VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

Neen, zoo zij mij niet bemint, verlang ik haar niet;

Zal ik wegkwijnen, omdat zij weelderig bloeit?

Zuchten omdat zij lacht, – glimlacht tegen anderen?

Ik niet, bij den Hemel! Mijn rust is mij te waard,

Om die, gelijk de pluimen op haar hoofd,

Te laten verstoren door hare grillen.

Oud tooneelspel.

„Hector!” zeide zijn oom tegen kapitein M’Intyre op hunne wandeling,

huiswaarts, „ik betrap me somtijds op het vermoeden, dat gij, in één

opzicht, een dwaas zijt.”

„Als gij dit slechts in één opzicht gelooft, oom, ben ik zeker dat gij

mij genadiger behandelt, dan ik verwachtte of verdiende.”

„Ik meen in ééne bijzonderheid, par excellence,” hernam de

oudheidkenner; „ik verbeeld me soms, dat gij een oog hebt laten vallen

op Isabella Wardour.”

„Wel, oom!”

„Wel, nu! De drommel hale hem, de knaap antwoordt mij, alsof het de

verstandigste zaak ter wereld was, dat hij, een kapitein bij het leger

en anders niets, de dochter van een baronet zou willen trouwen!”

„Ik heb de verwaandheid te gelooven, oom, dat het freule Wardour niet

vernederen zou, wat de familie betreft.”

„De Hemel beware ons van op dit stuk te komen! – neen, neen, beiden

gelijk; beiden op den top van den berg van Heidenschen adeldom, en

gerechtigd om uit de hoogte neder te zien op elken roturier in

Schotland!”

„En in vermogen zijn wij ook tamelijk gelijk, daar wij geen van beiden

iets hebben,” vervolgde Hector. „Het is mogelijk dat ik dwaal; maar van

verwaandheid mag ik niet beschuldigd worden.”

„Daarin dan bestaat uwe dwaling, dewijl gij het zoo noemt,” antwoordde

zijn oom, „dat zij u niet hebben wil, Hector!”

„Inderdaad niet, oom?”

„Zeer zeker, Hector! en om het dubbel zeker te maken, moet ik u zeggen

dat zij iemand anders bemint. Zij begreep eens eenige woorden, die ik

haar zeide, verkeerd, en sedert heb ik den zin kunnen gissen, dien zij

er aan gaf. Op het oogenblik zelf kon ik mij geene reden geven van hare

ontroering en haar blozen; maar nu, mijn arme Hector, duidt het mij den

dood aan van uw wenschen en hopen. – Ik raad u dus, om den aftocht te

blazen en met al uwe strijdkrachten af te trekken; want de sterkte is

te goed bemand, dan dat gij die zoudt kunnen bestormen.”

„Ik ben niet in de noodzakelijkheid, oom, van een aftocht te blazen,”

zeide Hector, zich zeer recht houdende, en met eene soort van misnoegde

en beleedigde deftigheid voortstappende; „de man, die nooit voorwaarts

rukte, behoeft zich ook niet terug te trekken. Er zijn vrouwen genoeg

in Schotland van goede familie, behalve freule Wardour –”

„En van beteren smaak ook,” zeide zijn oom; „zonder twijfel zijn er

die, Hector; en, ofschoon ik niet anders zeggen kan dan dat zij eene

van de liefste en verstandigste meisjes is, die ik ooit gezien heb,

geloof ik echter, dat vele van hare verdiensten aan u zouden verspild

zijn. Eene in het oog vallende figuur, met twee bonte pluimen op het

hoofd, – de eene groen de andere blauw; die een rijkleed zou willen

dragen van de kleuren van het regiment, den éénen dag een rijtuig

mennen en den volgenden dag het regiment in oogenschouw nemen op den

grijzen, dampigen hit, welke de wagen trok, hoc erat in votis. – Dit

zijn de hoedanigheden, die u treffen zouden voornamelijk als zij

eenigen smaak in de natuurlijke historie had, en van eene phoca hield!”

„Het is wel hard, oom, dat ik bij elke gelegenheid dien verwenschten

zeehond naar mijne ooren moet krijgen; – maar ik geef er niet om, – en

ik zal niet treuren om Freule Wardour. Zij kan kiezen, wien zij wil, en

ik wensch haar alle mogelijk geluk!”

