De fortuin, zegt ge, ontvliedt ons. – Zij draait slechts,
Gelijk de zeevogel om ’s vogelaars boot, –
Straks verloren in den mist, straks daarop
Rakende ’t witte zeil met lichte vleugels,
Trotseerende het schot. – De ondervinding waakt,
En houdt haar op het draaiend rad. –
Oud tooneelstuk.
De triomfkreet was in Hector’s oorlogzuchtigen toon niet licht te
onderscheiden van dien van den aanval. Maar toen hij de trap op kwam
stuiven met een pak in de hand, uitroepende: „Leve een oud soldaat!
hier komt Adam met een heelen zak vol goed nieuws!” werd het duidelijk,
dat de tegenwoordige oorzaak van het rumoer van aangenamen aard was.
Hij gaf den brief over aan Oldbuck, schudde Sir Arthur hartelijk de
hand, en wenschte Isabella Wardour geluk met al de hartelijkheid van
een Hooglander. De deurwaarder, die eene soort van natuurlijken schrik
voor kapitein M’Intyre had, voegde zich bij zijn gevangene, en sloeg
met bezorgdheid al de bewegingen van den krijgsman gade.
„Verbeeld u niet, ellendeling, dat ik mij met u bemoeien zal!” riep
deze „daar is eene guinje voor den schrik, dien ik u aangejaagd heb; en
hier komt een oud soldaat van het 42ste regiment aan, die eene
geschikter partij voor u is, dan ik.”
De gerechtsbode (een van die honden, welke ook den vuilsten brok gretig
inslokken) ving de guinje op, die Hector hem toewierp, en wachtte
voorzichtig en bezorgd den keer af, welken de zaken nu namen. Alle
stemmen waren intusschen luide in vragen, waarop niemand zich haastte
te antwoorden.
„Wat is er te doen, kapitein M’Intyre?” vroeg Sir Arthur.
„Vraag het den ouden Adam,” antwoordde Hector; „ik weet alleen, dat
alles weder in orde is.”
„Wat beteekent dit, Adam?” vroeg Isabella Wardour aan den bedelaar.
„Gij moet het Monkbarns vragen, Freule; want hij heeft de brieven.
„Leve de Koning!” riep de oudheidkenner uit, na den inhoud van het
pakje eventjes ingezien te hebben, en hij smeet, in zijne
opgewondenheid zijn gevoel van betamelijkheid, zijne wijsbegeerte en
zijn phlegma vergetende, zijn opgetoomden hoed in de lucht, waaruit hij
niet terugkeerde, daar hij in den val aan een arm van een kandelaar
bleef hangen. Daarna, vroolijk rondziende, greep hij zijne pruik, die
waarschijnlijk den hoed zou zijn nagezonden, als Adam zijne hand niet
tegengehouden had, uitroepende: „Om ’s hemels wil! hij is gek geworden!
– Bedenk dat Caxon niet hier is, om de schade te herstellen!”
Iedereen drong er nu bij den oudheidkenner op aan, om de oorzaak te
weten van zulk een schielijken overgang, toen hij, eenigszins beschaamd
over zijne verrukking, kortaf, gelijk een vos op het geblaf der
jachthonden, rechtsomkeert maakte en de trap, twee treden tegelijk
opklimmende, naar het bovenste bordes week, waar hij zich omkeerde, en
de verwonderde toehoorders aldus aansprak:
„Mijne vrienden! favete linguis! – Om u bericht te geven, moet ik
volgens de regels der logica, het eerst zelf gekregen hebben en dus zal
ik mij, met uw verlof, in de boekenkamer begeven, om deze papieren te
onderzoeken. – Sir Arthur en Freule Wardour zullen de goedheid hebben
van in de zaal te gaan. – Mijnheer Sweepclean, secede paulisper! of, in
uwe eigene taal: vergun ons een uitstel van vijf minuten. – Hector,
trek af met uwe macht, en laat uwe krijgstrompet elders weêrgalmen. –
En, eindelijk, zijt allen goedsmoeds tot ik terugkom, wat instanter zal
zijn.”
De inhoud van het pakje was inderdaad zoo verrassend, dat men den
oudheidkenner zoowel zijne verrukking als zijne begeerte vergeven mag,
om de mededeeling van alles uit te stellen tot hij het zelf behoorlijk
nagegaan en begrepen had.
