DRIEËNVEERTIGSTE HOOFDSTUK

De fortuin, zegt ge, ontvliedt ons. – Zij draait slechts,

Gelijk de zeevogel om ’s vogelaars boot, –

Straks verloren in den mist, straks daarop

Rakende ’t witte zeil met lichte vleugels,

Trotseerende het schot. – De ondervinding waakt,

En houdt haar op het draaiend rad. –

Oud tooneelstuk.

De triomfkreet was in Hector’s oorlogzuchtigen toon niet licht te

onderscheiden van dien van den aanval. Maar toen hij de trap op kwam

stuiven met een pak in de hand, uitroepende: „Leve een oud soldaat!

hier komt Adam met een heelen zak vol goed nieuws!” werd het duidelijk,

dat de tegenwoordige oorzaak van het rumoer van aangenamen aard was.

Hij gaf den brief over aan Oldbuck, schudde Sir Arthur hartelijk de

hand, en wenschte Isabella Wardour geluk met al de hartelijkheid van

een Hooglander. De deurwaarder, die eene soort van natuurlijken schrik

voor kapitein M’Intyre had, voegde zich bij zijn gevangene, en sloeg

met bezorgdheid al de bewegingen van den krijgsman gade.

„Verbeeld u niet, ellendeling, dat ik mij met u bemoeien zal!” riep

deze „daar is eene guinje voor den schrik, dien ik u aangejaagd heb; en

hier komt een oud soldaat van het 42ste regiment aan, die eene

geschikter partij voor u is, dan ik.”

De gerechtsbode (een van die honden, welke ook den vuilsten brok gretig

inslokken) ving de guinje op, die Hector hem toewierp, en wachtte

voorzichtig en bezorgd den keer af, welken de zaken nu namen. Alle

stemmen waren intusschen luide in vragen, waarop niemand zich haastte

te antwoorden.

„Wat is er te doen, kapitein M’Intyre?” vroeg Sir Arthur.

„Vraag het den ouden Adam,” antwoordde Hector; „ik weet alleen, dat

alles weder in orde is.”

„Wat beteekent dit, Adam?” vroeg Isabella Wardour aan den bedelaar.

„Gij moet het Monkbarns vragen, Freule; want hij heeft de brieven.

„Leve de Koning!” riep de oudheidkenner uit, na den inhoud van het

pakje eventjes ingezien te hebben, en hij smeet, in zijne

opgewondenheid zijn gevoel van betamelijkheid, zijne wijsbegeerte en

zijn phlegma vergetende, zijn opgetoomden hoed in de lucht, waaruit hij

niet terugkeerde, daar hij in den val aan een arm van een kandelaar

bleef hangen. Daarna, vroolijk rondziende, greep hij zijne pruik, die

waarschijnlijk den hoed zou zijn nagezonden, als Adam zijne hand niet

tegengehouden had, uitroepende: „Om ’s hemels wil! hij is gek geworden!

– Bedenk dat Caxon niet hier is, om de schade te herstellen!”

Iedereen drong er nu bij den oudheidkenner op aan, om de oorzaak te

weten van zulk een schielijken overgang, toen hij, eenigszins beschaamd

over zijne verrukking, kortaf, gelijk een vos op het geblaf der

jachthonden, rechtsomkeert maakte en de trap, twee treden tegelijk

opklimmende, naar het bovenste bordes week, waar hij zich omkeerde, en

de verwonderde toehoorders aldus aansprak:

„Mijne vrienden! favete linguis! – Om u bericht te geven, moet ik

volgens de regels der logica, het eerst zelf gekregen hebben en dus zal

ik mij, met uw verlof, in de boekenkamer begeven, om deze papieren te

onderzoeken. – Sir Arthur en Freule Wardour zullen de goedheid hebben

van in de zaal te gaan. – Mijnheer Sweepclean, secede paulisper! of, in

uwe eigene taal: vergun ons een uitstel van vijf minuten. – Hector,

trek af met uwe macht, en laat uwe krijgstrompet elders weêrgalmen. –

En, eindelijk, zijt allen goedsmoeds tot ik terugkom, wat instanter zal

zijn.”

De inhoud van het pakje was inderdaad zoo verrassend, dat men den

oudheidkenner zoowel zijne verrukking als zijne begeerte vergeven mag,

om de mededeeling van alles uit te stellen tot hij het zelf behoorlijk

nagegaan en begrepen had.