„Grootmoedig besloten, gij steun van Troje! Wel Hector! ik zag een

tooneel te gemoet; – uwe zuster zeide mij, dat gij op Isabella Wardour

wanhopig verliefd waart!”

„Oom! gij zoudt mij niet wanhopig verliefd willen zien op een meisje,

dat mij niet hebben wil?”

„Wel, neef!” zei de oudheidkenner ernstiger; „er is zeer veel gezond

verstand in hetgeen gij zegt; en ik zou voor twintig of vijf-en-twintig

jaren, heel wat gegeven hebben, om zoo te kunnen denken als gij nu

doet.”

„Een ieder, veronderstel ik, kan over dergelijke onderwerpen denken zoo

als hem goeddunkt,” antwoordde Hector.

„Niet volgens de leer der oude school,” zeide Oldbuck; „maar, zoo als

ik u te voren zeide, de hedendaagsche handelwijze schijnt in dit geval

de voorzichtigste, ofschoon, dunkt mij, niet juist de meest

belangwekkende. – Maar zeg mij nu uwe gedachten over het gerucht van

een inval. – Men wil nog steeds, dat zij komen?”

Hector, den spijt verkroppende, dien hij, uit vrees voor den spot van

zijn oom, zoo zorgvuldig mogelijk trachtte te verbergen, liet zich

gereedelijk in een gesprek in, dat de gedachten van den oudheidkenner

van Isabella Wardour en den zeehond afleidde. Dus bereikten zij

Monkbarns, en daar werd ook het teedere onderwerp vergeten bij het

verhaal, dat men aan de dames te doen had, van hetgeen er op het

kasteel was voorgevallen, en het tegenbericht, dat men moest aanhooren,

van hoe lang het vrouwvolkje gewacht had, eer zij, in de afwezigheid

van den oudheidkenner, het gewaagd hadden aan tafel te gaan.

Den volgenden morgen stond Oldbuck vroegtijdig op, en daar Caxon nog

niet verschenen was, begon hij innerlijk het gemis te voelen van het

nieuws en de loopende praatjes, waarvan de oude kapper een getrouwe

overbrenger was, en die hem door gewoonte even noodzakelijk geworden

waren als het snuifje, dat hij van tijd tot tijd nam, ofschoon hij

volhield, dat hij aan beide evenveel, en niet meer waarde dan ze

verdienden, toekende. Het onaangenaam gevoel der leêgte bij eene

dergelijke ontbering natuurlijk, werd verlicht door de verschijning van

Adam Ochiltree, die langs de geschorene iepenboomen en palmheggen

slenterde, als iemand, die geheel en al op Monkbarns te huis behoorde.

En zoo gemeenzaam was hij inderdaad in de laatste dagen geworden, dat

Juno zelfs hem niet aanblafte, maar zich vergenoegde met hem nauwkeurig

en waakzaam in het oog te houden. Onze oudheidkenner stapte in zijne

kamerjapon naar buiten en ontving en beantwoordde dadelijk zijn groet.

„Zij komen nu in goeden ernst, Monkbarns! – Ik kom van Fairport om u

dit nieuws te brengen, en ga dan weer terug. – De Search is op de ree,

en de Fransche vloot, zeggen ze, heeft jacht op haar gemaakt.”

„De Search?” zeide Oldbuck, zich een oogenblik bedenkende. „Zoo!”

„Ja, ja, kapitein Taffril’s brik, de Search.”

„Wat! is die verwant met Search N°. 2?” riep de oudheidkenner, zich den

naam op het deksel van de geheimzinnige kist vol zilver herinnerende.

De bedelaar hield, gelijk iemand die op eene snakerij betrapt wordt, de

pet voor het gezicht, maar kon zich niet weêrhouden van hartelijk te

lachen. „Gij zijt maar al te slim, Monkbarns! men behoeft u niet te

vertellen dat twee maal twee vier is. – Wie had kunnen denken, dat gij

dit en dat zoudt hebben kunnen rijmen? – Daar ben ik er nu ingeloopen!”

„Ik zie het alles,” zeide Oldbuck, „zoo duidelijk, als het randschrift

van een goed bewaard muntstuk! – De kist, waarin de zilveren staven

gevonden werden, behoorde aan de oorlogsbrik, en de schat aan mijn

feniks?” (Adam knikte van ja.) – „En werd daar begraven met het doel om

Sir Arthur uit zijne verlegenheid te redden?”