In het couvert was een brief, gericht aan den Heer Jonathan Oldbuck,
van Monkbarns, luidende als volgt:
„Waarde Heer! – Aan u, als aan een beproefden en waardigen vriend van
mijn vader, waag ik het mij te wenden, daar ik door dienstzaken, welke
geen uitstel lijden, niet van hier kan. Gij moet thans bekend zijn met
den ongelukkigen toestand van onze zaken; en gij zult, dat weet ik
zeker, met genoegen vernemen, dat ik mij gelukkig en zeer onverwacht in
de gelegenheid gesteld zie, om alles te verhelpen. Ik verneem dat Sir
Arthur strenge maatregelen te duchten heeft, welke lieden, die vroeger
zijne zaakgelastigden geweest zijn, tegen hem genomen hebben; en, op
den raad van een zeer geachten zaakwaarnemer hier, heb ik mij voorzien
van inliggend schrijven, hetwelk ik vertrouw, de procedures staken zal,
tot alle schuldvorderingen wettelijk zullen onderzocht en tot de
wezenlijke waarde teruggebracht zijn. Ik sluit hierbij tevens eenige
banknoten in, te zamen ter waarde van duizend pond sterling, om in de
dringendste vorderingen te voorzien, en verzoek u, als vriend, om ze
daartoe, naar uw oordeel, aan te wenden. Gij zult verwonderd zijn, dat
ik deze moeite van u verg, en het zou u natuurlijker schijnen, dat ik
aan mijn vader over zijne eigene zaken schreef. Maar ik heb tot nog toe
de zekerheid niet verkregen, dat zijne oogen geopend zijn omtrent het
karakter van zekeren persoon, voor wien ik weet, dat gij hem dikwijls
gewaarschuwd hebt, en wiens noodlottige invloed de oorzaak is van de
tegenwoordige rampen. En, daar ik de middelen om Sir Arthur te redden
verschuldigd ben aan de edelmoedigheid van een onvergelijkelijken
vriend, is het mijn plicht, om de zekerste maatregelen te nemen tot
bereiking van het oogmerk, waartoe ze bestemd zijn, en ik ben
overtuigd, dat uw doorzicht en uwe vriendschap daarvoor zorgen zullen.
Mijn vriend, die u hoog schat, wenscht u zijne eigene gevoelens in den
ingesloten brief te ontvouwen. Daar de staat van het postwezen te
Fairport algemeen bekend is, moet ik dezen op Tannonburgh richten; maar
de oude Ochiltree, dien bijzondere omstandigheden als
vertrouwenswaardig aanbevelen, heeft tijding ontvangen, wanneer dit
pakje op laatstgenoemde plaats zal aankomen, en zal voor de verdere,
spoedige terhandstelling zorgen. Ik verwacht weldra in de gelegenheid
te zijn, om mij in persoon te verontschuldigen wegens de moeite, die ik
u veroorzaak, en heb de eer te zijn uw zeer toegenegen dienaar en
vriend, – Reginald Gamelyn Wardour. Edinburg den 6den Augustus 179–.”
De oudheidkenner verbrak haastig het lak van het ingeslotene, welks
inhoud hem evenzeer verraste en verheugde. Zoodra hij zich eenigermate
hersteld had na het lezen van de onverwachte tijdingen, onderzocht hij
zorgvuldig de overige papieren, welke alle betrekking hadden op zaken;
– hij stak de banknoten en brieven in zijn zakboek, en schreef eene
korte kwitantie, om met omgaande post verzonden te worden, – want hij
was buitengemeen ordelijk in geldzaken, – en eindelijk, uitgerust met
al het gewicht zijner tijdingen, ging hij de trap af naar de zaal.
„Sweepclean!” zeide hij, toen hij in de kamer trad, tot dien ambtenaar,
die eerbiedig aan de deur stond, „Sweepclean! gij moet u uit het
kasteel Knockwinnock wegpakken met al uw gevolg, zak en pak! Ziet gij
dit papier, man?”
„Een bevel ter opschorting van verdere proceduren,” zei de deurwaarder
met een teleurgesteld gelaat; „ik dacht wel dat het moeielijk zou gaan,
het tot het uiterste te drijven met zulk een heer als Sir Arthur. Wel,
mijnheer, ik zal met mijn volk optrekken. – En wie zal mij betalen?”
