NOTEN VAN DEN SCHRIJVER [36]

Noot A. Het verhaal van Grizelda Oldbuck.

De legende, door Grizelda Oldbuck verhaald, is gedeeltelijk ontleend

aan de berichten van eene merkwaardige gebeurtenis, welke omstreeks

zeventig jaren geleden in het zuiden van Schotland voorviel, en volgens

welke zeker landeigenaar, in proces gewikkeld over het tiendrecht,

ongeveer op dezelfde wijze, als in den tekst beschreven is, een

gewichtig stuk terugvond, waarvan de beslissing van het rechtsgeding

afhing.

Opmerkelijk is het, dat deze gebeurtenis ongelukkige gevolgen had voor

den heer R–d, den persoon van wien sprake is; want hij gevoelde zich

sedert dien tijd zoodanig verplicht, om altijd op zijne droomen te

letten, dat zijne gezondheid en verstandelijke vermogens daardoor zeer

verzwakt werden.

Noot B. Over de wijze om met de bakkers af te rekenen.

Oudtijds gebruikte men daartoe een stokje, waarop men telkens eene

kleine insnijding maakte. Elke familie had een bijzonderen kerfstok, en

bij de rekenkamer in Engeland werden zekere rekeningen op dezelfde

wijze gehouden.

Noot C. De bezweringen van Dousterswivel.

Veel onzin van denzelfden aard als die, welke door den Hoogduitschen

alchymist aan den dag gebracht werd, is te vinden bij Reginald Scott,

in zijn werk Discovery of Witchcraft, 3de editie, Londen 1665.

Noot D. Over de vischrouwen.

In de visschersdorpen aan de Forth en de Tay, regeeren de vrouwen als

in den tekst beschreven staat. Bij gelegenheid, dat de kusten van

Schotland gedurende den laatsten oorlog met Frankrijk door de

verschijning van eenige vreemde schepen verontrust werden, scheepten

zich al de visschers onmiddellijk in aan boord van de kanonneersloepen,

om den veronderstelden vijand tegen te gaan. De schepen bleken aan de

Russen te behooren, en de schrik was onnoodig geweest; maar de

landlieden van Mid-Lothian waren zoo tevreden over den ijver door de

visschers aan den dag gelegd, dat zij hun een prachtigen zilveren

Punch-bowl vereerden. De vrouwen echter kwamen er tegen op, dat men

vergeten had haar eenige eer aan te doen voor de toestemming, welke zij

gegeven hadden, dat de mannen zich inschepen zouden, wat zonder hare

goedkeuring niet zou gebeurd zijn. Deze eisch werd als geldig beschouwd

en de dames ontvingen eene kostbare speld, om bij feestelijke

gelegenheden door de koningin-vischvrouw te worden gedragen. Er

heerscht ook eene strenge etikette onder deze zeenimfen, en men hoorde

eene ervarene dame er onder over eene jongere klagen, „dat het een arm,

onnoozel schepseltje was, dat nooit iets beters dan mossels te koop zou

bieden.”

Noot E. Gevangenzetting voor schulden.

Hoe vreemd het ook klinke, is toch de theorie van Oldbuck over het

gevangenzetten voor schulden juist die, welke bij het hoogste

gerechtshof in Schotland in eene zaak, welke op 5 Dec. 1828 behandeld

is, aangenomen werd.

Noot F. De slag bij Harlaw.

De groote slag bij Harlaw mag gezegd worden beslist te hebben, of het

Gaëlische of het Saksische ras in Schotland de overhand zou behouden.

De slag viel voor op 24 Julij 1411, tusschen Donald, Lord of the Isles,

en zijne Hooglandsche troepen, en den graaf van Mar aan het hoofd der

edellieden van Saksische en Normandische afkomst. Donald, die in de

Laaglanden ingevallen was, werd genoodzaakt zich terug te trekken, en

later zich aan den regent te onderwerpen.

Noot G. Over Elspeths dood.

Het sterven van een getrouwen knecht van den hertog van Roxburghe,

heeft den schrijver de laatste woorden van Elspeth ingegeven. De arme

man lag zieltogend aan eene leverkwaal, toen hij de bel hoorde, die hem

vroeger naar de kamer van den pas overleden hertog riep. „Ik kom, ik

kom!” stamelde hij, – en stierf.

Noot H. Schrik voor den inval der Franschen.

De omstandigheden van het valsch alarm, in den tekst beschreven, zijn

naar daadzaken geschetst. Op den 2den Febr. 1804 viel eene dergelijke

vergissing met een vuurbaak voor, en een gedeelte van het land werd in

rep en roer gebracht.

De oudheidkenner · 第 53 / 54 题