„Door mij,” zeide Adam, „en twee matrozen van de brik; – maar zij

wisten niet wat er in de kist zat, en zij dachten dat het eene kleine

smokkelpartij was waarbij de kapitein belang had. Ik waakte dag en

nacht, tot ik het in de rechte handen zag; en toen ik daarop dien

drommelschen landlooper naar het deksel zag staren, als een hond naar

de plaats waar het wild gelegen heeft, gaf mij, denk ik, de duivel in,

om hem ginds die poets te spelen. – Nu ziet gij dat, als ik iets meer

of minder aan den Baljuw Littlejohn gezegd had, de geheele historie zou

hebben moeten uitlekken; en dat zou den heer Lovel gespeten hebben, –

en daarom dacht ik, wil ik veel liever alles afwachten, wat er van

kome.”

„Ik moet zeggen dat zijne keuze van een vertrouweling goed, ofschoon

eenigszins vreemd was.”

„Ik kan van mij zelven verklaren, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar,

„dat ik de geschiktste man ben in het geheele land, om geld aan toe te

vertrouwen; want ik behoef het niet, en verlang het niet, en zou het

niet kunnen gebruiken als ik het had. Maar de jongen had niet veel

keus; want hij dacht dat hij het land voor altijd ging verlaten, (ik

hoop, dat hij zich vergist heeft,) en het was reeds nacht, toen wij,

door een vreemd toeval, de verlegenheid van Sir Arthur vernamen, en

Lovel moest met den dageraad aan boord zijn. Maar vijf nachten daarna

liep de brik weêr binnen, en ik ontmoette de boot volgens afspraak, en

wij begroeven den schat, waar gij hem gevonden hebt.”

„Het was een zeer romantisch en dwaas stuk!” hernam Oldbuck „Waarom mij

niet, of eenigen anderen vriend in zijn vertrouwen genomen?”

„Het bloed van uw zusters zoon lag op zijn geweten, en misschien zijn

dood; – hoe weinig tijd had hij om raad in te winnen? – of hoe kon hij

hem van u vragen – en door wien?”

„Gij hebt gelijk. – Maar hoe, als Dousterswivel u vóór geweest ware?”

„Er was weinig vrees, dat hij zonder Sir Arthur komen zou; – hij had

den vorigen nacht een geduchten schrik gehad, en zou de plaats nooit

meer genaderd zijn, zoo hij er niet toe was genoodzaakt. Hij wist zeer

goed dat, wat de eerste maal gevonden werd, door hemzelven daar

verstopt was, en hoe kon hij verwachten op dezelfde plaats iets meer te

vinden? Hij had het maar gedaan om Sir Arthur nog meer te plukken.”

„Maar hoe,” zeide Oldbuck, „zou Sir Arthur anders daarheen gekomen

zijn, als de goudzoeker hem er niet gebracht had?”

„O!” antwoordde Adam droogjes, „ik had eene historie omtrent Misticot,

die hem, of u, veertig mijlen ver zou gebracht hebben. Daarbij was het

te denken, dat hij zich de moeite zou geven, om de plaats te

onderzoeken, waar hij het geld gevonden had; – hij wist het fijne van

dat stukje niet. In ’t kort, daar het zilver in staven, Sir Arthur in

de uiterste verlegenheid was, en Lovel besloten had dat hij nooit de

hand zou kennen, die hem hielp, – want daar stond hij op, – konden wij

geen beter middel bedenken, om hem den schat in handen te spelen, hoe

wij er ook over tobden. En, als door eenig toeval Dousterswivel zijne

klauwen er aan geslagen had, zou ik dadelijk u of den Sheriff van de

geheele historie kennis hebben gegeven.”

„Wel, in weêrwil van al deze wijze voorzorgen, geloof ik, Adam, dat uw

plan beter gelukt is dan het verdiende. Maar hoe drommel kwam Lovel aan

zulk eene menigte zilveren staven?”

„Dat is juist, wat ik niet zeggen kan; – maar zij werden waarschijnlijk

met zijne goederen te Fairport aan boord gebracht, en wij deden ze in

eene der ammunitiekisten van de brik, om ze te verbergen en om ze

gemakkelijk te vervoeren.”