„Zij, die u hierheen zonden,” antwoordde Oldbuck, „zoo als gij zeer wel
weet. – Maar zie hier eene andere expresse; dit is, dunkt mij, een dag
van verrassingen!”
Het was de heer Mailsetter op zijne merrie, van Fairport komende met
een brief voor Sir Arthur, en een anderen voor den deurwaarder, welke
beide brieven, zoo als hij zeide, dadelijk besteld moesten worden. De
deurwaarder opende den zijnen, met de aanmerking dat Greenhorn en
Grinderson goed waren voor zijne onkosten, en dat het een brief van hen
was, waarbij hij verzocht werd, om alle vervolgingen te staken.
Dienovereenkomstig verliet hij dadelijk het vertrek, en vertoefde niet
langer dan noodig was om zijn volk bijeen te brengen, waarna hij,
volgens de uitdrukking van Hector, die zijn vertrek gadesloeg, even als
een knorrende bulhond den aftocht van een afgewezen bedelaar waarneemt,
het bezette land ontruimde.
De brief aan Sir Arthur was van den heer Greenhorn, en eene
zeldzaamheid in zijne soort. Wij deelen dien mede, met de aanmerkingen
van den waardigen baronet.
„Mijnheer! – (o! ik heet niet meer waarde heer; men is de heeren
Greenhorn en Grinderson alleen waard, als men in tegenspoed is), –
Mijnheer, het spijt mij zeer te vernemen bij mijne terugkomst van
buiten, waarheen mij zaken van belang geroepen hadden,” (waarschijnlijk
de wedrennen) „dat mijn compagnon de lompheid heeft gehad, om, in mijne
afwezigheid, de belangen van de heeren Goldiebird te behartigen bij
voorkeur boven de uwe, en u op eene onbetamelijke wijze daarover te
schrijven. Ik verzoek u mijne nederigste verontschuldigingen aan te
nemen, zoo wel als die van den heer Grinderson” – (kom, ik zie dat hij
ook schrijven kan voor zich zelven en voor zijn compagnon), – „en ik
vertrouw, dat gij mij niet zult kunnen in staat achten te vergeten, of
met ondankbaarheid te vergelden de bescherming, welke mijne familie”
(zijne familie! die vervloekte kwast!) „altijd genoten heeft van die
van Knockwinnock. Het doet mij leed, uit een gesprek, hetwelk ik dezer
dagen met den heer Wardour had, te vernemen, dat hij zeer gebelgd is,
en ik moet bekennen, met eenigen schijn van recht. Maar ten einde, zoo
veel als in mijne macht is, het misverstand te herstellen, waarover hij
klaagt,” (een fraai misverstand, om zijn beschermer in de gevangenis te
stoppen!) „heb ik deze expresse afgezonden om alle procedures te
staken, en tegelijk mijne meest eerbiedige verontschuldigingen over te
brengen. Ik heb er alleen nog bij te voegen, dat de heer Grinderson van
gevoelen is, dat, als hij in uw vertrouwen hersteld is, hij
omstandigheden zou kunnen opgeven, die betrekking hebben op de
tegenwoordige schuldvordering van de heeren Goldiebird, en welke het
bedrag daarvan zeer verminderen zouden,” (zoo! zoo! bereid, om den
schurk van weerskanten te spelen!) „en dat er volstrekt geene haast bij
is, om het saldo der rekening met ons te sluiten; terwijl ik ben, zoo
wel voor den heer G. als voor mij zelven, Waarde Heer! (o ja, al
schrijvende is hij gemeenzaam geworden!), „uw zeer verplichte en zeer
nederige dienaar, Gilbert Greenhorn.
„Goed geschreven, mijnheer Gilbert Greenhorn!” zei Monkbarns. „Ik zie
nu dat het zijn nut heeft, twee zaakwaarnemers in ééne firma te hebben.