In het couvert was een brief, gericht aan den Heer Jonathan Oldbuck,

van Monkbarns, luidende als volgt:

„Waarde Heer! – Aan u, als aan een beproefden en waardigen vriend van

mijn vader, waag ik het mij te wenden, daar ik door dienstzaken, welke

geen uitstel lijden, niet van hier kan. Gij moet thans bekend zijn met

den ongelukkigen toestand van onze zaken; en gij zult, dat weet ik

zeker, met genoegen vernemen, dat ik mij gelukkig en zeer onverwacht in

de gelegenheid gesteld zie, om alles te verhelpen. Ik verneem dat Sir

Arthur strenge maatregelen te duchten heeft, welke lieden, die vroeger

zijne zaakgelastigden geweest zijn, tegen hem genomen hebben; en, op

den raad van een zeer geachten zaakwaarnemer hier, heb ik mij voorzien

van inliggend schrijven, hetwelk ik vertrouw, de procedures staken zal,

tot alle schuldvorderingen wettelijk zullen onderzocht en tot de

wezenlijke waarde teruggebracht zijn. Ik sluit hierbij tevens eenige

banknoten in, te zamen ter waarde van duizend pond sterling, om in de

dringendste vorderingen te voorzien, en verzoek u, als vriend, om ze

daartoe, naar uw oordeel, aan te wenden. Gij zult verwonderd zijn, dat

ik deze moeite van u verg, en het zou u natuurlijker schijnen, dat ik

aan mijn vader over zijne eigene zaken schreef. Maar ik heb tot nog toe

de zekerheid niet verkregen, dat zijne oogen geopend zijn omtrent het

karakter van zekeren persoon, voor wien ik weet, dat gij hem dikwijls

gewaarschuwd hebt, en wiens noodlottige invloed de oorzaak is van de

tegenwoordige rampen. En, daar ik de middelen om Sir Arthur te redden

verschuldigd ben aan de edelmoedigheid van een onvergelijkelijken

vriend, is het mijn plicht, om de zekerste maatregelen te nemen tot

bereiking van het oogmerk, waartoe ze bestemd zijn, en ik ben

overtuigd, dat uw doorzicht en uwe vriendschap daarvoor zorgen zullen.

Mijn vriend, die u hoog schat, wenscht u zijne eigene gevoelens in den

ingesloten brief te ontvouwen. Daar de staat van het postwezen te

Fairport algemeen bekend is, moet ik dezen op Tannonburgh richten; maar

de oude Ochiltree, dien bijzondere omstandigheden als

vertrouwenswaardig aanbevelen, heeft tijding ontvangen, wanneer dit

pakje op laatstgenoemde plaats zal aankomen, en zal voor de verdere,

spoedige terhandstelling zorgen. Ik verwacht weldra in de gelegenheid

te zijn, om mij in persoon te verontschuldigen wegens de moeite, die ik

u veroorzaak, en heb de eer te zijn uw zeer toegenegen dienaar en

vriend, – Reginald Gamelyn Wardour. Edinburg den 6den Augustus 179–.”

De oudheidkenner verbrak haastig het lak van het ingeslotene, welks

inhoud hem evenzeer verraste en verheugde. Zoodra hij zich eenigermate

hersteld had na het lezen van de onverwachte tijdingen, onderzocht hij

zorgvuldig de overige papieren, welke alle betrekking hadden op zaken;

– hij stak de banknoten en brieven in zijn zakboek, en schreef eene

korte kwitantie, om met omgaande post verzonden te worden, – want hij

was buitengemeen ordelijk in geldzaken, – en eindelijk, uitgerust met

al het gewicht zijner tijdingen, ging hij de trap af naar de zaal.

„Sweepclean!” zeide hij, toen hij in de kamer trad, tot dien ambtenaar,

die eerbiedig aan de deur stond, „Sweepclean! gij moet u uit het

kasteel Knockwinnock wegpakken met al uw gevolg, zak en pak! Ziet gij

dit papier, man?”

„Een bevel ter opschorting van verdere proceduren,” zei de deurwaarder

met een teleurgesteld gelaat; „ik dacht wel dat het moeielijk zou gaan,

het tot het uiterste te drijven met zulk een heer als Sir Arthur. Wel,

mijnheer, ik zal met mijn volk optrekken. – En wie zal mij betalen?”

