water overdekt, niet verre

van Amsterdam afgelegen, en aan deeze Stad tot een natuurlyke wal ter

beschutting tegen alle buitenlandsche vyanden dienende. Alle schepen

moeten daar over heen gaan, of tusschen beiden door geleid worden;

en dit laatste middel verkozen wy.

Eenige Noorweegsche schepen kwamen te gelyker tyd met ons aan. Allen,

die zig op dezelven bevonden, zaten in hun hembd op het dek, en waren

nat van het zweeten, terwyl wy in mantels gedoken waren, en gevoerde

mutsen op het hoofd hadden, om ons tegen de koude te beveiligen.

De stad Amsterdam zond thans eene groote meenigte ververschingen aan

boord, dezelven aan de verlossers eener Volkplanting aanbiedende, by

welke zy een zoo merkelyk belang had. Het volk van onze beide schepen,

op 't punt zynde van hunne nabestaanden en vrienden weder te zien,

was opgenomen van vreugde. Men moet echter daar van een enkelen

uitzonderen, die thans van zyn geluk verstoken was.

Den 3den Juny, ging ons volk over op zes kleine vaartuigen, waar mede

zy naar 's Hertogenbosch werden overgevoerd, eene Stad, alwaar men

deeze krygsbende voltallig maakte, en dezelve in bezetting hield. By

het ontschepen begroetten ons onze schepen met negen kanon-schoten, en

wy beantwoordden hen met een driewerf geroep van Hoezée. Wy namen den

weg over Saardam, Haarlem en ter Goude, welke plaatsen ik zeer fraay

vond: ik bewonderde vooral de geschilderde glazen van de hoofdkerk

der laatstgemelde stad. Maar de inwooners, die, door nieuwsgierigheid

gedreven, ons in meenigte omringden, scheenen my toe een wonderlyk

slag van menschelyke wezens te zyn, met lappen bekleed, en door de

gaven der natuur zeer weinig begunstigd. Het was tegen dit volk niet

alleen, dat ik zulk een vooröordeel had; alle de Europeanen hadden

by my een gelyk voorkomen, wanneer ik ze vergeleek by de geenen, die

ik verlaten had, by die menschen, wier oogen vol vuur zyn, de tanden

zoo wit als ivoor, en de huid steeds van eene ongemeene zindelykheid

glinsterende. Intusschen dagt ik niet aan het buitengewoon voorkomen,

het welk wy maakten, wier taanige kleur door de zon verbrand was,

en die, door zoo veele ellenden en vermoeijenissen uitgeput, niets

meer dan wandelende geraamten waren. Ik zoude 'er kunnen byvoegen,

dat wy zoo lang in de bosschen geleefd hebbende, geen ander voorkomen

dan van wilde menschen hadden; en ik zelf in 't byzonder verdiende

en verkreeg dien bynaam.

In dien staat kwam ik in de Stad s' Hertogenbosch aan, alwaar onze

laatste ontscheping den 9den plaats had.

Op deeze wyze eindigde één der buitengewoonste tochten, die immer

door Europeesch krygsvolk waren ondernomen, en waar by men slechts

op eenen verren afstand den oorlog tegen de Americaansche Zeeroovers

in vergelyking stellen kan.

By onze aankomst ontmoetten wy den Lieutenant Colonel WESTERLOO, die,

in 't jaar 1773, in Europa ziek was te rug gekomen, en thans zelfs

nog niet geheel en al hersteld was. Hy noodigde my, benevens eenigen

van myne medgezellen, ter maaltyd aan eene gemeene tafel, voor een

gedeelte bestaande uit Hollandsche Officiers, die zig beklaagden, dat

het eeten naar den rook smaakte, en dat het rundvleesch slecht was;

terwyl wy, ellendige gelukzoekers, verklaarden nooit beter maaltyd

gedaan te hebben. Maar te gelyker tyd, dat deeze heeren de lekkerheid

der aardbeziën, kerssen, en andere Europeesche vruchten roemden,

vonden wy dezelven verre beneden de advocaaten-peer, de water-meloen,

de ananas, enz. die ons zoo langen tyd tot eene lekkernye gestrekt

hadden.--Alles wat in deeze weereld goed of kwaad is, is enkel

betrekkelyk, of door vergelyking.

Des anderen daags wierden wy op de parade aan den Generaal HARDENBROEK

voorgesteld.

Den 18den, ontfingen wy onze agterstallige soldye, en men stond

aan allen, wien zulks geliefde, toe, om tot hun voorig Regiment te

rug te keeren. Zommige soldaten hadden vier of vyf honderd guldens;

maar zy bragten ze zeer schielyk door.

Het was toen het oogenblik ter uitvoering van myn reeds voorlang

genomen besluit, om namelyk het Regiment van den Colonel FOURGEOUD

te verlaten. Dadelyk na onze ontscheping, verzogt ik myn ontslag aan

den Prins van Oranje, die my het zelve den 20sten verleende, en my

aanstelde tot Capitain onder het Regiment van den Generaal STUART,

het welk ik in September 1772 verlaten had.

Ik veranderde dus van monteering, en kleede mynen getrouwen QUACO

in eene deftige livrey. Ik onthaalde vervolgens myne reisgenooten,

met welken ik zoo veele gevaaren had doorgestaan, ter maaltyd,

en wy scheidden van elkander met wederzydsche betuigingen van eene

eeuwigduurende vriendschap. Des anderen daags morgens vertrok ik,

om my by myne oude krygsbende te vervoegen, alwaar ik met de blyken

van de levendigste vreugde ontfangen wierd.