„Goede hemel!” zeide Oldbuck, zijne eerste kennismaking met Lovel

herdenkende, „en voor dezen jongen, die dus honderden te verspillen

heeft, moest ik de vertering van het veer betalen! Nooit meer betaal ik

de vertering voor iemand, wie het ook zij; – dat is uitgemaakt! – En

gij waart steeds in briefwisseling met Lovel, veronderstel ik?”

„Ik kreeg juist één stukje papier van hem, om te zeggen, dat er

gisteren een pakje te Tannonburgh zou zijn met brieven van groot

gewicht voor de familie van Knockwinnock; want zij vreesden het openen

der brieven te Fairport. – En dat was goed, want ik hoor dat jufvrouw

Mailsetter haar post kwijt raakt, omdat zij de zaken van anderen

bespiedt en hare eigene verwaarloost.”

„En wat verwacht gij nu, Adam, voor uwe hulp als raadsman en bode, als

wachter en vertrouweling in al deze bedrijven?”

„Wel, wat zou ik verwachten? – uitgezonderd dat al de heeren op de

begrafenis van den ouden bedelaar zullen komen; – en mogelijk wel,

Monkbarns, zult gij zelf mijn hoofd in het graf willen leggen, zoo als

gij dat deedt voor den armen Steven Mucklebackit. – Wat ik gedaan heb,

kostte mij geene moeite; ik was toch altijd op het pad. – O, maar ik

was toch blij, toen ik uit de gevangenis kwam; want, dacht ik bij mij

zelven, hoe zal het gaan, als die ongelukkige brief komt, terwijl ik

hier opgesloten zit als eene oester, en alles ten onderste boven gaat,

omdat zij hem niet krijgen; en dan dacht ik, moest ik mijn hart lucht

geven en er u van vertellen; maar dan weêr kon ik het niet goed doen,

zonder tegen het stellige bevel van den heer Lovel te handelen, en ik

rekende dat hij nog iemand te Edinburg zien moest, eer hij doen kon,

wat hij doen wilde voor Sir Arthur en zijne familie.”

„Wel, – en nu uw staatkundig nieuws, Adam? – De Franschen komen nog

altijd, – niet waar?”

„Ja, dat zegt men, mijnheer, en er zijn stellige bevelen gekomen voor

de krijgsmacht en de vrijwilligers om zich gereed te houden; en er moet

ook nog een dappere jonge officier komen, om onze verdedigingsmiddelen

op te nemen. – En ik zag de meid van den Baljuw zijne bandelieren en

leêren broek poetsen; – ik hielp haar een handje, want gij kunt wel

denken dat het haar niet te best afging, en zoo kreeg ik al het nieuws

voor mijne moeite.”

„En wat denkt gij er van, als oud soldaat?”

„Inderdaad, ik weet niet; – indien er zoo veel komen, als men zegt,

zullen wij de handen vol hebben. – Maar er zijn vele flinke jongens

onder de vrijwilligers; en ik moet niet veel zeggen van hen, die niet

zoo flink en vlug meer zijn, omdat ik zelf daaronder behoor. – Maar wij

zullen ons best doen.”

„Hoe, Adam! uw krijgsmansgeest ontwaakt weêr? Het oude vuur gloeit nog

in de asch! Ik zou niet gedacht hebben, Adam, dat gij veel hadt om voor

te vechten?”

„Ik niet veel om voor te vechten, mijnheer? – Kan ik dan niet voor het

land vechten, en voor de mooie beekjes, waar langs ik zoo dikwijls

slenter, en voor het vee der huismoeders, die mij mijn stuk brood

geven, en voor de kindertjes, die aan komen huppelen om met mij te

spelen, als ik in de buurt kom? – Ik ben des duivels, mijnheer!”

vervolgde hij, met groote hevigheid zijn staf grijpende, „als mijne

krachten ten minste even goed als mijn wil zijn, en ik voor eene goede

zaak strijd, als ik hun niet wat te doen geef!”

„Bravo, bravo, Adam! het vaderland is nog niet in het uiterste gevaar,

als de bedelaar even gereed is voor zijn stuk brood te vechten, als de

landeigenaar voor zijn grond!”