Hunne bewegingen gelijken op die van het mannetje en het vrouwtje in
een poppenhuisje. Als het fraai weêr is bij degenen, welke zij
bedienen, draait de heer compagnon vooruit om te kwispelstaarten als
een schoothondje; is het weêr slecht, fluks verschijnt de kwaadaardige
broeder, om aan te vallen als een bulhond. – Wel, ik dank den hemel,
dat mijn zaakwaarnemer steeds een opgetoomden hoed draagt, een huis in
de oude stad heeft, zoo bang voor een paard is als ik zelf ben,
Zaterdags in de kolfbaan gaat, Zondags naar de kerk, en, geen compagnon
hebbende, slechts zijne eigene dwaasheden behoeft goed te maken.”
„Men vindt toch eenige pennelikkers, die zeer brave kerels zijn,” zeide
Hector; „ik zou wel eens iemand willen hooren zeggen dat mijn neef,
Donald M’Intyre, de zevende zoon van Strathtudlem, (de andere zes zijn
in dienst), geen eerlijke kerel was!”
„Zonder twijfel, zonder twijfel, Hector! dat zijn al de M’Intyres; –
zij hebben dat bij ingeving, man! Maar, ik wilde zeggen dat in een
beroep, waarmede noodwendig een onbegrensd vertrouwen gepaard gaat, het
niet te verwonderen is, dat er dwazen zijn, die het in hunne
lichtzinnigheid verwaarloozen, en bedriegers, die het in hunne
slechtheid misbruiken. – Maar des te grooter eer is het voor degenen,
en ik wil er voor menigeen instaan, die rechtschapen eerlijkheid met
kunde vereenigen, en eerlijk en kordaat hunne zaken verrichten, terwijl
er zoo vele strikken en struikelbokken zijn voor mannen van een minder
vast karakter. Aan de eerstgemelden mogen hunne medeburgers veilig de
zorg en bescherming van hunne rechten toevertrouwen, en hun vaderland
de meer heilige bewaking van zijne wetten en voorrechten.”
„Zij zijn er nochtans het beste aan toe, die er het minste meê te doen
hebben,” zeide Ochiltree, die het hoofd om de deur gestoken had; want,
in de algemeene verwarring van het huisgezin waren de dienstboden,
gelijk de golven als de orkaan voorbij is, nog niet binnen de juiste
palen teruggekeerd, maar doorkruisten het huis in alle richtingen.
„Aha, getrouwe! zijt gij daar?” zei de oudheidkenner. „Sir Arthur!
vergun mij dat ik den geluksbode binnen brenge, ofschoon hij slechts
een lamme bode is. Gij spraakt van de roofvogels, die den slag van
verre ruiken; maar hier is eene blauwe duif, (wel van de oudste en
taaiste, dat beken ik), die het goede nieuws zes of zeven mijlen ver
bespeurde, in de kar daarheen vloog, en met den olijftak terugkeerde.”
„Gij hebt dat den armen Robert te danken, die mij reed, – de arme
schelm!” zei de bedelaar; „hij vreest, dat hij in ongenade bij de
Freule en Sir Arthur is.”
Men zag het berouwvol en verlegen gelaat van Robert over den schouder
van den bedelaar.
„In ongenade bij mij?” vroeg Sir Arthur; – „hoe zoo?” – want hij was
reeds lang vergeten, hoe hij zich over het geroosterd brood driftig
gemaakt had. – „O, nu herinner ik mij – Robert! ik had mij boos
gemaakt, en gij hadt ongelijk; – ga naar uw werk, en antwoord nooit een
meester, die in drift tot u spreekt.”
„En evenmin iemand anders,” zei de oudheidkenner; „want een zacht
antwoord verdrijft de gramschap.”
„En zeg uwe moeder, die zoo met de jicht geplaagd is, dat zij morgen
bij de huishoudster moet komen,” zeide Isabella Wardour, „en wij zullen
zien, wat er voor haar gedaan kan worden.”
„God zegene u,” zei de arme Robert, „en Sir Arthur, en den jongen heer,
en het huis van Knockwinnock in al zijne vertakkingen; – het is altijd
een goed huis voor de armen geweest, – al vele honderd jaren lang.”
„Daar!” zei de oudheidkenner tegen Sir Arthur, – „wij willen geen twist
maken; – maar daar ziet gij, hoe de dankbaarheid van de arme lieden
zich natuurlijk wendt tot de burgerlijke deugden van uw geslacht. Gij
hoort hen niet spreken van Roodhand of van Hel in het Harnas. Ik voor
mij, ik moet zeggen: Odi accipitrem qui semper vivit in armis, – laat
ons dus in vrede eten en drinken en vroolijk zijn, heer ridder!”