„Zij, die u hierheen zonden,” antwoordde Oldbuck, „zoo als gij zeer wel

weet. – Maar zie hier eene andere expresse; dit is, dunkt mij, een dag

van verrassingen!”

Het was de heer Mailsetter op zijne merrie, van Fairport komende met

een brief voor Sir Arthur, en een anderen voor den deurwaarder, welke

beide brieven, zoo als hij zeide, dadelijk besteld moesten worden. De

deurwaarder opende den zijnen, met de aanmerking dat Greenhorn en

Grinderson goed waren voor zijne onkosten, en dat het een brief van hen

was, waarbij hij verzocht werd, om alle vervolgingen te staken.

Dienovereenkomstig verliet hij dadelijk het vertrek, en vertoefde niet

langer dan noodig was om zijn volk bijeen te brengen, waarna hij,

volgens de uitdrukking van Hector, die zijn vertrek gadesloeg, even als

een knorrende bulhond den aftocht van een afgewezen bedelaar waarneemt,

het bezette land ontruimde.

De brief aan Sir Arthur was van den heer Greenhorn, en eene

zeldzaamheid in zijne soort. Wij deelen dien mede, met de aanmerkingen

van den waardigen baronet.

„Mijnheer! – (o! ik heet niet meer waarde heer; men is de heeren

Greenhorn en Grinderson alleen waard, als men in tegenspoed is), –

Mijnheer, het spijt mij zeer te vernemen bij mijne terugkomst van

buiten, waarheen mij zaken van belang geroepen hadden,” (waarschijnlijk

de wedrennen) „dat mijn compagnon de lompheid heeft gehad, om, in mijne

afwezigheid, de belangen van de heeren Goldiebird te behartigen bij

voorkeur boven de uwe, en u op eene onbetamelijke wijze daarover te

schrijven. Ik verzoek u mijne nederigste verontschuldigingen aan te

nemen, zoo wel als die van den heer Grinderson” – (kom, ik zie dat hij

ook schrijven kan voor zich zelven en voor zijn compagnon), – „en ik

vertrouw, dat gij mij niet zult kunnen in staat achten te vergeten, of

met ondankbaarheid te vergelden de bescherming, welke mijne familie”

(zijne familie! die vervloekte kwast!) „altijd genoten heeft van die

van Knockwinnock. Het doet mij leed, uit een gesprek, hetwelk ik dezer

dagen met den heer Wardour had, te vernemen, dat hij zeer gebelgd is,

en ik moet bekennen, met eenigen schijn van recht. Maar ten einde, zoo

veel als in mijne macht is, het misverstand te herstellen, waarover hij

klaagt,” (een fraai misverstand, om zijn beschermer in de gevangenis te

stoppen!) „heb ik deze expresse afgezonden om alle procedures te

staken, en tegelijk mijne meest eerbiedige verontschuldigingen over te

brengen. Ik heb er alleen nog bij te voegen, dat de heer Grinderson van

gevoelen is, dat, als hij in uw vertrouwen hersteld is, hij

omstandigheden zou kunnen opgeven, die betrekking hebben op de

tegenwoordige schuldvordering van de heeren Goldiebird, en welke het

bedrag daarvan zeer verminderen zouden,” (zoo! zoo! bereid, om den

schurk van weerskanten te spelen!) „en dat er volstrekt geene haast bij

is, om het saldo der rekening met ons te sluiten; terwijl ik ben, zoo

wel voor den heer G. als voor mij zelven, Waarde Heer! (o ja, al

schrijvende is hij gemeenzaam geworden!), „uw zeer verplichte en zeer

nederige dienaar, Gilbert Greenhorn.

„Goed geschreven, mijnheer Gilbert Greenhorn!” zei Monkbarns. „Ik zie

nu dat het zijn nut heeft, twee zaakwaarnemers in ééne firma te hebben.

