[1] Een Latijnsch dichtstuk, getiteld: Ars Topiaria, beschrijft zeer
uitvoerig de kunst om ijpen heggen en bomen te kappen. W. S.
[2] Een Engelsch spotgedicht van Samuel Butler (1612–1680).
[3] Een beroemd Ridder van den fabelachtiger Koning Arthur. De
Schrijver ziet hier op de Ballade, „The marriage of sir Gawaine” in
Percy’s Relicks of Ancient English Poetry. Vert.
[4] In het 24ste vers dier Ballade zegt men van deze schoone:
Krom was haar neus, gewipt omhoog,
Zij had een scheeve kin;
Waar men het mondje zoeken zou,
Daar vond men, – wat? – haar oog?
[5] Deze anecdote is letterlijk waar, en David Wilson is geen verdicht
persoon. W. S.
[6] Van dit allerzeldzaamst boekje bezit de schrijver wezenlijk een
exemplaar. W. S.
[7] Een Engelsch Tooneeldichter (geb. 1585, gest. 1615). Vert.
[8] Zie „Merry Wives of Windsor,” 1ste tooneel.
[9] Onder de meest impopulaire belastingen van dien tijd in Engeland,
was die op het haarpoeder. M. P. L.
[10] Een wijze van hun afkeer voor de dynastie van Oranje uit te
drukken, welke de aanhangers der Stuarts bij alle gelegenheden zochten
aan den dag te leggen. M. P. L.
[11] De Jacobieten, of aanhangers van den in 1688 verdreven Koning
Jacob III, weigerden den eed aan de nieuwe Koningen, en zonderden zich
af, ten einde niet voor hen te bidden, tot aan den dood van den
laatsten Pretendent in 1788.
[12] Een Tijdschrift 1750–52 te Londen uitgegeven.
[13] Salmont – Zalm.
[14] Zie noot A aan het einde van het werk.
[15] Uit de Lyrische Gedichten van Wordsworth.
[16] In de oude Schotsche Ballade Queen Eleanor’s Confession, – de
biecht van Koningin Eleonore.
[17] Waarschijnlijk Dr. Hutton, de bekende Geoloog. – W. S.
[18] Zie noot B aan het einde van het werk.
[19] Deze befaamde geestenbezweerder moet zich in 1774 in het Rozendal,
bij Leipzig, hebben van kant gemaakt.
[20] Eene toovergodin, ook uit Spenser’s Fairy queen, – bij
Shakespeare; zie zijn Romeo en Juliet, I. 4. Tooneel.
[21] Dit verhaal is in de hoofdomstandigheden naar het Hoogduitsch,
hoewel ik op het oogenblik niet meer weet, in welke verzameling van
volkslegenden het oorspronkelijke te vinden is. W. S.
[22] De schaduw van hem, die de verschijning ziet, op eene wolk
weêrgekaatst, gelijk het beeld uit eene tooverlantaren op een wit
laken, schijnt aanleiding tot de schepping van dit spook te hebben
gegeven. W. S.
[23] De schrijver herinnert zich niet meer waar hij deze regels gelezen
heeft; misschien in de satiren van Bisschop Hall. W. S.
[24] Het schijnt eene gewetenszaak onder de lagere standen in
Schotland, om ooit te bekennen, dat een patiënt beter wordt. Het
meeste, dat zij ooit toegeven, is, dat „hij niet erger is!” W. S.
[25] Loda (Odin), onder de eerstgemelde benaming dikwijls voorkomende
in de gedichten van Fingal en Ossian.
[26] Beide oude tooverformulieren van dezelfde waarde; de letters van
Abraxas moeten het getal 365 bevatten, volgens Vos, 1802. Over
Abrakadabra zie Stephanus Woordenb. &c.
[27] Zie noot D. over de vischvrouwen.
[28] Merk – eene Schotsche munt van geringe waarde.
[29] Zie de overzetting uit het Gaëlisch bij mevr. Grant, on the
Highland superstitions (over de Hooglandsche bijgeloovigheden), vol.
II. p. 260.
[30] Zie noot F. de slag van Harlaw.
[31] Schrikkelijker nog, dan het verlies der leden, is de waanzin,
Die de namen niet kent der slaven, noch ’t gezicht des vriends,
Met wien hij den avond te voren den maaltijd hield, noch degenen,
Aan wie hij ’t leven gaf en welke hij opvoedde.
[32] Zie noot G. Elspeth’s dood
[33] Like-wake eene vrij algemeene gewoonte in Schotland. Vert.
[34] Shakespeare’s Macbeth.
[35] Zie noot H over het alarm van den inval.
[36] In de eerste vertaling waren deze noten weggelaten: ik heb ze hier
zeer verkort bijgevoegd, daar ze in het oorspronkelijke veel bevatten,
dat van geen belang kon wezen voor den Hollandschen lezer. M. P. L.