Weldra was er eene tafel in de zaal gedekt, waaraan het opgeruimd
gezelschap plaats nam, om eenige ververschingen te gebruiken. Op het
verzoek van Oldbuck werd aan Ochiltree vergund, bij het buffet te
zitten op een grooten, lederen stoel, gedeeltelijk achter een scherm
verborgen.
„Ik sta dit te gereeder toe,” zeide Sir Arthur, „omdat ik mij herinner,
dat in de dagen van mijn vader deze stoel toebehoorde aan Ailshie
Courlay, die, voor zoo ver ik weet, de laatste nar was, die bij eenige
aanzienlijke familie in Schotland gehouden werd.”
„Wel, Sir Arthur,” antwoordde de bedelaar, die nooit een oogenblik
aarzelde tusschen zijn vriend en zijne scherts, „menig verstandig man
zit nu op den stoel van een dwaas, en menige dwaas op dien van een
verstandig man, vooral in familiën van aanzien.”
Isabella Wardour, vreezende voor de uitwerking, welke dit gezegde
(hoezeer ook Ailshie Courlay of iederen anderen bevoorrechten nar
waardig) zou kunnen hebben op het zenuwgestel van haren vader, haastte
zich te vragen, of men geen bier en rundvleesch zou uitdeelen aan de
dienstboden en aan het volk, dat het nieuws om het kasteel verzameld
had.
„Zeker, mijn lieve!” zeide haar vader; „wanneer ging men ooit anders in
ons geslacht te werk, na het opheffen van een beleg?”
„Ja, een beleg, ondernomen door Saunders Sweepclean den deurwaarder, en
opgebroken door Adam Ochiltree den ouden bedelaar: – par nobile
fratrum!” zeide Oldbuck, „en wel geschikt voor elkander ten aanzien van
stand! Maar bekommer u daar niet om, Sir Arthur! – dat zijn van die
belegeringen en ontzetten, welke onze tijden medebrengen; – en onze
verlossing is daarom niet minder waard om gevierd te worden met een
glas van dezen voortreffelijken wijn. Op mijn woord, het is Bourgonje,
geloof ik.”
„Als er iets beters in den kelder ware,” zeide Isabella Wardour, „zou
het toch te gering zijn om u te onthalen, na uwe vriendelijke
bemoeiingen.”
„Zegt gij dat?” zei de oudheidkenner. – „Welaan dan, eene teug van
dankzegging zij u toegebracht, mijne schoone vijandin! en dat gij
weldra moogt belegerd worden op de wijze, die de dames het liefst
hebben, en dat gij de capitulatie moogt teekenen in de kapel van
Sint-Winnox.”
Isabella Wardour bloosde, Hector ook, en werd daarop bleek.
Sir Arthur antwoordde: „Mijne dochter is u zeer verplicht, Monkbarns,
maar, tenzij gij haar zelf wilt nemen, weet ik inderdaad niet, hoe de
dochter van een armen baronet een man zou vinden in deze baatzuchtige
tijden.”
„Ik, Sir Arthur? – Neen, ik niet; ik wil het voorrecht inroepen van het
tweegevecht, en, als zelf onbekwaam zijnde om mijne schoone tegenpartij
te ontmoeten, zal ik door een kampvechter verschijnen; – maar hierover
een andermaal! – Wat vindt gij in die nieuwspapieren, Hector, dat gij
er met uw hoofd op ligt, alsof uw neus bloedde?”
„Niets bijzonders, oom, dan dat ik, daar mijn arm nu bijna geheel
hersteld is, u binnen een dag of twee van mijn gezelschap denk te
verlossen en naar Edinburg te gaan. Ik zie, Majoor Neville is daar
aangekomen; – ik wilde hem gaarne ontmoeten.”
„De majoor – wie?”
„De majoor Neville, oom!”
„En wie drommel is de majoor Neville?”
„O, mijnheer Oldbuck,” zeide Sir Arthur, „gij moet u herinneren zijn
naam dikwijls in de dagbladen gelezen te hebben; – een zeer uitmuntend
jong officier. Maar het is mij een genoegen te kunnen zeggen, dat de
heer M’Intyre Monkbarns niet behoeft te verlaten om hem te zien; want
mijn zoon schrijft mij dat de majoor met hem op Knockwinnock zal komen,
en ik behoef er niet bij te voegen, hoe gelukkig ik mij achten zal, de
heeren met elkander bekend te maken, bijaldien zij elkander niet reeds
kennen.”