Hunne bewegingen gelijken op die van het mannetje en het vrouwtje in

een poppenhuisje. Als het fraai weêr is bij degenen, welke zij

bedienen, draait de heer compagnon vooruit om te kwispelstaarten als

een schoothondje; is het weêr slecht, fluks verschijnt de kwaadaardige

broeder, om aan te vallen als een bulhond. – Wel, ik dank den hemel,

dat mijn zaakwaarnemer steeds een opgetoomden hoed draagt, een huis in

de oude stad heeft, zoo bang voor een paard is als ik zelf ben,

Zaterdags in de kolfbaan gaat, Zondags naar de kerk, en, geen compagnon

hebbende, slechts zijne eigene dwaasheden behoeft goed te maken.”

„Men vindt toch eenige pennelikkers, die zeer brave kerels zijn,” zeide

Hector; „ik zou wel eens iemand willen hooren zeggen dat mijn neef,

Donald M’Intyre, de zevende zoon van Strathtudlem, (de andere zes zijn

in dienst), geen eerlijke kerel was!”

„Zonder twijfel, zonder twijfel, Hector! dat zijn al de M’Intyres; –

zij hebben dat bij ingeving, man! Maar, ik wilde zeggen dat in een

beroep, waarmede noodwendig een onbegrensd vertrouwen gepaard gaat, het

niet te verwonderen is, dat er dwazen zijn, die het in hunne

lichtzinnigheid verwaarloozen, en bedriegers, die het in hunne

slechtheid misbruiken. – Maar des te grooter eer is het voor degenen,

en ik wil er voor menigeen instaan, die rechtschapen eerlijkheid met

kunde vereenigen, en eerlijk en kordaat hunne zaken verrichten, terwijl

er zoo vele strikken en struikelbokken zijn voor mannen van een minder

vast karakter. Aan de eerstgemelden mogen hunne medeburgers veilig de

zorg en bescherming van hunne rechten toevertrouwen, en hun vaderland

de meer heilige bewaking van zijne wetten en voorrechten.”

„Zij zijn er nochtans het beste aan toe, die er het minste meê te doen

hebben,” zeide Ochiltree, die het hoofd om de deur gestoken had; want,

in de algemeene verwarring van het huisgezin waren de dienstboden,

gelijk de golven als de orkaan voorbij is, nog niet binnen de juiste

palen teruggekeerd, maar doorkruisten het huis in alle richtingen.

„Aha, getrouwe! zijt gij daar?” zei de oudheidkenner. „Sir Arthur!

vergun mij dat ik den geluksbode binnen brenge, ofschoon hij slechts

een lamme bode is. Gij spraakt van de roofvogels, die den slag van

verre ruiken; maar hier is eene blauwe duif, (wel van de oudste en

taaiste, dat beken ik), die het goede nieuws zes of zeven mijlen ver

bespeurde, in de kar daarheen vloog, en met den olijftak terugkeerde.”

„Gij hebt dat den armen Robert te danken, die mij reed, – de arme

schelm!” zei de bedelaar; „hij vreest, dat hij in ongenade bij de

Freule en Sir Arthur is.”

Men zag het berouwvol en verlegen gelaat van Robert over den schouder

van den bedelaar.

„In ongenade bij mij?” vroeg Sir Arthur; – „hoe zoo?” – want hij was

reeds lang vergeten, hoe hij zich over het geroosterd brood driftig

gemaakt had. – „O, nu herinner ik mij – Robert! ik had mij boos

gemaakt, en gij hadt ongelijk; – ga naar uw werk, en antwoord nooit een

meester, die in drift tot u spreekt.”

„En evenmin iemand anders,” zei de oudheidkenner; „want een zacht

antwoord verdrijft de gramschap.”

„En zeg uwe moeder, die zoo met de jicht geplaagd is, dat zij morgen

bij de huishoudster moet komen,” zeide Isabella Wardour, „en wij zullen

zien, wat er voor haar gedaan kan worden.”

„God zegene u,” zei de arme Robert, „en Sir Arthur, en den jongen heer,

en het huis van Knockwinnock in al zijne vertakkingen; – het is altijd

een goed huis voor de armen geweest, – al vele honderd jaren lang.”

„Daar!” zei de oudheidkenner tegen Sir Arthur, – „wij willen geen twist

maken; – maar daar ziet gij, hoe de dankbaarheid van de arme lieden

zich natuurlijk wendt tot de burgerlijke deugden van uw geslacht. Gij

hoort hen niet spreken van Roodhand of van Hel in het Harnas. Ik voor

mij, ik moet zeggen: Odi accipitrem qui semper vivit in armis, – laat

ons dus in vrede eten en drinken en vroolijk zijn, heer ridder!”