Den 25sten Augustus, begaf ik my naar het Lusthuis het Loo, in

Gelderland, alwaar ik door mynen Colonel wierd voorgesteld aan zyne

Doorluchtige Hoogheid, den Stadhouder, die my op de vriendelykste

wyze ontfing, en my spoedig bevorderde tot den rang van Majoor in

het Regiment, waar toe ik thans behoorde.

Ik had ook het genoegen, om eenigen van myne oude medgezellen,

en zelfs die geenen, die zonder het te weten, met hunnen ondergang

bedreigd waren geworden, op eene eerlyke wyze beloond te zien.

Den 24sten September, ging ik naar den Hage, alwaar ik zyne

Doorluchtige Hoogheid verzogt, om agttien beeldtenissen van wasch,

door my zelven gegoten, als een blyk van erkentelykheid te willen

aanneemen, gelyk hy ook de goedheid had te doen. Zy verbeeldden

Indianen van Guiana, en Negers uit de Volkplanting van Surinamen,

met onderscheiden arbeid bezig zynde op een Eiland, het welk op een

glas van krystal geplaatst was.

Ik gaf ook mynen Neger QUACO (met zyne toestemming,) aan de Gravin

VAN ROSENDAAL, aan wier geslacht ik groote verpligtingen had,

tot een geschenk. Deeze vrouw, verrukt over het goed gedrag en de

eerlykheid van deezen jongen Neger, liet hem met myne goedkeuring naar

mynen naam doopen, met belofte, dat zy altyd voor hem zoude zorgen,

en hem voordeelen doen genieten, welken ik niet in staat was hem

te beschikken.

Omtrent op het einde van de maand October, boden de Bewindhebberen

der Compagnie van de Berbices my den post aan van Vice-Gouverneur

deezer Volkplanting, in de nabyheid van die van Surinamen gelegen. Ik

begaf my dus naar Amsterdam, om te vernemen, welke hunne voorslagen

waren. Zy bepaalden my eene zeer zwaare bezolding, en beloofden

my groote voordeelen; maar ik hield aan op de belofte, om aan den

tegenwoordigen Gouverneur by deszelfs eerder afsterven te zullen

opvolgen, als mede op eene behoorlyke jaarwedde, by myne te rug komst,

na een bepaald getal van jaaren. Deeze heeren beweerden dit verzoek

niet te kunnen toestaan, en dienvolgende bedankte ik hun voor hun

aanbod. Ik oordeelde het voorzichtiger te zyn myne gezondheid in Europa

te herstellen, dan andermaal in de gezengde luchtstreek te gaan kwynen,

zonder hoop om, in myn vaderland te rug komende, myne dagen in stilte

te kunnen eindigen. Intusschen kreeg ik spoedig myne kragten wederom,

en was zoo welvarende, als ik immer geweest was. Onder honderd van

myne medgezellen was 'er ter naauwer nood een enkele, die op zulk

een geluk roemen konde.

De Colonel FOURGEOUD zelf had weinig genot van zyn fortuin. Eenigen tyd

na zyne te rug komst in Holland, wierd hy in zyn bed dood gevonden. Hy

wierd met alle krygsëer in den Hage begraven.

Zyn gezworen vyand, de Gouverneur der Volkplanting Surinamen,

overleefde hem niet lang. Zyne plaats wierd door den Colonel TEXIER met

eere vervuld, aan wien de waardige heer WICHERS naderhand opvolgde. [4]

Den Duitschen Keizer de grenssteden van Holland in 't jaar

1782. hebbende ingenomen, was het Regiment van den Generaal STUART

het laatste, het welk de stad Namur ontruimde, alwaar het Keizerlyk

krygsvolk dien zelfden dag, dat hy 'er uittrok, binnen rukte. Kort

daar na wierd de Schotsche Brigade, waar van de soldaten uit

lieden van allerleije natiën bestonden, door de Staaten van Holland,

genaturaliseerd, dat is, tot drie Hollandsche Regimenten gevormd, ter

gelegenheid van den oorlog met Groot-Britanniën, die ons, de meeste

voornaame Officiers en my zelven, noodzaakte om ons afscheid te nemen,

als tegen onzen Koning en ons Land niet begeerende te dienen.

De Prins van Orange gaf my, by het verleenen van myn afscheid, den rang

van Lieutenant-Colonel. Toen wy allen in Engeland waren te rug gekomen,

nam zyne Brittannische Majesteit, uit hoofde van onze getrouwheid,

ons onder zyne bescherming. Den 18den Juny, wierden elf van de onzen,

onder wier getal ik het geluk had te behooren, te Saint James door

den Generaal CONWAY aan den Koning voorgesteld, en hadden de eer om

de hand van zyne Majesteit te kussen.

Den 27sten van dezelfde maand, wierd ons allen, door het Huis der

Gemeente in het Engelsch Parlement, eene halve soldye toegestaan,

volgens den rang, dien elk van ons bekleedde op het oogenblik, dat

hy uit het Regiment ontslagen wierd. [5]

Het Publiek zal zig een denkbeeld van de oudheid en dapperheid der

Schotsche Brigade kunnen vormen, wanneer hy onderrigt wordt, dat

dezelve in 't jaar 1570. in Holland ontscheepte, onder den naam van

vrye Compagniën, onder het bevel van eenige Edellieden van den eersten

Schotschen adel; en dat zy naderhand altyd heeft uitgeblonken in de

oorlogen, door Holland gevoerd, zoodanig dat zy den eernaam verdiend

heeft van het bolwerk der Republiek.

Ik zal myn verhaal besluiten met nog eenmaal aan te stippen eenen

naam, dien men zoo dikmaals heeft aangetroffen, den naam van JOANNA,

van JOANNA, die niet meer in leven is!

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 2 / 14 段