„Neen, persoonlijk niet,” antwoordde Hector; „maar ik ben in de
gelegenheid geweest zeer veel van hem te hooren, en wij hebben vele
gemeenschappelijke vrienden, van wie uw zoon er één is. – Maar ik moet
gaan, want ik zie dat mijn oom mij begint moede te worden, en ik ben
bang, –”
„Dat gij zelf hem moede zult worden?” viel Oldbuck in. – „Ik vrees, dat
er geen bidden meer helpen zal. Maar gij hebt vergeten dat de heerlijke
twaalfde Augustus nadert, en dat gij afgesproken hebt, om één van Lord
Glenallans jachtopzieners, de hemel weet waar, te ontmoeten, ten einde
de vreedzame vogels te vervolgen.”
„Dat is zoo, dat is zoo, oom! – ik dacht er niet om,” riep de
lichtzinnige Hector. – „Maar gij zeidet daar juist iets, dat mij alles
deed vergeten.”
„En, met verlof van de heeren,” zei de oude Adam, zijn grijs hoofd van
achter het scherm uitstekende, waar hij zich volop met bier en koud
vleesch te goed gedaan had, – „en, met verlof van de heeren, ik kan u
iets vertellen, wat den kapitein bij ons zal houden, evenzeer als de
jacht. – Hebt gij niet gehoord dat de Franschen komen?”
„De Franschen, domkop?” antwoordde Oldbuck, „bah!”
„Ik heb den tijd niet gehad,” zeide Sir Arthur Wardour, „om mijne
officiëele briefwisseling deze week in te zien. – Inderdaad, over het
algemeen heb ik mij tot regel gemaakt, om die alleen ’s Woensdags te
lezen, uitgezonderd in dringende gevallen, want ik doe alles
stelselmatig; – maar met een enkelen blik dien ik in mijne brieven
sloeg, merkte ik, dat er eenige ongerustheid daaromtrent gekoesterd
werd.”
„Ongerustheid?” zeide Adam, – „zeker is er ongerustheid; want de
provoost heeft bevolen, dat de brandstoffen tot het alarmvuur op het
Halket-head, (die reeds voor een halfjaar hadden moeten gereed zijn,)
in aller ijl zouden worden klaar gemaakt, en de Raad heeft niemand
anders dan den ouden Caxon zelven benoemd om er het opzicht over te
hebben. Sommigen zeggen dat deze benoeming geschied is uit beleefdheid
jegens den Luitenant Taffril; want het is zeker, dat hij met Jenny
Caxon trouwen zal; – sommigen zeggen dat het is, om u en Monkbarns te
behagen, die zijne pruiken dragen, – en sommigen zeggen dat er een oud
historietje bij is van eene pruik, welke een van de raadsleden heeft
laten maken, en die nooit betaald is geworden. – Hoe het zij, daar zit
hij nu als een vogel op den top van de klip, om te krassen als er
slecht weêr opkomt.”
„Op mijn woord, een fraaie wachter!” zeide Monkbarns; „en wat zal er in
al dien tusschentijd van mijne pruik worden?”
„Ik heb Caxon dezelfde vraag gedaan,” antwoordde Ochiltree, „en hij
zeide mij, dat hij er elken morgen naar kon komen zien en ze eventjes
opmaken, vóórdat hij naar bed ging, want er is iemand anders, om over
dag de wacht te houden; en Caxon zegt, dat hij de pruik van mijnheer
even goed slapende als wakende opmaken kan.”
Dit nieuws gaf eene andere wending aan het gesprek, dat nu liep over de
nationale verdediging en den plicht om voor het land te strijden,
waarin men woont; dit duurde tot het tijd werd om te scheiden. De
oudheidkenner en zijn neef begonnen hunne wandeling huiswaarts, nadat
zij afscheid genomen hadden van de bewoners van Knockwinnock met de
hartelijkste uitdrukkingen van wederkeerige achting, en met de afspraak
om elkander zoodra mogelijk weêr te zien.