Weldra was er eene tafel in de zaal gedekt, waaraan het opgeruimd

gezelschap plaats nam, om eenige ververschingen te gebruiken. Op het

verzoek van Oldbuck werd aan Ochiltree vergund, bij het buffet te

zitten op een grooten, lederen stoel, gedeeltelijk achter een scherm

verborgen.

„Ik sta dit te gereeder toe,” zeide Sir Arthur, „omdat ik mij herinner,

dat in de dagen van mijn vader deze stoel toebehoorde aan Ailshie

Courlay, die, voor zoo ver ik weet, de laatste nar was, die bij eenige

aanzienlijke familie in Schotland gehouden werd.”

„Wel, Sir Arthur,” antwoordde de bedelaar, die nooit een oogenblik

aarzelde tusschen zijn vriend en zijne scherts, „menig verstandig man

zit nu op den stoel van een dwaas, en menige dwaas op dien van een

verstandig man, vooral in familiën van aanzien.”

Isabella Wardour, vreezende voor de uitwerking, welke dit gezegde

(hoezeer ook Ailshie Courlay of iederen anderen bevoorrechten nar

waardig) zou kunnen hebben op het zenuwgestel van haren vader, haastte

zich te vragen, of men geen bier en rundvleesch zou uitdeelen aan de

dienstboden en aan het volk, dat het nieuws om het kasteel verzameld

had.

„Zeker, mijn lieve!” zeide haar vader; „wanneer ging men ooit anders in

ons geslacht te werk, na het opheffen van een beleg?”

„Ja, een beleg, ondernomen door Saunders Sweepclean den deurwaarder, en

opgebroken door Adam Ochiltree den ouden bedelaar: – par nobile

fratrum!” zeide Oldbuck, „en wel geschikt voor elkander ten aanzien van

stand! Maar bekommer u daar niet om, Sir Arthur! – dat zijn van die

belegeringen en ontzetten, welke onze tijden medebrengen; – en onze

verlossing is daarom niet minder waard om gevierd te worden met een

glas van dezen voortreffelijken wijn. Op mijn woord, het is Bourgonje,

geloof ik.”

„Als er iets beters in den kelder ware,” zeide Isabella Wardour, „zou

het toch te gering zijn om u te onthalen, na uwe vriendelijke

bemoeiingen.”

„Zegt gij dat?” zei de oudheidkenner. – „Welaan dan, eene teug van

dankzegging zij u toegebracht, mijne schoone vijandin! en dat gij

weldra moogt belegerd worden op de wijze, die de dames het liefst

hebben, en dat gij de capitulatie moogt teekenen in de kapel van

Sint-Winnox.”

Isabella Wardour bloosde, Hector ook, en werd daarop bleek.

Sir Arthur antwoordde: „Mijne dochter is u zeer verplicht, Monkbarns,

maar, tenzij gij haar zelf wilt nemen, weet ik inderdaad niet, hoe de

dochter van een armen baronet een man zou vinden in deze baatzuchtige

tijden.”

„Ik, Sir Arthur? – Neen, ik niet; ik wil het voorrecht inroepen van het

tweegevecht, en, als zelf onbekwaam zijnde om mijne schoone tegenpartij

te ontmoeten, zal ik door een kampvechter verschijnen; – maar hierover

een andermaal! – Wat vindt gij in die nieuwspapieren, Hector, dat gij

er met uw hoofd op ligt, alsof uw neus bloedde?”

„Niets bijzonders, oom, dan dat ik, daar mijn arm nu bijna geheel

hersteld is, u binnen een dag of twee van mijn gezelschap denk te

verlossen en naar Edinburg te gaan. Ik zie, Majoor Neville is daar

aangekomen; – ik wilde hem gaarne ontmoeten.”

„De majoor – wie?”

„De majoor Neville, oom!”

„En wie drommel is de majoor Neville?”

„O, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „gij moet u herinneren zijn

naam dikwijls in de dagbladen gelezen te hebben; – een zeer uitmuntend

jong officier. Maar het is mij een genoegen te kunnen zeggen, dat de

heer M’Intyre Monkbarns niet behoeft te verlaten om hem te zien; want

mijn zoon schrijft mij dat de majoor met hem op Knockwinnock zal komen,

en ik behoef er niet bij te voegen, hoe gelukkig ik mij achten zal, de

heeren met elkander bekend te maken, bijaldien zij elkander niet reeds

kennen.”