Hun gesprek kwam nu terug op de bijzonderheden van den nacht, dien de

bedelaar en Lovel in de bouwvallen van St. Ruth doorbrachten en waarvan

de beschrijving den oudheidkenner ten hoogste vermaakte.

„Ik zou eene guinje willen gegeven hebben,” zeide hij, „om dien

bedriegelijken landlooper in den doodsangst te zien, welken zijne

kwakzalverij soms bij anderen doet ontstaan, en hem beurtelings te zien

beven voor de woede van zijn patroon en voor de vrees van de

verschijning van een spook.”

„Werkelijk,” zei de bedelaar, „waren er oogenblikken voor hem om bang

te zijn; want gij zoudt gedacht hebben, dat de geest van Hel in ’t

Harnas Sir Arthur bezielde. – Maar wat zal er van dien landlooper

worden?”

„Ik heb heden morgen een brief ontvangen, waaruit ik verneem dat hij u

vrijspreekt van de beschuldigingen, die hij tegen u inbracht, en

aanbiedt om ontdekkingen te doen, die de vereffening van Sir Arthur’s

zaken veel gemakkelijker zullen maken, dan wij dachten. – Zoo schrijft

de Sheriff, en voegt er bij, dat hij iets van groot gewicht aan het

Gouvernement medegedeeld had, om welke reden men hem vrij zal laten

gaan, om den schurk in zijn eigen land te spelen.”

„En de fraaie werktuigen, en raderen, en de holen en gangen ginds te

Glenwithershins, wat zal daarvan worden?”

„Van hun knoeituig zullen, hoop ik, de werklieden, eer zij uiteen gaan,

een groot vuur stoken, even als een leger zijn geschut vernagelt, als

het een beleg moet opbreken. En wat de holen betreft, Adam, deze laat

ik als rattenvallen ten behoeve van den eersten wijzen man, die,

hetgeen hij heeft, verkiest te laten vallen om naar eene schaduw te

grijpen!”

„Wel, mijnheer! God beware ons! de werktuigen verbranden? Dat zou

groote verkwisting zijn. Zou het niet beter zijn dat gij, uit den

verkoop van den voorraad, een gedeelte van uwe honderd pond zaagt terug

te krijgen?” vervolgde hij op den toon van geveinsde deelneming.

„Geen duit!” riep de oudheidkenner gramstorig, terwijl hij zich van hem

afwendde en een paar schreden ver ging. Toen keerde hij terug, en half

glimlachende over zijne eigene lichtgeraaktheid, voegde hij er bij: „Ga

in huis, Adam, en volg mijn raad: spreek nooit tegen mij van de

mijnwerken, of tegen mijn neef Hector van eene Phoca, dat is van een

zeehond, zoo als gij dien noemt!”

„Ik moet nu naar Fairport terug gaan,” zei de bedelaar; „ik moet

hooren, wat men daar van den inval vertelt; – maar ik zal onthouden wat

gij mij gezegd hebt, en niet tegen u spreken van een zeehond, of tegen

den kapitein van de honderd pond, die gij aan Douster –”

„Verwenschte schelm! – ik verzocht u daar niet van te reppen tegen

mij!”

„Mijn lieve!” zeide Adam met gemaakte verwondering, „ik dacht dat er

niets was, dat u aanstoot kon geven in een vriendschappelijk gesprek,

dan alleen dat, wat betrekking had tot het Praetorium ginds, of tot het

driestuiversstuk, dat u de kramer voor eene oude munt verkocht?”

„Onzin! onzin!” zei de oudheidkenner, terwijl hij zich haastig van hem

afwendde en naar huis terugkeerde.

De bedelaar keek hem een oogenblik na, en betrad weder met een

schaterenden lach, als dien, welken een ekster of papegaai na het

volvoeren van eenigen streek laat hooren, den weg naar Fairport. De

gewoonte had hem eene soort van ongedurigheid gegeven, die zeer

vermeerderd werd door het vermaak, dat hij er in schepte, om nieuws te

verzamelen; en in korten tijd had hij de stad bereikt, die hij in den

morgenstond verlaten had, om geene andere hem bekende reden, dan juist

„om een praatje te maken met Monkbarns.”

De oudheidkenner · 第 49 / 54 题