„Neen, persoonlijk niet,” antwoordde Hector; „maar ik ben in de

gelegenheid geweest zeer veel van hem te hooren, en wij hebben vele

gemeenschappelijke vrienden, van wie uw zoon er één is. – Maar ik moet

gaan, want ik zie dat mijn oom mij begint moede te worden, en ik ben

bang, –”

„Dat gij zelf hem moede zult worden?” viel Oldbuck in. – „Ik vrees, dat

er geen bidden meer helpen zal. Maar gij hebt vergeten dat de heerlijke

twaalfde Augustus nadert, en dat gij afgesproken hebt, om één van Lord

Glenallans jachtopzieners, de hemel weet waar, te ontmoeten, ten einde

de vreedzame vogels te vervolgen.”

„Dat is zoo, dat is zoo, oom! – ik dacht er niet om,” riep de

lichtzinnige Hector. – „Maar gij zeidet daar juist iets, dat mij alles

deed vergeten.”

„En, met verlof van de heeren,” zei de oude Adam, zijn grijs hoofd van

achter het scherm uitstekende, waar hij zich volop met bier en koud

vleesch te goed gedaan had, – „en, met verlof van de heeren, ik kan u

iets vertellen, wat den kapitein bij ons zal houden, evenzeer als de

jacht. – Hebt gij niet gehoord dat de Franschen komen?”

„De Franschen, domkop?” antwoordde Oldbuck, „bah!”

„Ik heb den tijd niet gehad,” zeide Sir Arthur Wardour, „om mijne

officiëele briefwisseling deze week in te zien. – Inderdaad, over het

algemeen heb ik mij tot regel gemaakt, om die alleen ’s Woensdags te

lezen, uitgezonderd in dringende gevallen, want ik doe alles

stelselmatig; – maar met een enkelen blik dien ik in mijne brieven

sloeg, merkte ik, dat er eenige ongerustheid daaromtrent gekoesterd

werd.”

„Ongerustheid?” zeide Adam, – „zeker is er ongerustheid; want de

provoost heeft bevolen, dat de brandstoffen tot het alarmvuur op het

Halket-head, (die reeds voor een halfjaar hadden moeten gereed zijn,)

in aller ijl zouden worden klaar gemaakt, en de Raad heeft niemand

anders dan den ouden Caxon zelven benoemd om er het opzicht over te

hebben. Sommigen zeggen dat deze benoeming geschied is uit beleefdheid

jegens den Luitenant Taffril; want het is zeker, dat hij met Jenny

Caxon trouwen zal; – sommigen zeggen dat het is, om u en Monkbarns te

behagen, die zijne pruiken dragen, – en sommigen zeggen dat er een oud

historietje bij is van eene pruik, welke een van de raadsleden heeft

laten maken, en die nooit betaald is geworden. – Hoe het zij, daar zit

hij nu als een vogel op den top van de klip, om te krassen als er

slecht weêr opkomt.”

„Op mijn woord, een fraaie wachter!” zeide Monkbarns; „en wat zal er in

al dien tusschentijd van mijne pruik worden?”

„Ik heb Caxon dezelfde vraag gedaan,” antwoordde Ochiltree, „en hij

zeide mij, dat hij er elken morgen naar kon komen zien en ze eventjes

opmaken, vóórdat hij naar bed ging, want er is iemand anders, om over

dag de wacht te houden; en Caxon zegt, dat hij de pruik van mijnheer

even goed slapende als wakende opmaken kan.”

Dit nieuws gaf eene andere wending aan het gesprek, dat nu liep over de

nationale verdediging en den plicht om voor het land te strijden,

waarin men woont; dit duurde tot het tijd werd om te scheiden. De

oudheidkenner en zijn neef begonnen hunne wandeling huiswaarts, nadat

zij afscheid genomen hadden van de bewoners van Knockwinnock met de

hartelijkste uitdrukkingen van wederkeerige achting, en met de afspraak

om elkander zoodra mogelijk weêr te zien.

De oudheidkenner · 第 48 / 54 题